Mozart en salieri

Bij leven en welzijn was de hofcomponist Antonio Salieri een heel wat beroemder kunstenaar dan zijn jonge en onbesuisde collega Wolfgang Amadeus Mozart. Maar de echte kenners, Salieri incluis, wisten: als toondichter was Salieri niet waard de schoenen van Mozart te strikken.

Even na Mozarts dood, in 1791, begon zich het kwaadaardige gerucht te verspreiden dat de Italiaan verantwoordelijk is geweest voor het voortijdige overlijden. Dit hersenspinsel achtervolgde Salieri tot op zijn sterfbed. ‘Ik weet het, deze ziekte zal mijn laatste zijn’, verzuchtte hij tegen zijn vriend en leerling Ignaz Moscheles. 'Daarom zeg ik u, op mijn woord en op mijn geloof: er is niets waar van dat absurde gerucht dat ik Mozart zou hebben vergiftigd. Het is kwaadsprekerij, louter kwaadsprekerij. Zeg het de wereld, mijn goede Moscheles, vertel het verder: vertel de wereld dat de oude Salieri, die spoedig dood zal zijn, het u persoonlijk heeft bezworen.’ In 1830 was het verhaal al zo ver in Europa opgerukt dat het Alexander Poesjkin ter ore kwam die op dit thema onmiddellijk een drama-in-zakformaat schiep, waarin de vergiftigingslegende voor zoete koek werd aangenomen. Ook al berustte de eenakter dus op culturele achterklap, het resulteerde in een werkstuk van een adembenemend - dramatisch en wijsgerig - formaat, 'onovertroffen in het gehele oeuvre van Poesjkin, en waarschijnlijk ook daarbuiten’, schreef zijn vertaalster Aleida G. Schot. De tweehonderdeenendertig blanke verzen omvattende tragedie Mozart en Salieri zou oorspronkelijk De jaloezie heten, maar dit - schreef Poesjkin - zou een onverantwoorde simplificatie van het thema zijn. Salieri, althans de Salieri van Poesjkin, is in eerste aanleg vrij van afgunst. Hij is, net als Mozart, een gerijpt kunstenaar, die zonder gevoelens van rivaliteit vrijelijk zijn tranen laat stromen als Mozart hem op de pianoforte zijn Requiem voorspeelt. Toch dient Salieri hem uiteindelijk zonder aarzeling het gif toe. Want: 'Waar is, o hemel, uw gerechtigheid, wanneer de heil'ge gave, het genie,’t ontsterfelijk genie, geen loon beduidt voor vuur'ge liefde, zelfverloochening, gestadig werk en ijver en gebed, maar ’t hoofd omstraalt van een geboren dwaas, die eeuwig lanterfant..! O, Mozart, Mozart!’ Poesjkin werpt hier de klassieke tegenstelling op tussen het talent, met zijn vlijt, arbeidsethos en studiezin, versus het genie dat zonder merkbare inspanning naar voor normale stervelingen onbereikbare hoogten zweeft. De serieuze, zwaartillende, rationele Salieri wordt afgewogen tegen de luchthartige, ogenschijnlijk oppervlakkige Mozart, die zijn inspiratie put uit de ziel, uit de onderbuik, uit ongeziene kleuren en ongehoorde klanken. 'God, Mozart, jij, je bent je zelf niet waard!’ sprak Salieri verbitterd. Hij was in zijn betere tijden zo vermaard dat zijn biografen hem 'blijvende roem’ voorspelden. Schubert heeft hij vijf jaar les gegeven. Elf jaar is hij de leraar van Beethoven geweest. Een uitgesproken prutser kan hij dus niet zijn geweest. Niettemin raakte hij al spoedig grotendeels vergeten, totdat toneel (Peter Schaffer) en film (Milos Forman) de legende nieuw leven inbliezen, met Salieri andermaal in de rol van bad guy. Maar wie kan het, tweehonderd jaar na dato, iets schelen? Vooral omdat deze nieuwe rol van achterklap een interessante consequentie had: de platenindustrie, tóch al voortdurend op zoek naar nieuwe impulsen, begon een (klein) deel van Salieri’s composities in circulatie te brengen. Zodat wij, luisteraars, eindelijk over hem kunnen oordelen. Nee, een genie was hij niet. Een prutser was hij evenmin. Hij representeerde hoogstens de betere middelmaat. EERSTE TAFEREEL Salieri Een ieder zegt: er heerst geen recht op aarde, Maar recht heerst - ook daar boven niet. Voor mij Is dit zo helder als een simple toonschaal. Mij is voor kunst de liefde aangeboren: Als in mijn jongensjaren forse tonen In onze oude kerk uit ’t orgel klonken, Dan werd ik ’t luisteren nooit moe - en node Bedwong 'k mijn tranen dan van zoet genot. Van dom vermaak was ik al vroeg afkerig; Geen vak dat vreemd was aan muziek heeft mij Ooit kunnen boeien; koppig en hooghartig Wees ik het af, om mij slechts aan muziek Te kunnen wijden. D’ eerste stap is zwaar En saai de eerste weg. Ik overwon Het falen van ’t begin. En vakmanschap Heb ik gemaakt tot voetschabel der toonkunst; Ik vormde mij tot ambachtsman; mijn hand Verwierf zich dienstbaarheid en dorre vaart, ’t Gehoor werd scherp. In doodgedrilde klanken Heb 'k anatomisch de muziek ontleed, Heb harmonie aan algebra getoetst. Toen waagde ik, bedreven in het vak, De droom der scheppingskracht in mij te voeden. Ik componeerde - doch in alle stilte En waagde het nog niet aan roem te denken. Niet zelden, na gezwoeg van vele dagen In stille cel, naar voeding, slaap niet talend, Omhoog gevoerd, verteerd door inspiratie, Wierp ik mijn werk op ’t vuur en keek dan toe, In koele smart, hoe in de vlam mijn noten, De kindren van mijn geest, in rook vervlogen. Nog sterker! Toen de grote Gluck verscheen En nieuwe klankmysteriën onthulde (Hoe diep geheimvol en hoe fascinerend), - Schoof ik al wat 'k reeds wist toen niet terzijde? Verwierp ik alles niet, waarin 'k geloofd had En volgde ik blijmoedig niet zijn pad, Van deemoed vol, als een gans die verdoold is En een gezant ontmoet naar nieuwe oorden? Door koppig-stug en ingespannen streven Wist ik ten lest in d’ onbegrensde kunst Naar hoge top te reiken. En reeds lachte De roem mij toe; 'k vond weerklank in de harten, Een weerklank, door mijn scheppingen gewekt. Ik was gelukkig: voelde mij tevreden Met werken, eer en bijval; ook de arbeid Van vriend en vakgenoot gaf mij genoegen, Verdiende oogst in dienst der schone muze. O neen! De afgunst heb ik nooit gekend! Nooit! - Zelfs niet, toen Puccini ’t grillig oor Van de Parijzenaars te boeien wist, En evenmin, toen ik voor d’ eerste maal Iphigenia’s voorspel hoorde klinken. Wie zegt van de hooghartige Salieri, Dat hij zich ooit tot afgunst heeft verlaagd, Een slang gelijk, die, door de mens vertreden In machtloosheid zich voedt met zand en stof? Geen mens!.. Maar nu - ikzelf erken het - nu Word ik door nijd verteerd. Ik ben jaloers, Ben fel en smartelijk jaloers. - O hemel! Waar heerst nog recht, als godlijke begaafdheid, ’t Onsterflijke genie - niet als beloning Voor liefde’s overgave, zelfverloochning, Voor arbeid, noestheid, smeekbeên wordt geschonken, Maar om de slapen schittert van een dwaas, Een loze boemelaar?.. O Mozart, Mozart! Mozart op Mozart Aha! Je zag me komen! En net wilde Ik je verrassen met een goede grap. Salieri Jij hier! - Reeds lang? Mozart Nee, net. 'k Ging naar je toe, Omdat 'k je graag iets wilde laten zien; Maar, langs de herberg lopend, hoorde ik Opeens vioolspel… Kerel, nee, Salieri, Iets gekkers heb je van je leven nooit Gehoord… Een blinde herbergfiedelaar Vertolkte ’t lied voi che sapete. Prachtig! Ik kon ’t niet laten, bracht de muzikant Mee hier naartoe om jou wat voor te spelen. Kom binnen! Een blinde oude man met een viool treedt binnen Speel ons eens een stukje Mozart! De oude man speelt een aria uit Giovanni; Mozart begint te schaterlachen Salieri En daarom kun jij lachen? Mozart Ach, Salieri! Lach jij dan zelf niet mee? Salieri Ik? Zeker niet. Ik vind het niet lachwekkend, als een kladder Op Raphaels Madonna klodders werpt; Ik lach niet, als een stomme potsenmaker Het werk van Dante smaadlijk parodieert. Ga jij maar, oude. Mozart Wacht: dit is voor jou, Drink straks op mijn gezondheid. De oude man af 'k Zie, Salieri, Dat je nu slecht gemutst bent. 'n Andere keer Dan maar. Salieri Wat wilde je mij laten zien? Mozart Ach - niets; een bagatel. Ik werd onlangs Des nachts weer eens door slaaploosheid gekweld; Toen zijn me een paar dingen ingevallen. Vandaag heb ik ze op papier gezet. 'k Wou weten, hoe jij ’t vond, maar zie nu dat Jouw hoofd niet naar mij staat. Salieri Ach, Mozart, Mozart! Zou ooit mijn hoofd niet naar jou staan? Neem plaats; Ik luister. Mozart aan de piano Stel je voor… ja, wie zal ’t zijn? Goed, denk aan mij - maar dan een beetje jonger; Verliefd - niet al te veel, nee, zo maar, vluchtig - Ik ben bij een lief meisje, 'n vriend, - bij jou, Ben welgemoed… opeens een visioen, Een graf, het duister, of iets van dien aard… Nu, luister maar. Speelt Salieri En dat, bracht jij mee, En kon eerst bij een kroeg nog blijven dralen, ’t Gekras aanhoren van een blinde! - God! Neen, Mozart, jij verdient niet zulke gaven. Mozart Zo, vind je het wel goed? Salieri Hoe diep van zin! En hoe gedurfd, hoe sierlijk, hecht van bouw! Jij, Mozart, bent een god en weet het zelf niet. Maar ik, ik weet het. Mozart Heus? Nou ja, misschien… Alleen, die godheid sterft nu van de honger. Salieri Hoor: laten wij dan samen gaan dineren In ’t koffiehuis De Gouden Leeuw. Mozart Mij best; Heel graag. Maar wacht, dan ga ik eerst nog even Naar huis, zeg aan mijn vrouw dat zij met ’t eten Niet op mij rekent. Af Salieri Goed, ik wacht; tot straks. Neen! Langer kan 'k mijn lot niet tegenhouden: Geroepen ben 'k hem in zijn vaart te stuiten, - Zo niet, dan zijn wij, priesters van de muze Straks allen tot de ondergang gedoemd, Niet ik alleen, met mijn bescheiden roem… Wat baat het, of een Mozart verder leeft En voortgaat, nieuwe toppen te bestijgen? Heft hij de kunst daarmee omhoog? Welneen; Zij stort weer neer, zodra hij is verdwenen: Zijn plaats blijft open; niemand volgt hem op. Wat baat dit ons? Gelijk een cherubijn Schonk hij ons enkle hemelse gezangen, Verwekt in ons het vleugellam verlangen Van aardse kinderen en vliegt weer heen! Vlieg heen dan maar! Vlieg heen, hoe eer, hoe liever. Hier heb 'k vergift, Isora’s laatst geschenk. Ik heb het achttien jaar bij mij gedragen - En dikwijls was mij ’t leven sinds die dag Ondragelijk, en dikwijls zat ik met Een argeloze vijand aan één dis, Maar nooit heb ik aan ’t fluistren der verlokking Gehoor gegeven, ook al ben 'k niet laf, Al voel 'k mij diep vernederd door een krenking En hecht aan ’t leven niet. Steeds draalde ik. Wanneer mij doodsverlangen kwelde, dacht ik: Waarom te sterven? Wellicht houdt het leven Nog onverwachte gaven voor mij klaar; Misschien dat het mij de vervoering schenkt, Een nacht vol scheppingsdrang en inspiratie; Misschien ook dat een nieuwe Haydn iets groots Zal wrochten - iets dat mij genieting brengt… En vierd 'k feest met een gehate gast, Dan dacht ik: mooglijk vind 'k een erger vijand, Een krenking die nog dieper mij verwondt, Als zij uit trotse hoogte mij komt treffen. - Dan word jij goed besteed, gift van Isora. Ik had gelijk! Tenslotte vond ik hem, Die vijand en met hemelse verrukking Heeft nu een nieuwe Haydn mijn ziel vervuld! Nu is het tijd! O heilig pand der liefde, Los heden in de kelk der vriendschap op. TWEEDE TAFEREEL Gereserveerde kamer in een herberg; een piano(Mozart en Salieri aan tafel Salieri Waarom vandaag zo somber? Mozart Ik? O nee! Salieri Toch is het, Mozart, of je iets bedrukt. Het maal was goed, de wijn zeer prijzenswaard; Maar jij kijkt sip en zwijgt. Mozart Ja, toegegeven, Mijn Requiem laat mij geen rust meer. Salieri Ha! Je schrijft nu aan een Requiem? Al lang? Mozart Al 'n week of drie. Maar een merkwaardig voorval… Heb ik ’t je niet verteld? Salieri Neen. Mozart Luister dan: Een week of drie geleden kwam ik laat Naar huis. Ik kreeg de boodschap dat er iemand Voor mij geweest was. Hoe ’t zo kwam - ik weet het niet, Maar ’s nachts moest ik steeds denken: wie is hij? Wat wil hij van me? Ook des andren daags Verscheen hij en hij trof mij weer niet aan. De derde dag zat 'k met mijn kleine jongen Te spelen op de vloer, toen 'k werd geroepen; Ik kwam. Een heer, geheel in zwart gekleed, Boog met een diepe buiging en bestelde Een Requiem, waarna hij weer vertrok. Ik toog meteen aan ’t werk - en sinds dat tijdstip Heb ik mijn zwarte man niet meer gezien; Dit is mij wel zo lief: want slechts ongaarne Zou 'k van het werk nu afstand doen, al is Het Requiem voltooid. Intussen… Salieri Wat? Mozart Ik schaam mij het te zeggen… Salieri Maar wat dan? Mozart Dat deze zwarte man mij dag en nacht Geen rust meer laat. Voortdurend achtervolgt hij Mij als een schaduw overal. Ook nu Lijkt het me, of hij als de derde man Bij ons aan tafel zit. Salieri Hoe kinderachtig! Verban die dwaze vrees toch. Beaumarchais Placht mij te zeggen: Luister, vriend Salieri, Als sombere gedachten je bekruipen, Ontkurk dan snel de beste fles champagne, Of wel verdiep je in de Figaro. Mozart Ja! Beaumarchais behoorde tot je vrienden; Voor zijn Tarare schreef jij de muziek, Een knap stuk werk. Het heeft zo'n leuk motief… Dat speelt mij steeds door ’t hoofd, als 'k in mijn schik ben… La la la la… Zeg, is het waar, Salieri, Dat Beaumarchais eens iemand heeft vergiftigd? Salieri Dat denk ik niet: hij hing te veel de dwaas uit Voor zulk bedrijf. Mozart Ook hij was een genie, Als jij en ik. Genie en boosheid zijn Twee dingen die niet samengaan. Niet waar? Salieri Zou je dat denken? Strooit vergift in Mozarts glas Drink eens uit. Mozart Welnu, Op jouw gezondheid, op de broederband, Die Mozart en Salieri hecht verenigt, Twee zonen van Harmonia. Drinkt Salieri Houd op, Houd op!… Je hebt gedronken!… zonder mij? Mozart werpt zijn servet op tafel 'k Ben klaar met eten. Loopt op de piano toe Luister nu, Salieri: Mijn Requiem. Speelt Wat nu, je huilt? Salieri Die tranen Schrei ik voor ’t eerst: nu is ’t mij zoet en droef Te moede, of 'k een zware plicht vervuld heb, Alsof het heilzaam mes eens chirurgijns Een pijnlijk lid mij afsneed! Mozart, sla Geen acht op deze tranen… Ga snel voort, Ga voort en laaf mijn ziel nog met je klanken… Mozart Als ieder maar de macht der harmonie Zo diep ervoer! Maar neen: dan kon de wereld Niet voortbestaan, geen mens zou zich meer om De zorg voor ’t alledaags bedrijf bekommren; Elk gaf zich aan de vrije kunst. Neem, zeldzaam Zijn wij, verkoren kinderen der goden, Fortuinlijken die smalen op het nut, Wij, priesters die de éne schoonheid dienen. Zo is het toch? Maar 'k voel mij nu niet goed, Mij drukt iets zwaars; 'k ga heen en neem wat rust. Tot later dus! Salieri Vaarwel. Alleen Je rust zal lang Van duur zijn, Mozart! Maar - heeft hij gelijk soms? Ben ik dus geen genie? Genie en boosheid Zijn dingen die niet samengaan. Niet waar! En Buonarotti? Of is dat een fabel Van ’t domme, dwaze volk - en is de schepper Van ’t Vaticaan geen moordenaar geweest?