Essay: Nederland ging vroeger al flexibel om met moslims

Moslims in de Republiek

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – altijd op zoek naar bond-genoten tegen Spanje – was in de zeventiende eeuw ook in de omgang met moslims flexibel, tolerant en opportunistisch. Maar er was een grens: geloofsafval.

Dat in de zeventiende eeuw moslims de Nederlanden bezochten is zeker. Maar hoeveel dat er waren is onduidelijk. Het ging slechts om individuen en kleine groepjes, die tijdelijk in het land verbleven. Voorzover we weten vormden ze nooit een gemeenschap. Of ze ooit een moskee hebben gehad, is hoogst onzeker. Dat past in een patroon: alle indicaties wijzen erop dat moslims in de christelijke landen maar een zeer geringe aanwezigheid kenden. In heel Europa had alleen Venetië een erkende moslimgemeenschap, met collectieve privileges en een gemeenschappelijk verblijf.

Dat is verbazend, gegeven de nauwe integratie van de economieën van Europa en het Midden-Oosten. Slechts een klein deel van de onderlinge handel was echter in handen van moslims. Van oudsher beheersten Venetiaanse en Genuese kooplieden het leeuwendeel. Sefardische joden speelden in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw een belangrijke rol. Nederlandse, Britse en Franse handelaren domineerden daarna. Over het algemeen reisden de Europese handelaren naar moslimlanden, niet vice versa. In Aleppo, Alexandrië en andere grote Levantijnse havens werd de handel uitgevoerd door joodse en christelijke minderheden. Zelden brachten moslimkooplui zelf hun waren naar Europese havens. Alleen in Venetië gebeurde dat regelmatig.

Nergens in Europa waren vaste moslimambassades. De moslims gaven er de voorkeur aan dat de Europese diplomaten naar hen kwamen, en dat kwam de Europese vorsten weer goed uit omdat ze niet gezien wilden worden als vrienden (of zelfs bewonderaars) van de «ongelovigen». Turkse en Marokkaanse gezanten werden alleen voor heel specifieke missies naar Europa gestuurd. Perzische gezanten waren een zeldzaamheid.

*

Protestanten in het bijzonder hadden goede redenen voor hun contacten met moslims: zij deelden de afkeer van het katholicisme, dat door beide religies werd veroordeeld om zijn afgoderij. Op bezoek in Den Haag in 1613 sprak de Marokkaanse gezant Ahmad ibn Qasim al-Hajari zijn sympathie uit voor het calvinistische geloof van zijn gastheren. De protestantse geleerden op hun beurt leerden volgens al-Hajari het volk «dat zij de moslims niet moesten haten, omdat zij het zwaard van God op Zijn Aarde waren, tegen de aanbidders van afgodsbeelden».

Of dat nu zo was of niet, veel protestanten vonden het in elk geval prettig dat het vooral de katholieke staten en koningen waren, en de Habsburgers in het bijzonder, die de zwaarste moslimaanvallen te verduren kregen. Katholieke polemisten lasterden, niet zonder grond, dat hun protestantse tegenstanders in feite «Calvino-Turken» waren. Al in 1565 was een Ottomaanse gezant naar de Nederlanden gekomen om zijn steun aan te bieden aan de protestantse rebellen. Een tweede gezant kwam in 1580-1581. Tijdens de opstand circuleerden er zelfs plannen om gelijktijdig door Nederlandse en Ottomaanse troepen militaire acties tegen Spanje uit te voeren, waarbij dan in Spanje de moslimminderheid, de morisco’s, in opstand zou komen. De dreiging van de Ottomanen was in elk geval een serieuze kopzorg voor Karel V in zijn campagnes tegen de Reformatie; evenzo werd Philips II door Ottomaanse interventies gedwongen een deel van zijn troepen op andere plaatsen in te zetten dan in de Nederlanden, waardoor mede de Nederlandse revolte kon slagen.

Bij het aanbreken van de zeventiende eeuw maakten de Nederlandse autoriteiten zich vooral zorgen om de veiligheid van Nederlandse handelaren en zeelui, die werden gekaapt en gevangengenomen door Barbarijse piraten. Dezen voerden sinds de val van Granada in 1492 een «heilige guerrillaoorlog» tegen Europa in het algemeen en Spanje in het bijzonder. Ze bestreken de zeeën van Arabië tot IJsland en kaapten christelijke schepen, lading, bemanning en passagiers, die vervolgens om losgeld werden gegijzeld, of als slaven verkocht. Ten slotte wilden Nederlandse kooplui het recht verwerven om vrijelijk handel te drijven in de Levant en Noord-Afrika.

*

De bevrijding door de Nederlanders van Spaanse moslimslaven bereidde de weg naar het sluiten van allianties met zowel Marokko als het Ottomaanse Keizerrijk. In 1604 had het Nederlandse leger de stad Sluis ingenomen, waarvan de haven werd gebruikt door de Spaanse vloot. Ongeveer 135 moslimslaven werden op de Spaanse galeien gevangengenomen, tijdelijk ondergebracht in Zeeland en goed behandeld: ze kregen op hun thuisreis in elk geval elke dag kaas en bier, een warme maaltijd met twee keer per week vis of vlees, en ze kregen nieuwe kleren. Ongeveer honderd van hen werden zo naar Marrakesj gebracht, waar ze in hun prachtige nieuwe kleren aan de Marokkaanse koning Mulay Zidan werden gepresenteerd. De andere «slaven oft Turken» werden naar Algiers gebracht. Dit werd allemaal gedaan op Nederlandse kosten en – en daar waren de Marokkaanse en Turkse heersers vooral van onder de indruk – er werd geen losgeld gevraagd.

In 1610 tekende de Republiek een verdrag met Marokko en twee jaar later met de Sublieme Porte (het Hof van Istanbul), de zogenaamde «Capitulatiën». In 1622 werd een overeenkomst gesloten tussen de Republiek en Algiers, hoewel de Algerijnen zeer selectief zouden blijken in het naleven ervan. Als gevolg van deze verdragen stuurde de Staten-Generaal een serie ambassadeurs en agenten uit die verbleven in Marokko en het Ottomaanse Keizerrijk, te beginnen met Pieter Maertensz Coy in Marrakesj van 1605 tot 1609 en Cornelis Haga in Istanbul. Ze vestigden ook diverse consulaten, onder meer in Aleppo en Algiers.

*

Zoeken naar moslims in de Republiek blijft echter detectivewerk, want de bewijzen voor hun aanwezigheid zijn fragmentarisch. De aanwezigheid van gezantschappen was in zekere mate zichtbaar. De ambassadeurs bleven gemiddeld tussen de vier en acht maanden in Nederland en kwamen met een gevolg. De Ottomaanse gezant Ömer Agha, die in 1614 arriveerde, had een stoet van negentien man. In de Nederlanden brachten deze dignitarissen de meeste tijd door in Den Haag, maar ze reisden ook rond. Agha liet zich rondleiden in Leiden, Haarlem, Amsterdam en Utrecht.

Verder werden er af en toe voormalige Spaanse slaven in de Nederlanden aangetroffen, die werden teruggezonden, en ook moeten er morisco’s naar de Nederlanden zijn uitgeweken na hun verdrijving in 1609. Tussen 1609 en 1614 werd de islamitische bevolking van Spanje, ongeveer driehonderdduizend mannen, vrouwen en kinderen – de grootste groep religieuze vluchtelingen in de vroeg-moderne geschiedenis – gedwongen Spanje te verlaten. De meesten vluchtten, direct of via Frankrijk, naar Noord-Afrika. Sommigen gingen verder naar het oosten. Een paar, schijnt, vluchtten naar Amsterdam. Er is echter nauwelijks een spoor van hun aanwezigheid in de Nederlandse steden.

Veel prominenter – en lastiger – was de aanwezigheid van moslim-kapers. In het verdrag van 1612 met het Ottomaanse Rijk was gestipuleerd dat «wanneer Algerijnse kapers Nederlandse havens aandoen, zij met respect moeten worden behandeld» en dat zij vrijelijk benodigde voorraad en materiaal zouden kunnen kopen. Die verplichting was later nog eens in een speciaal verdrag tussen de Republiek en Algiers bevestigd. En dus kwamen moslimkaperschepen herhaalde malen naar de Nederlanden. Niet al die kapers kwamen vrijwillig. In augustus 1619 werd een groot aantal zeerovers naar Amsterdam opgebracht en zij zouden daar «de Strop te loon hebben gegeven» als niet de gouverneur van Algiers een verzoekschrift aan de Staten-Generaal had gericht om voor hun leven te smeken.

Een flink aantal van deze moslimkapers, vooral in de eerste decennia van de zeventiende eeuw, was zelf Nederlander. In 1625 kwam ongeveer een kwart van de kapiteins in Algerije uit de Nederlanden en volgens sommige bronnen bestond de helft van alle Barbarijse kapers in die jaren uit renegaten: christenen uit een of ander deel van Europa die zich tot de islam hadden bekeerd. Van één afvallige Nederlandse kapitein in de jaren tien van de zeventiende eeuw wordt zelfs gezegd dat hij met een geheel Nederlandse bemanning zeilde.

*

In november 1623 werd zo’n kaperschip door een hevige storm via het Kanaal de Noordzee op gedreven. Het liep in nood de haven van Veere binnen en zeilde daarna naar Vlissingen, waar de moslimbemanning het schip repareerde. Officieren van de Admiraliteit van Zeeland troffen aan boord christelijke slaven aan, Engelsen en Fransen, die door de Admiraliteit werden bevrijd. Hun werd toegestaan naar huis terug te keren. Diezelfde maand kwamen nog twee kaperschepen met averij in Veere terecht. Ook zij hadden christelijke slaven aan boord, Spanjaarden, en toen de bemanning van de schepen aan wal kwam werden de slaven door de burgers van Veere verborgen, zodat ze niet weer meegenomen konden worden.

Toen de Staten-Generaal van de gebeurtenissen op de hoogte was gebracht gaf die de Admiraliteit van Zeeland het bevel de drie schepen te sommeren zo snel mogelijk weer zee te kiezen, om «sooveel mogelijck is, d’opspraecke van de nabuyrige princen voor te comen ende verminderen».

De komst van deze schepen had de Nederlandse autoriteiten in een lastig parket gebracht. Aan de ene kant maakten ze zich zorgen om de relaties met hun Franse en Engelse geallieerden, die de Republiek ervan zouden kunnen beschuldigen dat ze de kaapvaart gedoogden of zelfs de kapers hielpen bij het loeren naar prooi onder hun schepen. De Staten-Generaal was vooral bang dat de kapers op hun terugtocht naar het zuiden Britse of Franse schepen zouden overvallen en dat de Republiek daarvan de schuld zou krijgen. Aan de andere kant wilde de Staten-Generaal dat «geen oorsaecke werde gegeven over Infractie van Capitulatien te clagen». De kapitein van het kaperschip protesteerde dan ook onmiddellijk dat de vrijlating van de christelijke slaven aan boord van zijn schip dat verdrag schond.

De problemen voor de Staten-Generaal werden nog penibeler toen bleek dat de schepen ook renegaten aan boord hadden. Volgens een latere bron was de kapitein van een van de schepen zelfs een afvallige Hollander, de beruchte Jan Jansz van Haarlem, alias «Murad Raïs», die admiraal zou worden van de kapervloot van de onafhankelijke kaperstaat Salé, aan de Atlantische kust van Marokko. De Staten-Generaal droeg de Admiraliteit op de renegaten te arresteren. Ze werden met enig geweld van de schepen gehaald en voorlopig in de stadsgevangenis van Veere gegooid.

*

De Nederlandse autoriteiten werden zo geconfronteerd met de vraag hoe christenen die waren overgestapt op de islam moesten worden beoordeeld en behandeld. Ze besloten aldus: als de renegaten terug wilden keren naar het christelijke geloof, dan was er geen probleem, dan zouden ze weer in de gemeenschap worden opgenomen en hun vrijheid verkrijgen. Als ze dat niet deden, dan verklaarde de Staten-Generaal dat het redelijk zou zijn om ze te straffen, net zoals de Turken moslims straften die waren overgegaan naar het christendom. Die straf was over het algemeen executie.

De Staten-Generaal stelde echter vast dat dit beleid tot grote diplomatieke repercussies zou kunnen leiden. Dus verklaarde zij dat het «nyet dienstich… voor dese tijt» was om dat beleid ook echt door te zetten. In plaats daarvan stuurde ze haar ambassadeur in Istanbul, Cornelis Haga, een instructie de Sultan te verzoeken voortaan geen renegaten meer naar de Republiek te laten komen. Op die manier hoopte ze het probleem eenvoudigweg te omzeilen.

Maar dat was ijdele hoop. De volgende winter al deed zich een vergelijkbare toestand voor. Een «Turks» schip onder commando van de kaper Ali Raïs werd door slecht weer de haven van Vlissingen binnen gedreven. Het schip bleek een prijs, een gekaapt Frans schip, en toen de voormalige Franse eigenaars hoorden dat het in de Republiek was aangekomen stapten ze onmiddellijk naar de rechter om het terug te krijgen. Ook dit schip had renegaten aan boord. Twee van hen waren Nederlander: Jan Barentsz. uit Enkhuizen, 44 jaar oud, kaper, leefde al dertien jaar in Salé, was besneden en getrouwd met een moslimvrouw. De andere was Lambrecht Pietersz., ook uit Enkhuizen, zeven jaar eerder gevangengenomen door kapers uit Salé. Hij had carrière gemaakt en op 21-jarige leeftijd was hij al eigenaar-reder («armateur») van drie kaperschepen. De renegaten werden gearresteerd en gevangengezet.

Nu was er in die tijd een Marokkaanse gezant in Nederland, Youssef Biscaïno. Hij nam het op voor de gevangen renegaten. Hij deed een direct beroep op prins Maurits, waarbij hij vaststelde dat Raïs in goed vertrouwen naar Vlissingen was gekomen «als in een haven van onse vrunden ende geallieerden». Hij voerde verder aan dat de «moren renegaden… [uit vrije wil en] sonder eenigen dwang Moren geworden syn». Mochten de Nederlandse autoriteiten daaraan twijfelen, dan daagde Biscaïno ze uit de renegaten vrij te laten en te laten doen wat zij wilden, omdat zij immers «in een lant syn, daer de conscientie vry is ende men nyemant om de religie en brant». Daarin school een dreigement: er zouden represailles tegen Nederlanders in Marokko kunnen worden genomen.

De gevoelens van Biscaïno ten opzichte van de Nederlanders werden gekleurd door het feit dat zijn neef, die hem naar Nederland had vergezeld, in Den Briel door een matroos was vermoord. Biscaïno had de Staten-Generaal daarop ervan beschuldigd antimoslim te zijn en gezegd dat zij niet alles deed wat ze kon om de dader te pakken. Gepikeerd over die beschuldiging had de Staten-Generaal geantwoord dat de ambassadeur best wist «dat men hier te lande de Mahometanen ofte die van andere gesintheden in ’t stuck van religie syn nyet en sochte t’ outrageren» (dat men hier te lande de Mohammedanen of mensen van andere gezindten op het gebied van religie niet wil lastig vallen). Om wille van de vriendschap tussen de beide landen gaf de Staten-Generaal bevel de renegaten vrij te laten zodra hun schip zeilree was. Maar deze clementie was «voor dese ende de leste reyse» en men waarschuwde de ambassadeur ervoor te zorgen dat er niet meer renegaten naar de Nederlanden zouden komen: zeg ze dat ze zullen worden behandeld zoals de Turken de afvalligen van de islam behandelen!

*

De behandeling van de moslims in de Republiek past in een breder patroon, namelijk dat mensen van verschillende geloven in de Republiek (net als in de rest van christelijk Europa) verschillend werden behandeld, afhankelijk van of zij autochtoon of allochtoon waren. En in tegenstelling tot wat meestal wordt aangenomen hadden de buitenlandse dissenters het in sommige opzichten beter dan de Nederlandse. Tegen de aanwezigheid van moslims uit Marokko, het Ottomaanse Rijk en ook Perzië werd, althans door de overheden, geen bezwaar gemaakt. Maar Nederlandse afvalligen werden bedreigd met de doodstraf.

Het feit dat zo op de renegaten werd afgegeven wijst op nog een andere factor. Het is een understatement te zeggen dat bekering in vroeg-modern Europa een uiterst delicate zaak was. Door bekering werd de meest persoonlijke overtuiging van een individu een zaak van intense publieke bemoeienis. Bekeringen waren het ultieme religieuze schandaal. Voor de gemeenschap, die een lidmaat verloor, was het een verraad aan God, waarheid, kerk, vrienden en familie. Geen ketter of ongelovige was meer «odieus», om de Staten-Generaal te citeren, dan de afvallige. Het verlaten van het christelijke geloof ten gunste van de islam was een afvalligheid die door alle Nederlandse christenen, van welke gezindte dan ook, even hevig werd veroordeeld.