Moskou aan de woestijn

Bijna een half miljoen Russen zijn sinds Gorbatsjovs ‘glasnost’ naar Israel verhuisd. En er waren er al zo veel. De regelmatige Moskouganger voelt zich in Jeruzalem dan ook al snel thuis. Maar mag het een tikkeltje minder hysterisch?
JERUZALEM - Als de Russen komen, is het einde der tijden nabij. Zo profeteert Percy Bilton in 1959 in het schotschrift Russia, Israel, Christ and You! Hij waarschuwt voor een gigantische invasie vanuit de Sovjetunie. Een ramp zal het worden, met moordpartijen en helse wreedheden, en er zal maar een lichtpunt zijn: kort na de catastrofe zal de Messias verschijnen.

Maar eerst komen de Russen. Of zoals de profeet Ezechiel het uit de mond van Jahweh optekende (Ezechiel 38:2-16): ‘Mensenkind, richt uw blik naar het land Magog, naar Gog, de vorst van Ros, Mesek en Tubal.’ - 'Ros’, zo weet Bilton, is de oudste benaming van Rusland, en 'Mesek’ en 'Tubal’ staan voor Moskou en Tobolsk.
Jahweh vertelt Ezechiel dat hij Gog zal opdragen zijn volk te mobiliseren 'om tegen een land op te trekken dat zich van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele landen weer bijeen is gebracht en nu ongestoord woont op de bergen van Israel, die voorgoed een wildernis schenen’. En Jahweh besluit dan: 'Op het einde der tijden laat ik je tegen mijn land oprukken. En als ik door jou, Gog, toon dat ik de Heilige ben, zullen de volken mij erkennen.’
Een duivels plan van Jahwe, om Zijn volk eerst door de Rus onder de voet te laten lopen, alvorens hun de Messias te zenden. En ook een duivels plan van de Engelse christenmens Percy Bilton, die in zijn pamflet betoogt dat als de Russen Israel overspoelen en kort daarna de Messias verschijnt, de joden tot hun verbazing zullen bemerken dat die lang verbeide Redder niemand minder is dan de door hen verworpen Jezus Christus.
Biltons profetie mag dan een smerige christelijke gotspe zijn, in een opzicht heeft hij gelijk gekregen: de Russen zijn gekomen! Sinds de verschijning van zijn geschrift hebben meer dan een half miljoen Russen Jahwehs oproep, vertolkt door de Jewish Agency, gevolgd en zijn naar Israel getrokken. En ze hebben in de ogen van veel Israeli’s niets dan verderf gebracht.
Ik kom regelmatig in Rusland, maar was nog nooit in Israel. In Jeruzalem waande ik me echter onmiddellijk in Moskou. Met een verschil: de Russische lichtvoetigheid, hun ontwapenende melancholie, hun gevoel voor melodrama ontbraken in Jeruzalem te enen male. Voor de rest was het er allemaal: de norse omgangsvormen, de botte bureaucratie, de oplichterij, de dikdoenerij, de herrie om niets. En dan die onverschilligheid: geen verontschuldiging wanneer iemand tegen je opbotst, een schouderophalen in plaats van een duidelijk ja of nee, en, heel opvallend, geen oogcontact wanneer je met iemand communiceert. Mensen in Jeruzalem - op straat, in winkels, bij instanties - vertonen dezelfde ondoordringbare eenzelvigheid als Russen.
IN HET HART VAN West-Jeruzalem, op het onooglijke Zionplein, staat het lelijkste luxehotel van de stad: twee gigantische betonnen pilaren waartussen een tiental verdiepingen is opgehangen. Daar blijk ik een kamer te hebben geboekt. De kamer ken ik van mijn Ruslandreizen: fineerhout alom, dat her en der loslaat, scheefhangende lampen, een lege rol wc-papier, een volle prullenbak, een bad zonder stop. Ik haal mijn schouders erover op. Welkom in Moskou aan de woestijn.
De telefoon werkt. Ik probeer afspraken te maken, maar bereik vrijwel niemand. Loofhuttenfeest. In mijn naiviteit dacht ik dat dat maar een dag duurde. Een hele week dus.
Dan maar de straat op. In de buurt van het Zionplein zijn veel cafes, was me gezegd. Cafes met zulke veelbelovende namen als Glasnost, Sergey, Pushkin. Net als in Moskou bestaat het fenomeen cafe in Jeruzalem nog niet zo lang. Jeruzalemmers zijn niet van die cafegangers. Russen iets meer, zij hebben voor de opleving van het cafewezen gezorgd.
In de smalle straatjes rond het plein zijn er restaurantjes te over, allemaal met een loofhut voor de deur. Na enig zoeken ontdek ik tussen de houten staketsels met verdroogde palmtakken iets wat op een echt cafe lijkt. De eigenaar, die zich Tommy noemt, noodt me naar binnen. Op de kruk naast me zitten twee stoere jongelui. Ze spreken Russisch. Er komt een kluit luidruchtige jeugd binnen. Ze begroeten mijn buren in het Russisch. Ze bestellen cola en bier bij Tommy. In het Russisch.
Andrej heet de jongen die het dichtst bij me zit. Hij is negentien jaar, groeide op in Moskou en woont nu zeven maanden in Jeruzalem. 'Ik was liever in Moskou gebleven’, zegt hij. 'Er gebeurt daar veel meer.’ Wat bevalt hem niet in Jeruzalem? 'Je moet hier zo lang werken voordat je een auto bij elkaar verdiend hebt.’ Wilden zijn ouders dan zo graag emigreren? 'Nee, ze hebben het voor mij gedaan. Ze zijn allebei arts en hadden allebei een goede baan. Ze waren bang dat ik in de criminaliteit terecht zou komen.’ Zijn zijn ouders dan niet ook geemigreerd omdat ze ver weg wilden wonen van dat eeuwige Russische antisemitisme? Andrej glimlacht en trekt zijn halskettinkje onder zijn T-shirt te voorschijn. Er hangt geen davidster aan maar een protserig Russisch-orthodox kruis.
DE RUSSEN IN JERUZALEM zijn lang niet allemaal van de jongste lichting. Beter gezegd, als er in Rusland niet zoveel joden hadden gewoond en dat land niet zo'n diep ingevreten antisemitisme had gekend, was Israel misschien nooit ontstaan.
De eerste omvangrijke groep joden die naar Palestina trok, eind vorige eeuw, was afkomstig uit Rusland. Daar waren de joden al eeuwenlang doelwit geweest van volkspesterijen en gesar door de autoriteiten. Catharina de Grote had hun eind achttiende eeuw een gebied toegewezen waar ze, in tegenstelling tot elders in Rusland, volgens hun eigen tradities mochten leven. Dat gebied strekte zich uit van de Baltische Zee tot aan de Zwarte Zee en omvatte grote delen van wat nu Polen, Wit-Rusland en Oekraine heet. Het groeide uit tot de bakermat van de joodse cultuur van ashkenazische (hebreeuws voor 'Duitse’) snit. Juist dat gebied werd na de moord op tsaar Aleksander II in 1881 getroffen door een golf van pogroms. Het leidde tot een enorme uittocht van joden, merendeels richting Amerika, maar ook richting Palestina - een heuse 'aliyah’, ofte wel pelgrimsgolf.
De 'tweede Russische aliyah’ volgde op een tweede golf van pogroms, rond het revolutiejaar 1905. Pobedonostsev, een ongeleid politiek projectiel in de orbit van de krachteloze tsaar Nikolaas II, kwam op de gedachte het volksonbehagen te richten op het 'joodse vraagstuk’, dat volgens hem maar op een manier kon worden opgelost, namelijk door een derde der joden uit te roeien, een derde over de grens te jagen en een derde te bekeren.
De twintig- a dertigduizend Russische joden die daarop naar Palestina vertrokken, ontpopten zich als ijverige kolonisten. De studie van de thora kwam bij hen op het tweede plan. Zij kwamen werken, opbouwen, meer nog: het socialisme vestigen. Allengs kwamen er zelfs joodse bolsjevieken toegestroomd, dit tot ergernis van Jacob Israel de Haan, die in het Algemeen Handelsblad van 21 juni 1921 over hen optekent: 'Een Arabische proletarier is hun nader dan een Joodsche kapitalist.’
Onder Stalin kwam aan de uittocht der joden een einde. De rode dictator had een eigen plan bedacht om het 'joodse vraagstuk’ op te lossen. Boribidzjan, ergens diep in Siberie, leek hem een geschikt oord voor een autonome joodse republiek. Er viel veel grond te ontginnen en het lag strategisch ten opzichte van Japan. Het aantal joden is er nooit boven de dertigduizend gekomen. In de jaren zeventig woonden er ternauwernood nog twaalfduizend. En toen moest de 'derde aliyah’ nog beginnen, die van de jaren zeventig.
Maar liefst honderdzestigduizend joden trokken in die jaren, als gevolg van de versoepeling der emigratieregeling, naar Israel. Een derde van hen waren zogeheten 'orientaalse joden’ uit Georgie, de Kaukasus en Boechara. Deze oosterse joden zijn minder hoog opgeleid en leven traditioneler dan hun ashkenazische broeders en zusters uit het westen van Rusland.
Van de 'vierde aliyah’, de laatste, die in 1987 dank zij Gorbatsjovs glasnost op gang kwam, maakten de orientaalse joden bijna een kwart uit. Op deze brave en inschikkelijke groep joden zijn de kwalijke vooroordelen die men in Israel jegens de nieuwste lichting Russen koestert, in ieder geval niet van toepassing. Onder hen geen criminelen, zuiplappen, leeglopers en prostituees.
'IK BEN HIER NOG NOOIT een Russische crimineel tegengekomen’, zegt Roman Goerjevitsj. 'Ik ken ze niet, het is een fabel dat er speciaal onder de Russen veel criminelen zouden zitten. In elke bevolkingsgroep komen trouwens criminelen voor. En de Russische criminelen die er zijn, dat verzeker ik je, zijn voornamelijk niet-joden.’
Goerjevitsj is een ietwat hybride geval. Hij is een ashkenazische jood uit het oosten, uit Bakoe, de hoofdstad van Azerbajdzjan. Zijn joodse zelfbewustzijn, dat hij overvloedig tentoonspreidt, heeft hij niet van huis meegekregen. Zijn ouders deden niet aan religie en hadden niets met joodse tradities. Beiden waren liberale journalisten, en toen zij in 1990 naar Los Angeles emigreerden, koos Roman, nog maar net volwassen, voor Jeruzalem. Nee, niet Israel maar Jeruzalem. 'Er is maar een stad waar ik thuis ben. Alleen hier, in deze stad, voel ik me in de nabijheid van God.’
Hij werd Jeruzalem-correspondent voor het grootste Russische weekblad in Israel, het vuistdikke Vjesti, dat, net als bijna alle kranten, in Tel Aviv wordt gemaakt. Goerjevitsj maakt iedere week een heel katern met lokaal nieuws. Hij heeft een opvoedkundige opvatting van zijn taak: hij wil de lezers vertrouwd maken met de geschiedenis van Israel, met de joodse tradities, met de betekenis van het Loofhuttenfeest. Schrijft hij dan niet over de nijpende problemen van de Russische gemeenschap in Jeruzalem? 'Er zijn geen gemeenschappelijke problemen, er zijn alleen individuele problemen.’ Maar de Russen klagen, de Israeli’s klagen, er zijn toch duidelijk wrijvingen? 'De Russen moeten niet klagen, ze moeten dankbaar zijn dat ze in het enige land wonen waar ze thuishoren.’
Mijn Nederlandse begeleidster en ik kijken elkaar bevreemd aan. Wat is dit voor een superzionist? En ook: wat is dit voor een journalist? Geen enkel oog voor de spanningen die de Russische invasie met zich heeft meegebracht, geen woord van kritiek op de manier waarop Israel de Russen heeft opgevangen, in plaats daarvan totale vereenzelviging met de joodse zaak. Alles wat joods is is goed, en alles wat niet goed is is niet-joods. Zelfs Abi, de free-lancer die er halverwege het gesprek bij kwam zitten, kijkt ons verontschuldigend aan.
Of wacht, daar klinkt ineens toch kritiek. 'Het vredesproces brengt mij en mijn vrienden direct in gevaar. De regering geeft land weg zonder er iets voor terug te krijgen. Ze controleert op geen enkele manier of de Arabieren zich aan hun afspraken houden. En dat doen die natuurlijk niet, want Arabieren houden zich nooit aan afspraken. De Arabische terroristen en hun geheime agenten hebben vrij spel. Ik voel me niet meer veilig als dat zo doorgaat.’
'WAT EEN TOTALE GEK’, roep ik barstend van ergernis tegen mijn gezelschap zodra we Goerjevitsj in zijn redactielokaaltje hebben achtergelaten. Met veel moeite vinden we de uitgang in het gigantische bedrijfspand aan de Jaffastraat, dat er uitziet als een Moskous warenhuis in de overgang van communisme naar kapitalisme: lelijk, vies, kapot en vol schreeuwerige reclames. 'Ach wat, het begon net interessant te worden’, sputtert zij tegen. 'Ik begrijp je irritatie niet, je had moeten doorvragen, wat onprofessioneel van je om het gesprek op het hoogtepunt af te kappen!’
'Hou toch op, mens’, snauw ik terug. Ik schrik er zelf van. Waar word ik nou zo agressief van? Van die hysterische, bekrompen Rus? Of is het de hele stad die danig op mijn zenuwen begint te werken? We worstelen ons over de drukke straat naar het Zionplein. Om me heen zie ik louter zeloten verblind achter hun eigen benepen wereldbeeld aan hollen, terwijl hun wederzijdse minachting over het asfalt knettert. Net Moskou, maar dan zonder de verzachtende omstandigheid van de alcohol. 'Een cafe’, zeg ik, 'kom op, ik moet drank!’
Nee, dit keer maar eens geen whisky van een tientje per glas. Doe maar goedkope Israelische brandy, een dubbele. 'Precies wat ik zelf altijd neem’, zegt de jongen die de glazen voor ons op tafel zet. Het is Abi, de free-lance journalist. 'Ik ben hier stamgast’, antwoordt hij op onze verbaasde blik. Abi Avalasjvili blijkt hij te heten. Eind jaren zeventig kwam hij uit Minsk naar Jeruzalem. Een ietwat hybride geval: een orientaalse jood - zijn voorouders zijn Georgisch - uit het westen van Rusland.
'Hij is nog jong’, begint hij onmiddellijk zijn collega Roman te verontschuldigen. 'Erg defensief. Hij trekt het zich enorm aan dat er in Israel zoveel vooroordelen tegen Russen bestaan. Daarom ontkent hij alles.’ Maar hoe zit het dan met die vooroordelen? 'Ach, ik weet het niet. Veel Russen winden zich erover op. Natan Sjtsjaranski van de beweging van Russen in Israel is er een campagne tegen begonnen. Met harde cijfers probeert hij aan te tonen dat Russen niet crimineler en niet alcoholischer zijn dan andere bevolkingsgroepen. En dat ze keurig in het leger dienen, en dat de vrouwen niet allemaal prostituees zijn.’
Sjtsjaranski, is dat niet die man die ook een politieke partij speciaal voor Russen wil oprichten? 'Dat roept hij, ja. Met als gevolg dat Likoed en de Arbeiderspartij ineens allemaal Russen naar voren beginnen te schuiven. Het is natuurlijk een machtig kiezersblok, die Russische nieuwkomers. Bijna een vijfde van de bevolking.’
'Even m'n vrouw bellen dat ik een half uurtje later kom’, zegt hij terwijl ik de zoveelste ronde dubbele brandy’s bestel. Twee uur later stapt hij op met de woorden: 'Je moet het zo zien: tot nu toe hadden de Russen de joden, nu hebben de joden de Russen om al het kwaad op af te schuiven.’
IK TROON MIJN begeleidster mee naar de inmiddels vertrouwde bar van Tommy. De drank heeft haar doen besluiten mij de hele avond op m'n kop te zitten over mijn journalistieke opvattingen. Ik laat me veel te gemakkelijk meeslepen door mijn ergernis, roept ze boven het rumoer uit. Ik ben kennelijk niet echt uit op de waarheid, ik ben geen echte journalist, vindt ze. En dat krantje van me, heeft ze gemerkt, neemt wel vaker een loopje met de feiten, al die mooischrijverij is maar niks…
Ze is inmiddels gaan schreeuwen, en ik schreeuw terug. Om ons heen is een gigantische herrie losgebarsten. Glazen vliegen over de vloer in scherven, Russische scheldwoorden knallen over de bar. Ik probeer te zien wat er allemaal loos is, maar ik krijg geen kans. Mijn gezelschap blijft op me inhakken. En ik hak terug, met alle agressie die Jeruzalem in mij heeft losgewoeld. Vanuit een ooghoek zie ik hoe twee Russische kaalkoppen in bomberjacks door Tommy en zijn personeel de kroeg uit worden gezet, de armen op de rug gedraaid. Nee, luister nou eens even, priemt het in mijn oor, waarom geef je niet gewoon toe dat jullie vaak onzin schrijven… De argumenten herhalen zich, met ieder nieuw glas brandy begint de discussie weer van voor af aan. Achter de rug van mijn belaagster doemen twee, slechts in sieraden geklede vrouwen op, de een peroxyde-blond, de ander glinsterend zwart. Rond hen verdringt zich een kluwen drukdoenerige mannen. Ik zie bankbiljetten van eigenaar wisselen. Wanneer de vrouwen zich langs ons wurmen, een walm goedkope parfum achter zich aan slepend, hoor ik dat ze Russisch spreken. Kijk me aan, je bent met mij in gesprek, krijg ik te horen. Laten we gaan, alsjeblieft, antwoord ik, terwijl de adrenaline uit mijn oren spuit.
Op de hotelkamer is het nauwelijks rustiger. Van de disco recht onder het raam kun je het golfplaten dak op de muziek zien dreunen. Ons dispuut is inmiddels ontaard in een handgemeen. Er wordt op de muren gebonkt. Uitgeput vallen we in coma, ik op de grond, zij dwars over het bed.
Als we ’s morgens met een houten kop wakker worden, kijken we elkaar heel lang, heel bedroefd aan. Dan fluister ik: 'Het is vrijdag de dertiende, laten we deze stad verlaten voordat er ongelukken gebeuren.’
Ze knikt met gesloten ogen.
'Weet je wat’, zeg ik, 'ik beloof je dat ik je ooit het echte Moskou zal laten zien.’