Interview met operaregisseurs Jossi Wieler en Sergio Morabito

Mozart en onze tijd

Het hoogtepunt van het Mozartjaar nadert: De Nederlandse Opera brengt de drie opera’s van Mozart op teksten van Lorenzo da Ponte op drie achtereenvolgende avonden: Così fan tutte, Don Giovanni en Le nozze di Figaro.

‘In hun eigen tijd waren deze opera’s eigentijds. Dat is misschien de meest fundamentele reden om ze nu ook naar onze eigen tijd te brengen en ze een hedendaags uiterlijk te geven. Ze gaan niet alleen over de rococotijd, ze vertellen ook de waarheid over het leven, over de mensen, ook over mensen van onze tijd.’ Jossi Wieler praat aarzelend, vriendelijk, bijna verlegen. Hij is tot in Japan bekend als een van de belangrijkste regisseurs ter wereld, maar hij oogt als een wat ouder geworden jongen. Vooral in het Duitse taalgebied is hij al 25 jaar zeer actief en gelauwerd als toneelregisseur. Als operaregisseur werkt hij al dertien jaar nauw samen met Sergio Morabito. Morabito is een Duitser met een Italiaanse vader en is van huis uit dramaturg. Hij leerde Jossi Wieler in 1993 kennen, toen die in Stuttgart zijn eerste operaregie deed, ook een Mozart – La clemenza di Tito. Jossi Wieler wist toen nog niets van opera. Hij werd geboren in Zwitserland, emigreerde na zijn middelbare school als een trotse zionist naar Israël, studeerde er eerst maatschappelijk werk en psychologie, daarna theaterregie en ging in 1982 naar Duitsland, omdat daar toen het beste theater werd gemaakt en er ook het meeste geld aan toneelsubsidies werd besteed. Na 1993 zijn Wieler en Morabito voor operaregies samen blijven werken, omdat ze elkaar zo goed begrijpen en hun samenwerking zo prettig verloopt. De sfeer tijdens de voor-generales is ook opvallend ontspannen, alsof iedereen het louter voor zijn eigen plezier staat te doen. De twee regisseurs nemen uitgebreid de tijd voor een gesprek, hoewel dat plaatsvindt krap een week voor de première van een van de omvangrijkste en meest prestigieuze ondernemingen in het hele Mozartjaar.

Op drie opeenvolgende dagen worden de drie allerbeste opera’s van Mozart (1756-1791) gespeeld, die hij tussen 1786 en 1790 maakte op libretto’s van de Italiaanse ex-priester Lorenzo da Ponte (1749-1838), die zelf, net als zijn schepping Don Giovanni, voortdurend op de vlucht was vanwege zijn vrijzinnige opvattingen (en zijn schuldeisers). Da Ponte bewerkte het prerevolutionaire Le mariage de Figaro van de Fransman De Beaumarchais tot een voor de Oostenrijkse keizer aanvaardbare opera, Le nozze di Figaro. Daarna bewerkte hij de Spaanse mythe van de eeuwige vrouwenverleider Don Juan tot de opera Don Giovanni. En ten slotte schreef hij een speels en cynisch stuk over de bedriegerijen tussen twee jonge liefdesparen in Così fan tutte: zo zijn zij – dat wil zeggen: ‘de vrouwtjes’ – nu eenmaal allemaal!

Deze opera’s zijn vaker als een cyclus gebracht in opeenvolgende jaren, maar nu worden ze in Amsterdam voor het eerst in de theatergeschiedenis op drie achtereenvolgende avonden gespeeld. Wieler en Morabito regisseerden al eerder in Amsterdam Lucio Silla, een jeugdwerk van Mozart, in aftandse decors en grauwe kostuums van Anna Viebrock, alsof het niet in de Romeinse tijd speelde maar tijdens de neergang van een hedendaagse dictatuur naar het model van de ddr. Op de première in Amsterdam klonk boegeroep in de stalles, maar in het buitenland zag men de voorstelling als een geslaagd startschot van het 250ste geboortejaar van Mozart.

Nu zou de Mozart/Da Ponte-trilogie wel eens het sluitstuk en het hoogtepunt van het Mozartjaar 2006 kunnen worden. Het zijn drie lichtvoetige, grappige en aandoenlijke uitvoeringen met opvallende decors en kostuums, ontworpen door Barbara Ehnes en Anja Rabes. Dat begint al bij de eerste opera, Così fan tutte. Ongekend jong zien de zangers eruit: suffe jongens en onnozele meisjes in een zomerkamp aan de Amerikaanse kust, ergens in de preutse fifties. Don Alfonso, anders een eenzame cynicus, is hier een sympathieke leraar die een geintje met die kinderen uithaalt en ze daarmee een levenslesje wil leren. Don Giovanni speelt in een enorme opeenstapeling van allerlei verschillende bedden, waarin de personages inert liggen, tot ze door het verschijnen van de Don Juan-figuur tot leven worden gewekt. Verrassend is ook Figaro’s bruiloft in een moderne autoshowroom, waar Figaro een piepjonge, slungelige boekhouder is die zich door autohandelaar Almaviva aan de mooie en ondernemende Suzanna laat lijmen, op wie Almaviva zelf zijn zinnen heeft gezet. Een fraaie groene auto, waar de personages zich in en onder kunnen verstoppen, draait in het midden rond. Dat is de bruidsschat, die Almaviva Figaro heeft toegezegd.

Het is mogelijk de drie verhalen te zien als een geschiedenis van onze tijd: het naïeve gedoe tussen jongens en meisjes in de jaren vijftig in Così, de seksuele bevrijding van de jaren zestig en zeventig in Don Giovanni, het cynische besef dat het nu alleen maar om macht en geld gaat in Le nozze di Figaro. De regisseurs erkennen dat je het zo kunt interpreteren, maar het is door hen niet bewust bedoeld. Eigenlijk weten ook zij nog niet hoe het hele project zal uitpakken. Tot nu toe vielen hun vooral de verschillen in de drie werken op.

‘Wij kijken er ook zelf vol verwachting naar uit wat het betekent deze drie opera’s op drie achtereenvolgende dagen te zien’, zegt Morabito enthousiast. ‘Maar niemand weet nog wat precies het effect zal zijn. Deze opera’s hebben wel gemeenschappelijke thema’s, zoals identiteit, seksualiteit, partnerschap en trouw zijn, zowel aan jezelf als aan de ander, maar deze onderwerpen worden in de drie opera’s vanuit zeer verschillende perspectieven bekeken. Hoe meer we erin doken, hoe meer we zagen dat het drie geheel verschillende werelden zijn, zelfs drie totaal verschillende genres. Een poëtische liefdesschool in Così, een buñueleske, mythische wereld met de onruststoker Don Giovanni en een komedie over maatschappelijke verhoudingen in Le nozze di Figaro. Door tegelijk aan deze opera’s te werken ontdekte ik pas de ongelooflijke rijkdom van deze drie universums. En ik denk dat ze een meerwaarde zullen krijgen als je ze achter elkaar ziet.’

Jossi Wieler: ‘Het is zoals Sergio zegt: we gingen steeds meer beseffen dat het verkeerd zou zijn de drie opera’s onder één noemer te willen brengen. Daarom hebben we ze uiteindelijk toch maar niet benaderd als een Ring van Mozart – zoals de Ring des Nibelungen van Wagner. Het zou bijvoorbeeld geen recht doen aan de uniciteit van de drie werken als we ze in één decor hadden gespeeld of als we in de aankleding steeds dezelfde elementen terug hadden laten komen.

We zijn tweeënhalf jaar geleden met de voorbereiding begonnen en werken er nu een halfjaar in Amsterdam aan. Het idee deze drie opera’s in één keer te doen kwam van Ingo (Metzmacher – ma). Het leek me een goed idee, omdat de opera’s elkaar kunnen versterken. Het zou in het Duitse operasysteem nooit kunnen, omdat je daar met een vast repertoire werkt. Maar ook hier was het een grote uitdaging voor De Nederlandse Opera om drie opera’s tegelijkertijd te produceren. Het is heerlijk om zes maanden lang elke dag met Mozart bezig te zijn. Het verveelt nooit, je blijft steeds nieuwe dingen ontdekken, het is zo diep, zo wijs, zo intelligent en zo ontroerend, op een niet-romantische manier. We zitten te praten, te kijken en we krijgen nog steeds nieuwe ideeën door de muziek en omdat de zangers onverwachte dingen doen. Charlotte Margiono speelt in Don Giovanni Elvira en in de Nozze Marcellina, dat is normaal een niet zo belangrijke bijrol, het is uniek dat hier zo’n goede zangeres die rol doet. Het is ons trouwens opgevallen hoe open de Nederlandse zangers staan voor nieuwe dingen. Op een repetitie bedacht Charlotte dat zij haar ex-minnaar Bartolo een vuurtje kon geven, die dat tot twee keer toe weigert. We hebben dat erin gelaten; het aanbieden van sigaretten en het geven van vuur werden handelingen waaraan je kunt zien of iemand ondergeschikt is aan de ander.’

Sergio Morabito: ‘De zangers hebben allemaal een andere achtergrond, ze komen uit heel verschillende theaterculturen, maar ze hebben nu een gemeenschappelijke stijl van acteren gevonden. Dat is verbazingwekkend. We leggen ze niets op, we praten veel, wisselen gedachten uit en we reageren op de suggesties van de zangers. Het is een gezamenlijk creatief proces geworden, waarbij je elkaars fantasie stimuleert. Così speelt inderdaad in een jeugdherberg bij het strand in de jaren vijftig, maar binnen dat concept kunnen de zangers hun eigen herinneringen gebruiken aan de tijd dat ze zelf dertien, veertien, vijftien jaar waren en dit soort prille ervaringen doormaakten. Ze verbazen ons op de repetities met nieuwe kleuren en kleine details, die wij van tevoren nooit hadden kunnen bedenken.’

Jong is ook Figaro, normaal de slimme barbier, hier de enigszins sullige boekhouder van de poenige autohandelaar Almaviva. Het is in deze versie waarschijnlijker dan anders dat hij de buitenechtelijke zoon van Marcellina en Bartolo is, maar je gelooft niet direct dat hij al een hele voorgeschiedenis met Almaviva in Sevilla heeft gehad. Morabito ziet dat probleem niet: ‘Net als elk personage in Le nozze di Figaro wil hij carrière maken, succes hebben, geld verdienen en om dat klaar te spelen moet hij zijn eigen gevoelens verbergen en ondergeschikt maken aan het bedrijf. Hij heeft onverwacht promotie gemaakt en ontdekt nu dat het komt doordat hij zo’n leuk vriendinnetje heeft. Hij moet intrigeren om haar te behouden en ook zijn bruidsschat, die groene auto, niet te verliezen. Zo moeten alle personages zich aanpassen aan en leven in een permanente staat van compromissen en omkoperij. Ze hebben allemaal een voorgeschiedenis en die is verbonden met het autobedrijf.’

Wieler: ‘Tijdens onze lange voorbereidende gesprekken zagen we dat de Nozze het dichtst bij onze eigen tijd staat met personages die heel cynisch zijn als het gaat om macht, carrière, geld en status. We wilden een ruimte vinden waar je dat allemaal kunt laten zien, een bedrijf waar iedereen werkt en van elkaar afhankelijk is, ook de gravin die voor ons een vrouw is met een eigen beroep. Zo kwamen we op dit autobedrijf. Dat is ook een cynische, koude wereld waar alles om status draait en omkoperij aan de orde van de dag is.’

Morabito: ‘In Don Giovanni daarentegen ontdekten we dingen die ons deden denken aan het werk van Samuel Beckett: mensen die helemaal niet vooruit komen, die geen enkele richting uitgaan, die eigenlijk al dood zijn. Zo kwamen we op een begraafplaats, waar de dode vrouw van de aartskatholieke Commendatore rondspookt en de recitatieven begeleidt. Het is tijdloos, net als de stukken van Beckett. Die bedden die je ziet zijn eigenlijk grafstenen die in de loop van de opera schuin de grond in zakken. Door het optreden van Don Giovanni, een soort van ongrijpbare en mythische Dionysos-figuur, komen ze tot leven en kunnen ze misschien uit hun lethargie en aan die verstikkende katholieke moraal ontsnappen. Daarom eindigen ze bijna vrolijk, als na een nachtmerrie. Wat er ten slotte met Giovanni gebeurt, moeten we maar zien. De Commendatore verdwijnt, Don Giovanni steekt altijd weer zijn kop op. Het is een van de donkerste opera’s van Mozart, met soms ontstellende muziek, heel anders dan de poëtische wereld van jonge mensen in Così fan tutte en het cynisme van Le nozze di Figaro.’

Er zijn details die mij verbazen, maar die de regisseurs heel goed weten te verklaren. Er worden in Don Giovanni grammofoonplaten gedraaid. Dat klinkt raar in een opera, maar het gaat hier om muziek die Mozart op een ironische manier citeert: de tophits van zijn tijd, waaronder zijn eigen Nozze. De recitatieven worden in Così niet begeleid door een klavecimbel, maar door een gitarist die er als een hippie uitziet en die op het strand zit te spelen en de jonge zangers begeleidt. De bedoeling was de recitatieven meer te verbinden met wat er op het toneel gebeurt. Het klinkt erg mooi; de hippie is als iemand die vooruit wijst naar een andere tijd, de jaren zestig, als ze ouder zullen zijn en minder gebonden aan de strikte huwelijksmoraal van de jaren vijftig.

Morabito: ‘Een opera is niet hetzelfde als een beeldhouwwerk of een schilderij. Die zijn gematerialiseerd, die kun je in een museum gaan bekijken. Een opera bestaat alleen uit woorden en muzieknoten die we tot leven moeten brengen. Dat ontdekten we al toen we samen voor de eerste keer een opera deden in Stuttgart. Theater leeft alleen op het moment dat het gebeurt. Je kunt het niet behouden. We zijn natuurlijk blij met de televisie-uitzendingen van deze opera’s, maar het is toch iets anders dan de levende ervaring in het theater. Het is vreemd dat men altijd verwacht dat opera iets vasthoudt uit een ander tijdperk. Theater was toen belangrijk omdat het ging over de tegenspraken uit die tijd. Het is niet zo dat we het beslist willen overbrengen naar onze tijd, maar we willen het zo goed mogelijk begrijpen.’

Wieler: ‘Of je het nu in jeans speelt of in crinolines of in futuristische kostuums: het gaat erom wat deze opera’s vertellen over het leven, over de mensen. Omdat het theater is, vragen deze kunstwerken altijd om interpretatie. Dat doen wij nu ook, op onze eigen manier.’

De Nederlandse Opera onder leiding van Ingo Metzmacher: Mozart/Da Ponte-cyclus, tot en met 8 januari 2007. Televisie (NPS): 10/12 (Così), 24/12 (Le nozze di Figaro) en 7/1 (Don Giovanni) en in een aantal bioscopen in Nederland en België. Radio: NPS Radio 4: 23/12, 7/1 en 20/1