Mosselen

Ik was gevuld met blauw maanzaad, het eetbare groeiende. Anderen zijn anders, dus ook met iets anders gevuld. De vrouw van Schares met afgekloven kippebotjes. Mijnheer Goudeket met banaan. Ben Sarlouis met zijn neef Swaneweber. De hondekapper en al zijn dikke dochters zitten vol met gehaktballen. Mijn zuster met puntzakken drop en Waterman, de schoenmaker, met flauwe grappen en spijkertjes. Nu wist ik waar alles vandaan kwam. Later krijg ik een bokkewagen. Dat is beloofd door mijnheer en mevrouw Speelman, de buren een verdieping lager. Voorlopig bewaarden ze die nog zelf. In zichzelf. Want op zolder zag ik hem nergens staan.

Het laatste wat ik nog net op tijd te weten kom, is dat het kind in de moeder zit. Als een verkreukelde krant.
Ik wist wie er vol kippebotjes zat. Maar waar komt de kip vandaan? Kip kwam vanzelf. Lag regelmatig en toch plotseling op de reine, van caramelkleurig, dun hout gezaagde keukentafel. Tragisch opzij gevallen kop, ogen dicht. Restant bezwete halsveren. Uit de grote bruin-zwart gevlamde luidspreker klinkt kippemuziek. Die bracht hij zelf mee. Benedict Silbermann.
Niemand zegt dat ik een andere kant op moet kijken als het mes erin ging. ‘Snerp’ deed het mes.
Dat zou nooit meer een hele vogel worden, dat zag je meteen. De keuken vliegt de lucht in door de sterke kippegeur die als een fontein het dode lichaam verlaat. Nooit meer geroken. Twee handen vol ongelegde kippeeieren. Stralend en glanzend. Ongewoon helder in de toch niet donkere keuken. We aten ze op, versere eieren bestonden niet.
Tegen die tijd was ik ook gewend geraakt aan de wasem van het kadaver. Al bijna verjaagd door de damp van kokende mosselen. Intussen worden de linzen op een krant gestrooid om de kleine stenen eruit te zoeken.
Bovenop Oebiranka, de papegaai van 'Thijs Wijs de torenwachter’.