Opheffer

Moslimzender

Op een dag belde Al-Jazeera. Of ze mochten komen filmen in verband met de moord op Theo van Gogh.

Al-Jazeera. De moslimzender. Wat moest ik doen? Was het niet zo dat wanneer ik daarop te zien zou zijn meteen anderhalf miljard mensen mijn kop zouden zien en zouden weten: hij is en denkt net zo als Van Gogh… Kon ik net zo goed meteen mijn adres en telefoonnummer aan Bin Laden geven.

Aan de andere kant: waar was ik eigenlijk bang voor, behalve dan voor mijn eigen leven?

Gelukkig verscheen er in die tijd een artikel in de Volkskrant van Fouad Laroui, die ik bewonder als schrijver. Fouad had een paar maanden naar Al-Jazeera gekeken en zei dat er eigenlijk niet zo veel aan de hand was met die zender. Sterker: die zender was best fatsoenlijk.

Tja… ja… Maar toch. Ik besprak het verzoek van Al-Jazeera met mijn vrienden. De stemming was fifty-fifty. De ene helft zei: wat kan het je schelen, de andere helft zei: niet doen.

Eigenlijk ergerde me dat. Ik was tenslotte iemand van het vrije woord en ik wilde alles gewoon kunnen zeggen wat ik vond.

Ik besloot om toe te zeggen.

Er kwam een televisieploeg in Desmet Studio, waar ik ook een radio-uitzending presenteer, en na afloop werd ik uitgebreid geïnterviewd. Over Nederland en over Theo van Gogh, over Mohammed B. en natuurlijk over mijn kijk op de islam.

Ik probeerde alles met een glimlach te vertellen. Terwijl ik sprak haatte ik mijn eigen slijmerigheid in mijn toon, want ik zei alles op een manier alsof het me was overkomen en het niet mijn schuld was. ‘I fear… indeed… that I am not a religious person… In fact I… ha ha… don’t believe in anything… and… eh… eh… Well, the islam… I think it’s… eh… like all other religions… quite distasteful… eh…’ Maar aan de andere kant zei ik alles eerlijk.

De Al-Jazeera-crew vond alles wat ik zei ‘good’. Nou, dat was toch fijn, want ook ik ben onzeker.

Een paar weken later werd het uitgezonden. Ik bekeek mezelf en het item en ik moet zeggen dat ze het item goed hadden ingekort tot één minuut. In de voice-over werd ik keurig voorgesteld als author and friend en men liet zien dat ik my own radio show had, niets aan de hand.

In de weken en maanden en jaren daarna werd ik niet vermoord, noch ontving ik dreigbrieven noch verschenen er op internet doodsbedreigingen.

Wel ontstond er een hartelijke band tussen mij en Al-Jazeera.

Wat zich ook maar voordeed: steeds werd ik gebeld.

Ayaan in Frankrijk – Opheffer aan de telefoon. Wilders met een film – Opheffer werd gebeld. Wilders wil de Koran verbranden – Holman weer aan de telefoon. Soms ging een item niet door, soms ging een item wel door maar kon ik mezelf niet meer terugvinden.

Maar steeds viel me op: de beschaafde wijze waarop ik te woord werd gestaan en mijn zegje mocht zeggen. Steeds weer moest ik vaststellen dat men goede journalistiek bedreef.

Onlangs zag ik bij de VPRO een schitterende documentaire over Al-Jazeera tijdens de bezetting van Bagdad. Er werd getoond hoe de Amerikanen ons wilden doen geloven dat Al-Jazeera een zeer foute zender was. Ook ik ben daar toen ingetuind – zoals ik ook in die oorlog getuind ben. Ik vermoed dat niemand het bij Al-Jazeera eens is met wat ik beweer, maar ze vragen ernaar, bekorten het professioneel en zenden het uit.

Ik schaam mij nu dat ik ze zo wantrouwde.