Opheffer

Moslims met een bril

Je geeft die jongens Nikes, MTV, Idols, een uitkering en lekkere tieten op SBS, maar dan willen ze Abou Jahjah, «via democratische weg de sharia terug» en Israël de zee in drijven.

Wij dachten destijds toch dat het anders zou gaan.

Die jongens zouden hier kennismaken met onze fantastische vrijheid, onze manier van denken, onze tolerantie, kortom: ons beschavingsmodel, dat ons de gloeilamp, de auto, de computer en de televisie heeft gebracht.

Maar wat willen ze?

Ze willen een grot en een vrouw met een sluier om — want geen andere man mag die vrouw begeren — en «respect».

Eigenlijk vind ik het best, ware het niet dat ik het zielig vind.

Ik bedoel: stel, een derde van Amsterdam loopt in een jurk, en de vrouwen dragen allemaal een burka of een niqaad, en niemand spreekt meer Nederlands, dan denk ik toch: arme donderstenen.

En dan heb ik het over hen.

Ik geloof niet dat Abou Jahjah zijn geest scherpt aan een mooi boek, aan Voltaire, of aan Wittgenstein, of aan een toneelstuk van Shakespeare.

Die leest een matig boek, de koran.

Dat boek kan best inspirerend zijn, een encyclopedie, een gebedenboek, een almanak en een toverboek tegelijk, maar toch, het blijft matig.

Steeds weer pak ik het op om te zien wát er nu zo bijzonder is, maar ik kom er maar niet achter.

Het aardigste zijn die Nederlandse moslimvolgelingen van Jahjah, van die intellectuelen die het licht hebben gezien, nota bene wijlen Pim Fortuyn als hun voorbeeld nemen, en met ballerige praatjes in een net pak Nederland willen hervormen tot een conservatieve godvrezende staat.

Moslims met een bril. Moet kunnen, hoor ik.

Vooral Nederlandse intellectuelen schieten in die moet-kunnen-houding. Die zijn in wezen erg blij dat de vertrutting ook bij de Marokkaanse intellectuelen is doorgedrongen, want truttig is het natuurlijk wel wat die AEL wil. Het is de KVP in 1950. Humorloos, blij met status en natuurlijk behoorlijk hypocriet.

Je weet ook al wat ze gaan doen.

Een roep om strengere regels, een roep om de persvrijheid te beknotten, gevoeligheden voor geld en diensten, en natuurlijk zien we oom, tante, neef en nicht in baantjes geschoven worden waar ze eigenlijk geen recht op hebben.

Ze zijn net als wij, denk ik.

Hun «beeldreligie-rel» is het onderbroekje dat naar zo’n «geitenneuker» wordt gegooid — het zullen de eigen jongens zijn die dat gaan doen.

En ooit zal Jahjah door de mand vallen, omdat het natuurlijk geen democraat is. Hij is niet eens gevaarlijk, hij is een hond aan een ketting. Als je hem wilt aaien, gaat hij grommen; laat je hem los, dan loopt hij met z’n ketting in z’n bek achter z’n baasje aan.

Die Jahjah — een katholiek van het zuiverste water!

Het zijn die pakken met bril om hem heen die eng zijn.

Religie en nationalisme zijn altijd twee sterke fundamenten geweest voor ongebreidelde machtsuitoefening.

Die jongens ontbreekt het aan nationalisme — en dat zal ze ooit opbreken.

Zijzelf of hun zonen ontwaken op een dag en denken: verdomme, ik ben Amsterdammer. Ik moet m’n stoepje schoon houden anders gaan de buren klagen; ik moet de was binnenhalen, Ibrahim moet naar school.

Ze horen een orgelman en lopen over de Leliegracht en denken: wat is het hier prachtig.

Over honderd jaar valt het allemaal wel mee.