Radicalisering in de Spaanse enclave Ceuta

Mot in de enclave

Al-Qaeda heeft al opgeroepen de twee steden te ‘heroveren’: Ceuta en Melilla, twee explosieve multiculturele gemeenschappen in de islamitische wereld. En carnaval is er ook al niet meer gezellig.

CEUTA – Met carnaval begon het echt fout te gaan. En het stond allemaal nog wel zo mooi in de toeristenfolders. Ceuta, de stad aan de poort van de Middellandse Zee, ‘waar twee continenten elkaar ontmoeten’. Waar door de eeuwen heen talloze rassen en beschavingen met open armen werden ontvangen en waar tot op de dag van vandaag vier culturen in perfecte harmonie samenleven, met wederzijds respect en in verdraagzaamheid: christenen, moslims, joden en hindoes.

De folder kan de prullenbak in. In werkelijkheid is die continentale ontmoeting een botsing, iets wat pijnlijk duidelijk werd tijdens het carnaval van 2006. Een groep met de naam Los polluelos con pelos en los güevos, ‘De kuikens met haren op de ballen’, kreeg de prijs voor het beste carnavalsliedje. Tekstdichter Jorge Pérez, in het dagelijks leven agent bij de gemeentepolitie, trok erin fel van leer tegen de Spaanse, socialistische premier Zapatero, die volgens de tekst van het lied vermoedelijk het meesterbrein was achter de treinaanslagen van 11 maart 2004 in Madrid. Het is een complottheorie die populair is in rechtse kringen en die voornamelijk gevoed wordt door de krant El Mundo en de radiozender Cope. Toch komt Zapatero er in het lied nog niet eens zo slecht vanaf: hij wordt slechts uitgemaakt voor gilipollas, domme lul.

Het zwaardere geschut bewaarden Pérez en zijn zanggroep voor de moslims. Het is de vraag, zo zongen ze, of de ‘Turken’, het plaatselijke scheldwoord voor moslims, wel rationele wezens zijn. Zij sloegen het biologieboek erop na en ontdekten dat moslims gelijk staan aan runderen. ‘Het zijn allemaal beesten!’ Daarop volgden een paar intrigerende slotregels:

Mijn moeder belde me op

Ze zei dat ik mijn mond moest houden

Dat ik niet moest zingen wat niemand zingt

Maar voordat ik wegga nog één ding

Wat heeft Hitler het slecht gedaan!

Hier sta ik met open vizier en ongewapend

Ik sterf liever met opgeheven hoofd

dan geknield te moeten leven.

Het lied was een daverend succes bij het carnavalspubliek. Ook burgemeester Juan Jesús Vivas van de rechtse Volkspartij (PP) moest er hartelijk om lachen.

Maar de moslims van Ceuta, bijna de helft van de 75 duizend inwoners, zagen de lol er niet van in. Vooral niet omdat de zangers lokale politieagenten zijn. Verontwaardigd vroegen zij zich af hoe het kan dat deze agenten de moslims onder het mom van carnavalshumor mochten uitmaken voor beesten en daarvoor ook nog eens een prijs kregen van het stadsbestuur.

Een reactie bleef niet uit. Vijfduizend moslims en een handvol sympathisanten uit de christelijke gemeenschap trokken naar de binnenstad om te protesteren. De manifestatie verliep aanvankelijk vreedzaam, maar na afloop braken rellen uit. Groepen jonge moslims vernielden winkelruiten, auto’s en stadsbussen. De organisatoren distantieerden zich van de relschoppers.

Mohamed Alí Lemague, moslimleider van de plaatselijke oppositiepartij udce, stapte naar de rechter. Hij diende een aanklacht in wegens belediging en het aanzetten tot discriminatie. De wat raadselachtige regel over Hitler zou een zinspeling zijn op een in radicaalrechtse kringen geliefd thema: de Führer had zich vergist in zijn slachtoffers. Hij had niet de joden, maar de moslims moeten uitroeien.

Onzin, vond tekstdichter Pérez. Boosaardige en opzettelijk verkeerde interpretaties: als hij zegt dat alle moslims beesten zijn, heeft hij het alleen over de moslims die met geweld hebben gereageerd op de Deense spotprenten. En dat zinnetje over Hitler? Dat stond volgens Pérez helemaal los van de rest van de tekst. Hoewel hij ook daarin voortdurend tekeerging tegen socialisten en moslims, ging dit ene zinnetje daar dus toevallig net niet over. ‘Ik wilde alleen maar zeggen dat Hitler het slecht heeft gedaan door zo veel mensen te vermoorden’, luidde zijn verweer in een plaatselijke krant. Als mensen zich beledigd voelden door zijn tekst was dat hun probleem. Een racist is hij nooit geweest.

Een half jaar na de ‘carnavalscrisis’ ging het opnieuw mis. In de nacht van 12 december 2006 rond half vijf grendelde een politiemacht van driehonderd man het moslimgetto El Príncipe hermetisch af. Niemand kon de wijk in of uit. Elf mannen, tussen de 23 en 38 jaar oud, werden van hun bed gelicht en afgevoerd naar Madrid.

Operatie Duna stond onder leiding van onderzoeksrechter Baltasar Garzón. Hij verdacht de opgepakte mannen ervan lid te zijn van Salafia Jihadia, een terroristische groep die deel uitmaakt van het netwerk van al-Qaeda. De verdachten, tien Spaanse moslims en een Marokkaan, zouden aanslagen hebben voorbereid op een winkelcentrum en een benzinestation in Ceuta.

Wapens of explosieven werden niet gevonden, op een enkel luchtdrukpistool na. Uit de spaarzame informatie die uit het gerechtelijke onderzoek naar buiten kwam, bleek dat de veronderstelde terreurcel ook niet de stabiele infrastructuur had die nodig is voor het plegen van aanslagen. Wel zouden de verdachten in het anderhalve jaar dat hun telefoon werd afgeluisterd, gesprekken hebben gevoerd met een ‘radicale inhoud’. En de boeken en videobanden die de politie bij de verdachten thuis in beslag nam, zouden hen onmiskenbaar in verband brengen met al-Qaeda of de radicale islam. Minister van Binnenlandse Zaken Alfredo Pérez Rubalcaba verzekerde dat met de aanhoudingen aanslagen waren voorkomen. Niet iedereen was daarvan overtuigd. Vier van de elf arrestanten werden binnen een week vrijgelaten vanwege een te dunne bewijslast. Ook in de moslimwijken heersten grote twijfels over de deugdelijkheid van het onderzoek dat tot de arrestatie had geleid.

Een half jaar na hun aanhouding zitten de resterende zeven nog steeds vast. De strikte geheimhouding rond het gerechtelijk onderzoek wakkert de speculaties aan over ‘politieke vervolging’ waarvan de moslimgemeenschap het slachtoffer zou zijn. ‘Ze vallen midden in de nacht je huis binnen en nemen je mee omdat je moslim bent’, zegt Karima Chaib Abdelaziz. ‘Het lijkt wel of de inquisitie terug is.’ Karima (35) is geboren in Ceuta. Twee broers van haar behoorden tot de vier arrestanten die na een week vrijgelaten werden. Een harde aanpak van het terrorisme ondersteunt ze van harte. Maar dan wel het echte terrorisme, voegt ze eraan toe.

Ook Rachid Mustafa Mohamed werd bij de Operatie Duna opgepakt. En ook hij kwam na een week ondervraging in Madrid vrij. ‘De bewijzen die ze tegen mij hadden? Het enige dat in het arrestatiebevel stond, is dat ik gesproken zou hebben over de aanslagen van 11 september in de VS en die van 11 maart in Madrid. Dat ontken ik niet. En ik wil met alle plezier vertellen wat mijn gedachten daarover zijn. Maar moet je daarom om vier uur ’s nachts de voordeur intrappen en mijn vader, mijn vrouw en kinderen de stuipen op het lijf jagen?’

Rachid omschrijft zichzelf als een aanhanger van Izquierda Unida, de Spaanse evenknie van GroenLinks. Hij verdedigt de terreuraanslagen van Madrid en de VS niet. Maar hij heeft begrip voor de woede in de Arabische wereld over de invasie in Irak. Drieduizend onschuldige doden in het Westen zijn kennelijk belangrijker zijn dan een paar honderdduizend burgers in het Midden-Oosten, is zijn conclusie.

Rachid vertelt zijn verhaal op het dakterras van zijn huis in aanbouw in het moslimgetto El Príncipe. Het is al jaren in aanbouw, zoals veel huizen in de wijk. Zodra er wat geld overschiet, gaat de bouw verder.

Meestal schiet er geen geld over. De werkloosheid is driemaal zo hoog als in de rest van de stad. Drugs en wapens zijn een groot probleem in El Príncipe. De politie laat zich hier nauwelijks zien. Het merendeel van de vijftienduizend inwoners, bijna allemaal moslims, woont in krotten zonder riolering. De meeste straten zijn niet geasfalteerd en gemeentelijke voorzieningen zijn nagenoeg afwezig. De wijk telt precies één basisschool, een kaalgetrapt voetbalveldje en een wijkcentrum dat betaald is door de Europese Unie. Pas sinds de jaren tachtig zijn de autochtone moslims van Ceuta officieel Spaans staatsburger.

‘Ceuta, dat zijn twee steden’, zegt Mohamed Alí van de lokale oppositiepartij udce. ‘De ene stad, het centrum en de aangrenzende stadsdelen waar de bevolking overwegend van Spaanse afkomst is, wordt gekoesterd. Negentig procent van de overheidsinvesteringen gaat daar naartoe. Het andere Ceuta, dat van de moslims, wordt aan zijn lot overgelaten.’

De tweedeling van de stad heeft alarmerende gevolgen, zo concluderen de onderzoekers Javier Jordán en Humberto Trujillo van de Universiteit van Granada. In een rapport uit november 2006 stellen zij dat El Príncipe een buitengewoon vruchtbare voedingsbodem is voor de recrutering van jihadstrijders. De spanningen die het gevolg zijn van de achterstandssituatie in de wijk – ‘zonder twijfel een getto’ – worden steeds vaker vertaald in termen van de tegenstelling tussen islam en christendom. De schuld van de dagelijkse ellende krijgen de christenen, los van de vraag of de betrokkenen dit geloof werkelijk aanhangen of niet. Radicale imams wakkeren zo de haat aan tegen de politieke machthebbers en de ‘christelijke’ samenleving die de stad domineert. El Príncipe raakt gaandeweg in de greep van de radicalen, schrijven de onderzoekers.

Rachid Mustafa zegt daar weinig van te merken. Wel geeft hij toe dat de religie terrein wint in zijn wijk, wat hij wijt aan het racisme. ‘Vroeger bestond het wahhabisme niet in Ceuta. Nu wel’, zegt Rachid. Een van de gevolgen is dat je voor een pilsje of een glas wijn tegenwoordig de wijk uit moet. En Rachid heeft zijn baard laten staan. Puur een kwestie van morele principes en een ‘meer zuivere beleving’ van de islam. Van een toenemende sympathie voor de gewelddadige confrontatie ziet hij geen tekenen.

Wie aan die geruststellende woorden twijfelt, heeft er een nieuwe reden voor bezorgdheid bij. Want sinds kort hebben Ceuta en Melilla, de andere Spaanse enclave in Noord-Marokko, ook een plek in het gedachtegoed van al-Qaeda. De tweede man van Osama bin Ladens terreurnetwerk, Ayman al-Zawahiri, deed onlangs op de televisiezender Al-Jazeera de oproep om beide steden te bevrijden van de ‘Spaanse bezetter’.

Ceuta hoort sinds 1640 bij Spanje. Toch kan de oproep van de nummer twee van al-Qaeda maar beter serieus worden genomen, vindt terrorismedeskundige Antonio Baquero: ‘Al-Zawahiri vergelijkt Ceuta en Melilla met Tsjetsjenië. Daarmee zet hij deze steden op de lijst van de grote conflicten die de islam moet uitvechten. Dat is heel gevaarlijk. Want de boodschappen van Al-Zawahiri worden door duizenden radicalen in de hele wereld met aandacht gelezen.’

Voor de Spaanse veiligheidsdiensten vormt de grens tussen Ceuta en Marokko een steeds grotere bron van zorg. Inwoners van de Marokkaanse grensprovincie Tetuán hebben op grond van een grensverdrag vrije toegang tot Ceuta. Dagelijks passeren 25.000 Marokkanen de grens om te werken of inkopen te doen in de Spaanse enclave. Dat maakt El Príncipe, dat pal aan de grens ligt, tot een aantrekkelijke vluchthaven voor jihadstrijders.

Na de aanslagen van april in Casablanca zocht de politie een vermoedelijke dader in El Príncipe. Hij werd niet gevonden. Maar de spanning en het onderlinge wantrouwen in Ceuta’s moslimgetto waren te snijden. Wijkbewoners gaven familieleden aan bij de politie uit angst om zelf voor terrorist te worden aangezien. ‘We moeten de baardmannen uit de familie gooien, die zijn net zo’n ramp voor je als wanneer je zoon junkie wordt’, riep een vertwijfelde bewoner.

Intussen is duidelijk dat carnavalsdichter en politieagent Jorge Pérez niet alleen staat in zijn afkeer van moslims. Bij een recente politiecontrole in de stadsbus moedigde een inwoner van Spaanse afkomst de agenten vanaf de straat aan tot hardhandig optreden tegen de gesluierde passagiers. ‘Geef de moren er van langs tot ze breken, dit is Spanje!’

Ook Pérez zelf gaat dit jaar in zijn carnavalspoëzie opnieuw tekeer tegen de moros, de moren. Alleen noemt hij ze nu niet bij naam. Nét niet.

Hun naam begint met een m

En eindigt met een s

En elke keer dat ik met ze praat

Walg ik meer van ze…

En wanneer iedereen verwacht dat nu de moren op de proppen komen, brengt de slotregel de verrassende wending: Los mocos son así. Oftewel: zo zijn de mocos (snottebellen) nu eenmaal.

Dichter-diender Pérez oogstte opnieuw een stormachtig applaus. Tranen van het lachen rolden over de wangen van het uitzinnige publiek. Maar de gemeentelijke jury was onverbiddelijk. Pérez werd slechts tweede, achter een politiek correct liedje over ‘mijn (islamitische) vriend Laarbi’. Dat was wellicht een ultieme poging om de toeristenfolders te redden van de prullenbak.