Vincent van Gogh, Studie voor ‘De aardappeleters’, april 1885. Olieverf op doek, 33,6 x 44,5 cm © Foto’s Van Gogh Museum, Amsterdam / Vincent van Gogh Stichting

Er zullen niet veel mensen zijn die De aardappeleters van Vincent van Gogh een vreselijk rotschilderij vinden. Dat zou onaardig zijn jegens de schilder, die er ziel en zaligheid in had gelegd, en het hangt in het museum, in twee musea zelfs: een eerste versie in Kröller-Müller en een definitieve versie in het Van Gogh Museum Amsterdam, dat zegt iets. Toch kun je het best een vreselijk rotschilderij vinden. Alles eraan doet pijn, alles eraan is geforceerd en verkrampt, het is donker, smoezelig en goor, en zijn tijdgenoten zagen het met weerzin aan: de maker was een klein stapje verwijderd van totale krankzinnigheid.

Dat vreselijke begint met de aardappels zelf. Wie denkt dat aardappelen altijd tot het Nederlandse menu hebben gehoord: neen, ze worden pas sinds de achttiende eeuw in Nederland geteeld. Pas in de loop van de negentiende eeuw werd de aardappel volksvoedsel. Ze leveren per hectare veel meer volume op, leveren dus meer voedingswaarde, en hebben ook nog een relatief hoog gehalte vitamine C, waardoor scheurbuik op het platteland (want ook daar kwam dat voor) grotendeels verdween. Toen Van Gogh zijn schilderij maakte was de voeding van de Nederlandse arbeider en de Nederlandse boer echter nog ‘zeer armoedig’, volgens J. de Bosch Kemper (Geschiedkundig onderzoek naar de armoede in ons Vaderland, 1851), al scheen sterven van honger zelden meer voor te komen. De Utrechtse hoogleraar G.J. Mulder maakte zich toen al zorgen over de eenzijdigheid van aardappelen (in De voeding van Nederland in verband tot den volksgeest, 1847): ‘Ze werden gewoonlijk met wat azijn en mosterd naar binnen gewerkt in groote hoeveelheden, ook reeds door jonge kinderen, die daardoor veelal klierachtig werden en harde opgezette buiken kregen. Alleen op bijzondere dagen werden de aardappelen met wat olie of vet gesmeerd.’ Het beeld van arme boeren die aardappels eten, zittend aan een grote tafel, zwijgend prikkend in een schotel, was dan ook voor Van Goghs tijdgenoten een beeld van schrikbarend gebrek en uitzichtloze gelatenheid.

Enfin, de tijden zijn veranderd, er zijn niet veel mensen die De aardappeleters een vreselijk rotschilderij vinden. Vroeger wel. Het was in allerlei opzichten volstrekt onverteerbaar. Het radicale van De aardappeleters als fenomeen (schilderij + biografie + legende) zit hem in de onontwarbare samenhang tussen Van Goghs obsessieve karakter, dat zich uitte in een maniakale vereenzelviging met de armoede van de boer, tot in het merg, tot aan de verhongering toe, en een al even koortsige visie op het soort schilderkunst dat uit zo’n vereenzelviging zou kunnen voortkomen. Hij was volkomen onhandelbaar; wie hem op het ene aansprak beledigde hem in het andere. De zeloot in hem was los. Hij duldde geen tegenspraak: de geschiedenis zou hem gelijk geven.

Het was ook Theo’s schuld. Die had hem in februari 1885 gevraagd een schilderij te maken dat hij zou kunnen voordragen voor de Salon van Parijs, de belangrijkste schilderijenexpositie van Europa. Dat was dom van hem, het was een vlucht vooruit, voor de lieve vrede. In de maanden daarvoor was Vincent met toenemende felheid op Theo gaan schelden, omdat hij het in Parijs goed had, behoorlijk verdiende bij de kunsthandel Goupil, maar kennelijk niets deed om Vincents werk onder de aandacht te brengen. Theo, daarentegen, had genoeg van Vincents koppige weigering om zich iets van Theo’s verstandige adviezen aan te trekken. Voor Vincent had dat allemaal geen zin: ‘Indien ik nu niet deug, deug ik later ook niet.’

Is De aardappeleters een revanche op Van Goghs burgerlijke familie, een gedroomde warmte?

Sinds december 1883 woonde Vincent weer bij zijn ouders en zusters in de pastorie in Nuenen. Hij maakte zich daar volstrekt onmogelijk, stond op voet van oorlog met zijn vader, dreef iedereen tot wanhoop, en dus deed Theo zijn aanbod vooral in een poging de kou uit de lucht te halen, en Vincent op het spoor van iets goeds te zetten. Een maand later stierf zijn vader, Theodorus van Gogh, op 30 maart, Vincents verjaardag. Hij werd 32, hij had nog niets van enig belang gepresteerd, nog nooit een goed schilderij gemaakt. Hij ging als een bezetene aan het werk.

Vincent van Gogh, Hand met stok, en vier personen aan de maaltijd, maart-april 1885. Krijt op papier, 42,4 x 34,7 cm © Foto’s Van Gogh Museum, Amsterdam / Vincent van Gogh Stichting

Direct na de begrafenis toonde Vincent Theo al schetsen voor ‘grootere doorwerkte dingen’ met een ‘importante’ compositie, die hij ontleende aan zijn grote visuele geheugen, en dan vooral aan Boerengezin aan de maaltijd van Jozef Israëls (1882) en Le bénédicité van Charles de Groux (1861). Eenvoudige mensen, in gebed voor de maaltijd.

De familie van Gordina (ook wel Dien of Sien) de Groot (1855-1927) werd het onderwerp. Zij vonden kennelijk alles goed. Van Gogh maakte de ene voorstudie na de andere in hun spelonk aan de Gerwenseweg te Nuenen, hun boerderijtje met lage zoldering, één lamp, een klok aan de muur, een ketel, alles roet en rook en mest en stro en walm en stank en armoede. Het ging hem niet gemakkelijk af. Hij besloot dat het onderwerp het avondmaal moest zijn, en dus in het schemerduister plaatshad, in een gamma van bruingroen, groenblauw, blauwzwart en een ondefinieerbaar grijs. Figuurtekenen had Van Gogh ondanks eindeloze oefening nooit helemaal onder de knie gekregen, en bovendien speelde het idee hem parten dat ‘boeren’ per definitie lelijke, karikaturale koppen hadden, met de ‘onverstoorbare, nobele gelatenheid van oude koetspaarden’.

De aardappeleters

De missie groeide Vincent al snel boven het hoofd. In de winter van 1885, toen de situatie thuis ondraaglijk was geworden, was in hem de waan gegroeid ‘boerenschilder’ te worden. Er waren wel meer jonge schilders die zich, in navolging van Millet en Israëls, aangetrokken voelden tot het eenvoudige leven van de landman, maar niet om zich daarin onder te dompelen. Dat deed Van Gogh wel. Nu zijn ‘burgerlijke’ familie hem de deur had gewezen raakte hij bedwelmd door een fantasie over een leven onder de boeren, een ‘fata morgana van geluk’, noemen biografen Steven Naifeh en Gregory Smith het. Mensen in de omgeving van Nuenen zagen hem nu haveloos en bemodderd zwerven over de hei, zoekend naar nieuwe onderwerpen, modellen. Soms overnachtte hij bij boerengezinnen die hij zijn ‘vrienden’ noemde, waar hij in het stro sliep en roggebrood at. Hij sliep op de zolder van zijn atelier, ontzegde zich de slaapkamer; hij schuilde niet langer voor de regen, maakte zijn atelier niet schoon, at alleen roggebrood en sloeg koekjes af, als die hem werden aangeboden, vroeg dan ‘of hij een korst droog brood kon krijgen’. In mei was de waanzin vrijwel compleet. Vincent schreef aan Theo dat hij alleen nog op klompen wilde lopen, alleen roggebrood wilde eten en ‘als een beest’ wilde leven. Het schilderij kwam ondertussen maar niet af. Van Gogh raakte erdoor bezeten. Hij keerde steeds weer naar de boerderij terug, om nóg eens nieuwe indrukken op te doen, nóg meer studies te maken. Bij elke bewerking werd het doek donkerder. Hij herschilderde de gezichten in ‘de kleur van een goed stoffigen aardappel, ongeschild natuurlijk’. Tenslotte stuurde hij het op 6 mei 1885 naar Parijs.

Zijn positie in Nuenen werd intussen onhoudbaar. Gordina bleek zwanger. De pastoor kwam hem de wacht aanzeggen. Van Gogh sprak de roddel van de ‘godvreezende inboorlingen’ tegen, maar hij vond in het dorp geen modellen meer. Hij schreef zich in bij de academie van Antwerpen, vertrok en zou nooit meer in Nederland terugkeren. Smith en Naifeh doen in hun enorme biografie een poging die maniakale periode te duiden. Vincent was in december 1883 teruggekeerd uit Drenthe, waar de bevolking hem ook voor een halve gek had aangezien. Hij vormde meteen een bron van grote spanning in de familie, en de plotselinge dood van zijn vader wordt hem door zijn zusters direct aangewreven. De begrafenis is een kille bedoening, een donker-protestantse ceremonie op de vervallen begraafplaats van Nuenen in de late winter. Als de notaris komt om het testament te openen, zit Van Gogh er zó verwilderd en haveloos bij, dat de notaris vraagt: ‘Moet die man niet weg?’

Van Gogh voelde zich dus de uitgestotene. Kan het zijn dat De aardappeleters, één gezin, gezamenlijk etend onder één lamp aan één tafel, in zijn zuivere armoede een revanche is op zijn burgerlijke familie, een beeld van gedroomde warmte, een ‘fata morgana van geluk’?

Theo moet er verbijsterd naar gekeken hebben. Al vier jaar probeerde hij zijn broer met zachte hand te sturen naar licht, kleur en charme, alles vergeefs. Hij zond vaag bemoedigende berichten naar Nuenen, deed er extra geld bij, maar liet het schilderij in feite maar aan één andere kunstenaar zien. Toen het Vincent duidelijk werd dat De aardappeleters nimmer de Salon zou halen, keerde hij zich tot op het bot gefrustreerd tegen zijn broer. Ja, het schilderij was lelijk en grof, maar kunst vereiste nou eenmaal geen ‘correctheid’, geen ‘letterlijke waarheid’, kunst vroeg authenticiteit, eerlijkheid, intimiteit, kunst moest naar spek, rook, aardappelwasem en mest ruiken.

Ook Anthon van Rappard, zijn beste en enige vriend, stuurde hem een onthutste brief – hij had er niets van begrepen. ‘Waarom mag die man rechts geen knie hebben en geen buik en geen longen? Of zitten die in zijn rug? En waarom moet zijn arm een meter te kort zijn?’ Vincent brak daarop resoluut de vriendschap af. Hij zag Van Rappards verraad als deel van samenzwering, met ‘mijn ouders & de heele familie’ voorop. Hij bleef halsstarrig op zijn gelijk hameren, tegen de keer, tegen iedereen die het goed met hem meende, tot uiteindelijk alleen Theo overbleef. Op de academie in Antwerpen, een half jaar later, was Van Gogh nog altijd vol dedain over die andere, nette, acceptabele manier van kunst maken: ‘De teekeningen die ik er zie vind ik eigentlijk allen fataal slecht – en radicaal verkeerd. En ik weet wel dat de mijne glad anders is – wie ’t nu bij ’t regte eind heeft, moet de tijd maar leeren.’

De bizarre periode in het voorjaar van 1885 leverde een vreselijk rotschilderij op, dat niettemin aan de basis staat van de fascinerende verandering in hoe wij sinds die tijd over waarheid en schoonheid in de kunst zijn gaan denken. Van Gogh heeft het – verdomd – toch bij het ‘regte eind’ gehad.

De aardappeleters: Misser of meesterwerk?, vanaf 8 oktober in Van Gogh Museum Amsterdam, vangoghmuseum.nl