De verleiding van het populisme vanuit Marokkaans perspectief

Moslims zijn geen machines

Gematigde partijen spelen steeds vaker in op de angst voor de islam, constateert de Marokkaanse antropoloog Mohammed-Sghir Janjar. ‘Ze zien niet in dat identiteitskwesties zich voordoen, juist omdat moslims bezig zijn moderne Nederlanders te worden.’

SOMMIGEN HEBBEN het over de opkomst van megasteden, die nog deze eeuw een einde zullen maken aan het tijdperk der naties, anderen spreken van regio’s, en de Marokkaanse antropoloog Mohammed-Sghir Janjar heeft het over territoires. ‘Het zal straks niet meer zijn: Nederland rijk land, Marokko arm land, nee, zowel in Nederland als in Marokko heb je arme en rijke territoria, met dezelfde problemen. Je ziet het nu al. In die rijke territoria overal ter wereld zullen wat Jacques Attali noemt “de nomaden van de mondialisering” wonen, mensen die goed Engels spreken, veel reizen, er een vergelijkbare levensstijl op nahouden, naar dezelfde muziek luisteren. Daarnaast heb je de armen die in verwoeste, gedeconstrueerde territoria wonen, of dat nu in New York is of in Pakistan, mensen die buitengesloten zijn van de mondialisering, die hun territorium niet uitkomen, met een gesloten horizon.’
Ik bel Mohammed-Sghir Janjar om over de opkomst van extreem-rechts in Europa te praten. Hij is adjunct-directeur van de Fondation Saoud in Casablanca, die de op een na grootste bibliotheek van Afrika herbergt (de grootste staat in Alexandrië), en tevens hoofdredacteur van de driemaandelijkse revue Prologues, een blad met een kleine oplage waar vooral sociologen, politicologen en antropologen in schrijven.
De kracht van Janjar is dat hij verband weet te leggen tussen moderniseringsprocessen en identiteitskwesties. 'In Casablanca’, legt hij uit, 'komt straks een dependance van Princeton University, waar kinderen van rijke nomaden uit de villawijk Anfa dezelfde opleiding krijgen als studenten in New Jersey. Maar zij die in de volks- of krottenwijken van Casablanca wonen, hebben niet de middelen hun kinderen daarheen te sturen. Die blijven buitengesloten van dat hoge niveau van onderwijs, consumptie, vrijetijdsbesteding, van allerlei culturele producties. Men zegt tegenwoordig: het is de kennismaatschappij, maar kennis is niet voor iedereen toegankelijk, en de mondialisering zal voor meer conflicten zorgen.
In de negentiende eeuw had de bourgeoisie toegang tot van alles en wist het proletariaat niet eens dat al die dingen bestonden. Ikzelf kom uit een dorp op het platteland, en daar wisten we niet van het bestaan van de croissant, dus aten we iedere morgen onze soep, en niemand maakte daar een probleem van. Maar nu weet ik dat de croissant bestaat, ik weet dat er allerlei luxeproducten zijn, en dat het beter leven is in Nederland, want dat zie ik op televisie en internet. De druk om te migreren zal toenemen. Tegelijkertijd zal vooral in de arme territoria grote behoefte ontstaan aan het populistische discours, van extreem-rechtse snit of juist fundamentalistisch-islamistisch van aard, een discours ook dat het lokale zal gaan benadrukken. Men zal proberen een regionale identiteit op te eisen, juist omdat die mondiale dreiging er is. Modernisering - mondialisering dus ook - gaat altijd samen met het opeisen van een bepaalde identiteit.’
Is de opkomst van extreem-rechts in Europa een gevolg van het feit dat de immigratie nog nooit zo massaal is geweest, er nog nooit zulke grote aantallen buitenlanders in West-Europese landen hebben gewoond?
'Men verklaart dat graag zo, maar het is geen kwestie van kwantiteit. Het is evenmin zo dat het opeisen van een bepaalde identiteit door een minderheid, bijvoorbeeld door Marokkanen in Nederland, een reactie bij de dominante meerderheid provoceert, in een soort mimesis. “U zegt dat u Marokkaan bent, en moslim? Nou, wij zijn Nederlanders, en christen!” Dat is te mechanisch. Marokkanen wonen al meer dan dertig jaar in Nederland, waarom vandaag de dag opeens die fixatie? Voor Frankrijk, dat ik beter ken, geldt hetzelfde. De eerste immigratiegolf was in de jaren vijftig en zestig. Eigenlijk zou juist die generatie problemen hebben moeten opleveren, want het betrof hier Berbers die geen Frans spraken, die beslist niet wilden integreren in Frankrijk, daar vreemdeling wilden blijven. Die eerste generatie was alleen maar geïnteresseerd in geld verdienen, een eigen huis bouwen daar waar ze vandaan kwamen. Die mensen, boeren van het platteland, eisten voor zichzelf geen enkele identiteit op, want ze waren daar zeker van. Ze hadden hun eigen religie, hun eigen taal, en die waren anders dan wat algemeen was in Frankrijk.
De aanwezigheid van twee religies in een land, in dit geval het christendom en de islam, hoeft niet noodzakelijk een conflict op te leveren. In India hebben eeuwenlang hindoes en moslims vredig naast elkaar geleefd, totdat de Engelsen daar kwamen en met hen de missionarissen, die direct begonnen te evangeliseren binnen beide populaties. Pas op dat moment begonnen moslims hindoes te bekeren, en hindoes moslims, en zagen we oorlog ontstaan. Met de komst van de Engelsen zie je het opeisen van een bepaalde identiteit ontstaan - zoiets gebeurt pas als die identiteit wordt bedreigd. Als de identiteit vanzelfsprekend is, zoals bij de eerste generatie gastarbeiders, doet het hele probleem zich niet voor.’
Was dat dan de 'derde factor’, een bedreigde identiteit, ten gevolge van de globalisering? Verklaarde dat de fascinatie voor extreem-rechts in Europa?
'De macht van de natiestaat neemt af, door de mondialisering van de economie en door wat op hoger dan nationaal niveau wordt besloten, door Europa bijvoorbeeld. De politicus werd altijd gekozen op basis van verkiezingen, hij had een programma. Maar als hij de macht niet meer heeft om te beslissen hoe we gaan samenleven, wat er gebeurt met de economie, de politiek, de belastingen, waar kan hij zich nog sterk voor maken? Dit maakt bij de constructie van het politieke discours vandaag de dag in Europa de verleiding van het populisme erg groot. Het bespelen en het beheersen van angsten doet zijn intrede in de politiek. Zelfs de traditioneel rechtse, conservatieve partijen nemen het vocabulaire over van radicaal-rechts. Het discours van de angst voedt zich met de aanwezigheid van vreemdelingen, en vandaag de dag zijn dat de moslims. Maar het maakt niet uit wie het zijn, dat hangt af van de historische conjunctuur van het moment. Je moet niet essentialiseren en zeggen: het is de islam, want de islam creëert nu eenmaal een sterke religieuze identiteit die zich slecht verhoudt met westerse normen en waarden. Als men dat doet negeert men de historische realiteit.’

JANJAR GEEFT het voorbeeld van het scholen van meisjes. 'Als je berekent hoeveel tijd men nodig heeft gehad om de meisjes in Saoedi-Arabië te scholen, in vergelijking met de scholing van de Franse vrouw: in Frankrijk heeft dat twee eeuwen geduurd, in Saoedi-Arabië dertig jaar. Dus we hebben hier te maken met een zeer snelle modernisering. Maar wat is het probleem? Men zegt dat niet vaak hardop maar de geschiedenis heeft ons geleerd dat het zich voltrekken van de modernisering in het dagelijks leven niet altijd gepaard gaat met een vergelijkbare of overeenstemmende ideologie. De ideologie kan daarbij achterblijven. Het klassieke voorbeeld daarvan is het grote moment van de modernisering van het Westen in de negentiende eeuw, het tijdperk van de industrialisatie. In die tijd waren de Europese elites gefascineerd door de Romantiek, die teruggrijpt op de Griekse klassieken en de Middeleeuwen, een ideologie die zich fixeert op het verleden en niks met vooruitgang of progressiviteit te maken heeft. Dus de moderniseringsgolf die de West-Europese maatschappijen het sterkst, het snelst en het meest ingrijpend heeft veranderd, liet zich niet begeleiden door een ideologie van vooruitgang, van modernisering bij de elite. In plaats daarvan droomde men van een terugkeer naar de natuur. We noemen dit la ruse de l'histoire, de list of misleiding van de geschiedenis.’
Er wordt wel gezegd dat de moslim die vandaag de dag bezig is modern te gaan leven alleen nog maar Voltaire hoeft te lezen om z'n religie te vergeten en ook modern te gaan dénken.
'Maar Europeanen dachten ook niet modern toen ze modern gingen leven. Het is een proces. De mensen die de Franse Revolutie hebben bewerkstelligd, hadden echt niet allemaal Rousseau en Kant gelezen. Vooral tijdens ingrijpende moderniseringsprocessen, tijdens grote breuken of transformaties, hebben mensen de neiging terug te grijpen op een relatief conservatieve identiteit. De elite die de Russische Revolutie begin twintigste eeuw teweegbracht, bestond uit enkele tienduizenden mensen, het was echt niet het Russische volk dat er een marxistisch-leninistisch gedachtegoed op nahield. Tegenwoordig ziet men in de zich snel moderniserende Arabisch-islamistische wereld, en ook in de diaspora, een koortsachtig zoeken naar identiteit. Voor velen is het religieuze discours aantrekkelijk. Dat betekent niet dat die mensen willen leven zoals hun voorouders hebben gedaan. Dat willen ze niet en dat kunnen ze niet, omdat ze al modern zíjn. Maar hun denken houdt daarmee nog geen gelijke pas. Het religieuze discours is trouwens zelf ook modern, al doet het archaïsch aan. Maar het is neofundamentalisme, een religie die vandaag de dag in elkaar geknutseld wordt, om aan hedendaagse vragen te beantwoorden. Het is geen terugkeer naar een oude, traditionele islam.
De Europeaan ziet nu dat sommige vrouwen de boerka gaan dragen, zich niet kleden als de Nederlanders doen, en dat sommige meisjes niet willen meedoen aan sportlessen. Het zijn dergelijke kleine dingen die de Europeaan doen denken: die mensen willen niet leven zoals wij, weigeren te zijn zoals wij. Terwijl een simpele sociologische studie toch aan zou tonen dat het meisje dat niet wil sporten niks meer gemeen heeft met haar ouders, die analfabete boeren waren, op het platteland woonden, veel kinderen hadden et cetera. Wat men niet wil zien is dat juist omdat ze bezig zijn moderne Nederlanders te worden, zich die identiteitskwesties voordoen. Het is natuurlijk ook traumatiserend, zo'n moderniseringsproces. Ze zijn de eersten van meerdere generaties die volkomen aan het veranderen zijn, naar school gaan, een andere taal gaan spreken, er andere normen en waarden op na gaan houden, in contact komen met een ander soort maatschappij - natuurlijk levert dat problemen op. Als die mensen van de ene op de andere dag Nederlanders zouden worden, dat zou niet menselijk zijn, dan zouden het machines zijn.
Helaas zullen politieke elites nooit zeggen: we moeten die mensen de tijd geven, de integratie van een minderheid is niet niks. Hoe groter de culturele afstand, hoe moeizamer dat proces is en hoe meer tijd het zal vergen. Moslims van hun kant redeneren ook niet zo, die zijn zich niet bewust van het historische moment dat ze bezig zijn te leven. Maghrebijnse immigranten in Frankrijk zullen u gaan uitleggen dat de problemen te wijten zijn aan de kolonisatie, want we leefden toch goed, de kolonisator heeft ons uit ons oude vertrouwde leven weggerukt, uit onze geschiedenis, onze cultuur. En nu zijn we hier, maar we zullen verzet bieden, we zullen onze eigen identiteit behouden! Terwijl ze de laatste twee eeuwen al helemaal niets meer behouden. Het feit alleen al dat ze zijn gekoloniseerd, is omdat de geschiedenis van de wereld veranderde, hún geschiedenis veranderde.
Dus hier is sprake van een historisch misverstand, dat eenvoudigweg bestaat, zowel in de Arabische landen als in de diaspora, en dat enorme problemen oplevert. De eenvoudigste oplossing is die identitaire reactie aan de ene kant, en aan de andere kant politiek populisme van extreem-rechts. Maar wat mensen zeggen en beweren, in het politieke discours, op literair gebied, cinematografisch, reflecteert niet de veranderingen die ze bezig zijn te leven. Marx zei het al, de theorie van de vervreemding: een ideologie is een omgekeerd beeld van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat die moslim in Amsterdam die zijn islamitische identiteit begint te verdedigen en tegen u begint te praten over een bepaalde schriftgeleerde uit de veertiende eeuw, tegelijkertijd in alles onomstotelijk al een 21ste-eeuwer is, die bezig is de transformaties van de 21ste eeuw te leven. De Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz had hier een mooi beeld voor. Oude vaten, zei hij, kunnen soms nieuwe wijn bevatten, en oude wijn wordt soms in nieuwe vaten gegoten. Daarmee wilde hij zeggen dat een ouderwets aandoend discours een moderne praktijk kan verhullen, en andersom. De islam van nu stelt Europeanen voor precies dit probleem. Het discours van moslims doet ze middeleeuws aan en hun antwoord daarop is: die mensen kunnen we niet in de moderniteit integreren, ze wijzen de moderniteit af. Maar dat is domweg niet waar.’

DE MODERNISERING is volgens Janjar een universeel proces, waar geen enkel land en geen enkele bevolkingsgroep aan ontkomt. 'Maar landen moderniseren niet omdat ze dat zo graag willen. Elk land moderniseert omdat het zich bedreigd voelt. Neem het jaar 1870, waarin Frankrijk wordt bedreigd door Duitsland. Die dreiging doet een debat in Frankrijk ontspinnen over de hervorming van het universitair onderwijs, hoe moderne scholen te creëren. Het gaat erom Frankrijk op een zodanig peil te brengen dat het weerstand kan bieden aan Duitsland. Japan 1863: zelfde geval. Japan voelde zich bedreigd door de buitenwereld. De grote negentiende-eeuwse moslimreformisten, Mohammed Abdu, Mohammed Ali, 1805, moesten weerstand bieden aan de bedreiging die Napoleon voor de Arabische wereld vormde.Nooit is de modernisering in gang gezet doordat iemand ’s ochtends opstond met het idee: laten we eens gaan veranderen. Geen mens wil veranderen. Mensen veranderen omdat ze zich bedreigd voelen. Moslims zijn daarop geen uitzondering. Ze zijn bezig te veranderen omdat ze niet willen sterven. Het is darwiniaans, dierlijk. Maar veranderen wil niet zeggen dat ze gaan roepen: o, maar wat zijn ze goed, die westerlingen, hun cultuur, hun waarden, hun christendom, wat geweldig! Nee: we veranderen, oké, maar we zeggen ondertussen dat we blijven wie we zijn, we veranderen met behoud van identiteit, we zijn in diepste wezen moslim. Ze gaan het discours zelfs radicaliseren, juist omdat ze bezig zijn te veranderen.
Maar het teruggrijpen op een bepaalde identiteit is een fictie. Het feit dat die Marokkaanse boer uit het Rifgebergte helemaal naar Nederland is afgereisd en zich daar heeft gevestigd, is op zichzelf al een fenomeen dat in de negentiende noch in het begin van de twintigste eeuw bestond. Die analfabete boer deed iets heel moderns. Mensen die zeggen dat moslims of islamisten hun vrouwen straks in huis gaan opsluiten, wijs ik altijd op de grootste sociale manifestatie in het moderne Marokko, in Casablanca in het jaar 2000, een miljoen demonstranten, islamisten die tegen de vernieuwing van de familiewet protesteren. Daar waren die islamisten tegen, want die vernieuwingen waren in hun ogen niet islamitisch. In Rabat demonstreerde progressief Marokko juist vóór de vernieuwing van die wet. Maar in Casablanca stonden vijf keer zo veel vrouwen te demonstreren. En al demonstreerden ze tégen een politiek project dat hun gelijke rechten zou geven, je moet je toch niet op de inhoud blindstaren, je moet verder kijken, naar de historische dynamiek erachter. En die is dat die vrouwen een politiek-sociale positie innamen, en dat ze daarvoor de straat op gingen.
Vergeet niet dat inmiddels álle islamitische landen, op Afghanistan en Pakistan na, hun meisjes voor bijna honderd procent hebben geschoold, en daar hebben ze moeite voor gedaan, bewust. Ook landen als Saoedi-Arabië, Bahrein, de meest conservatieve en behoudende landen van de regio. Terwijl we de Britse, de Franse, de Nederlandse kolonisator dat toch nooit hebben zien doen. Zij die modern waren hebben de scholing van meisjes niet ter hand genomen op het moment dat ze hun koloniën bestuurden. Die historische karikatuur 'islamist = antimodern’ is veel te kort door de bocht.
Het is niet de religie die de status bepaalt van een minderheid, maar haar economische en sociale positie. We moeten dus het discours dat zich louter richt op de islam, als zou die de oorzaak van alle problemen zijn, zeer kritisch benaderen. Je moet werken aan de sociale condities van immigranten, aan hun integratie, maar dat wil de extreem-rechtse populist niet. Want dat laatste impliceert dat hij toegeeft dat het uiteindelijk Nederlanders zijn net als hij. En dat hun situatie voor een deel ook onze eigen schuld is, want ergens heeft de solidariteit die moet functioneren om ze op hetzelfde niveau als anderen te brengen, gefaald. We weten: onder de moslimmigranten van vandaag bevinden zich de pianist, de chirurg en de staatsman van morgen. Maar die achttiende-eeuwse humanistische visie houden populisten er niet op na. Het is makkelijker een zondebok aan te wijzen, makkelijker voor het politieke discours, lonender bij verkiezingen.’
Het discours in Nederland en elders gaat niet alleen over religie, maar ook over veiligheid. Vaak wordt gewezen op de hogere criminaliteit onder bijvoorbeeld Marokkaanse jongeren.
'Extreem-rechts bespeelt een angst die men zelf creëert. Angst is een product, een constructie. Er wordt gesproken over de criminaliteit van buitenlanders, over de armoede waarin ze leven, de taalachterstand, de schooluitval. Maar als het een Nederlandse bevolkingsgroep zou betreffen, zouden die problemen dan reden zijn om bang voor die mensen te worden? Men zou het probleem definiëren in sociaal-economische termen, en niet in termen van angst. Het wordt in termen van angst uitgedrukt als het gaat om verschillen: zij en wij.
De rol van de school, van de economie, is bij de integratie erg belangrijk. Zij die niet mee kunnen komen, die van een consumptiemaatschappij worden buitengesloten, zullen vandaag de dag met de identiteitskwestie op de proppen komen. Gisteren zouden ze met een syndicalistisch marxistisch-leninistisch discours aan komen zetten, maar vandaag maken ze er een identiteitskwestie van. Dat is helaas zo. Als nu de andere kant, extreem-rechts, dat ook gaat doen, in een soort spiegeling - ah, u wilt over uw islamitische identiteit praten, nou dan gaan wij het eens hebben over de Nederlandse identiteit! - dan heb je een conflict dat bezig is op te lopen. En dit soort conflicten, waar het de identiteit betreft, is onbeheersbaar.
Je kunt niet zeggen: we gaan die en die maatregelen nemen om de identiteit te veranderen, of die bepaalde identiteit te creëren. Het is metafysisch, theologisch. Bij een dergelijk conflict moet er iets zijn wat de mensen bijeenhoudt, een nationaal cement. Vandaag de dag, helaas, begint dat cement minder te worden. Wat is het cement in Frankrijk, in Nederland? Wat houdt de mensen daar bij elkaar, welke waarden? Het is aan de elite om die waarden te construeren, maar in plaats daarvan construeert de elite angst, creëert men een confrontatie van verschillen.’

UW BETOOG klinkt vooral alsof extreem-rechts zich met zijn discours van de angst op de lagere sociale klasse richt, terwijl toch ook rijken op extreem-rechtse partijen stemmen.
'Het populistische discours is zeker niet louter gericht op de armen. Wat de hogere klassen erin bevalt, is het conservatieve element. Het is geen progressief discours, het heeft niets revolutionairs, het is een discours dat zegt: ja, in die wereld zoals die is, zijn er armen en rijken, zo is dat nu eenmaal. De een werkt er hard voor, de ander niet, jammer voor die laatste. Maar dat is een constructie. Verdienste is een notie die erg betrekkelijk is, daar moet je voorzichtig mee zijn. Want we weten tegenwoordig dat iemand die in armoede leeft, de effecten van die armoede reproduceert. De school slaagt er niet in bepaalde achterstanden te corrigeren, althans niet voor iedereen. Dus wanneer we het over merite hebben, zoals Sarkozy doet, verdient dat arme kind wat hem of haar overkomt? Dat discours is niet rechtvaardig, het is een klassendiscours. De mechanismes van de reproductie van ongelijkheid maken dat niet iedereen dezelfde kansen heeft. Het is een stuk gecompliceerder.’