Mosselnat

Zoals de wandelaar op de top van het duin aangekomen achter zich kijkt en zijn blik de lege holte laat overspannen die zijn moeizame tred in het warme zand tussen hem en de daarvoor bereikte top deed ontstaan.

Zo ongeveer kijk ik terug. In de tijd dat het in de handel brengen van grijpvaste flacons mosselnat nog niet eens mijn allerslechtste idee was in leven te blijven.
Ik spreek over april, de lichte geur van paardemest die de afgelopen twee dagen over de stad hing was verdwenen. Weer viel het mij op dat op veel grote blauwe tegels, en ik bedoel op alle tegels afzonderlijk, de neerslag aan de zuidkant van de tegel eerder droog was dan aan de noordkant. Als iets meer verregaande bijzonderheid merkte ik ook dat aan het eind van het grote trottoir (de oostkant daarvan), de natte westzijde eerder was verdampt.
Op weg naar juffrouw Cephalonia slechts één verboden gedachte. Op één van de gedeeltelijk natte straattegels lag een voos en nogal krullerig stukje touw, waarin ik per ongeluk en geheel tegen mijn zin een Thonetschommelstoel herkende.
Dan ben je eigenlijk niet helemaal in orde. Maar daar zette ik mij keurig overheen.
We schrijven 1986. Broderick Crawford was net overleden. De mooist zuur kijkende man van het witte doek. Hoewel hij ook zoet kon glimlachen.
Klont boter van vijftien gram smelten in de pan. Twee eetlepels crème fraîche toevoegen. Geraspte schil van een halve citroen vervolgens. Nu komt zuur uit de mouw. Sap van halve lime erbij. Forse eetlepel van zo vers en luchtig mogelijk geraspte Parmezaanse kaas daar doorheen. Als ook dat gesmolten is de witte peper en het zout van dezelfde kleur. Een minuut laten doorbroeien en dan heb je hem op z'n Brodericks. Over de papardelle. Tenminste, wanneer iemand anders met iets anders je niet is voor geweest.
Er bestaat vast wel een woord voor dit soort gedachten. Maar waar je, nu je dat niet weet, heel goed buiten kunt en ook nooit naar hebt verlangd.