Mozes

Gesouffleerd door God zelve beitelde Mozes de tien geboden in de stenen tafelen. En toen was er moraal, maar God kon niet zeggen dat het goed was. De hoofden van Zijn onderdanen bleken harder dan het steen waarin De Wet gegrift stond.
HIJ IS ‘DE Belangrijkste mens die ooit heeft geleefd’, constateert zijn geloofsgenoot Eli Wiesel. Als hij ooit heeft geleefd. Er is geen enkele bron die zijn bestaan bevestigt, behalve de bijbelboeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, die hij nota bene grotendeels zelf heeft geschreven.

Niettemin, zo groot kan de menselijke fantasie niet zijn dat het allemaal verzonnen is, van dat biezen mandje waarmee hij, als zuigeling, de Nijl afdobberde, tot zijn serene dood, honderdtwintig jaar later, in het aangezicht van het Beloofde Land, dat hij nooit betreden zou.
Wij spreken van Mozes, de leidsman der oudtestamentische Israelieten.
Hij was de wetgever van de joden, en daarmee de wetgever der christenen. Zijn Tien Geboden (in feite twee geboden en acht verboden) zijn tot op heden het fundament van de westerse beschaving, al hebben zij inmiddels in de promiscue, gewelddadige en zondagsontheiligende wereld van vandaag aan morele kracht ingeboet. Niettemin is ook de moderne mens, dank zij Mozes, van het besef doordrongen dat het verboden is te stelen, dood te slaan en valse getuigenis tegen de naaste af te leggen, hetgeen bij overtreding hardhandig door het Wetboek van Strafrecht wordt gewroken.
Behalve een wetgever was Mozes een vrijheidsstrijder, een kampioen van de sociale gerechtigheid, een organisator en een strateeg, schrijver en dichter. Het hoogtepunt van zijn carrière beleefde hij op de flanken van de berg Sinaï, waar hij de joden een moraal schonk, die van hen tot op heden het interessantste en meest dramatische volk uit de wereldgeschiedenis heeft gemaakt. ‘Als hij er niet was geweest’, zegt Eli Wiesel, 'zou Israel een stam van slaven zijn gebleven, verduisterd door angst en vol vrees voor het licht.’
Het tegendeel geschiedde. Onder Mozes’ vastberaden leiding avanceerde Israel tot het Uitverkoren Volk. Terzijde zij gewezen op de beroemde woorden van die naamloze joodse schlemiel, die tweeduizend jaar later zou verzuchten dat het zijns inziens hoog tijd werd dat God eens een ander volk tot het uitverkorene uit zou roepen.
MOZES’ HANDEL en wandel is, zoals te verwachten was bij een figuur van zijn statuur, duizendvoudig door kunst en cultuur gedocumenteerd. Tintoretto liet zien (derde kwart zestiende eeuw) hoe hij door farao’s dochter uit de Nijl werd gevist. Ernst Fuchs schilderde een eigentijdse (1956) versie van het brandende braambos dat Mozes de opdracht gaf de ketenen van het joodse volk te verbreken. Vondel dramatiseerde de Verlossinge Israels uit Egypten (1612). Rossini zette de tocht door de Rode Zee op muziek (1818-1827). Schönberg schreef over hem de meest wijsgerige aller wijsgerige opera’s (1931-1951), met als hoogtepunt een orgiastische 'Dans om het Gouden Kalf’. Cecil B. De Mille verfilmde tot twee keer toe (1923 en 1951) de wijze waarop Israel uit zijn handen de Tien Geboden ontving. Rembrandt liet op zijn beurt zien (1659) hoe Mozes in zijn toorn de stenen tafelen verbrijzelde waarop God hoogstpersoonlijk die Tien Geboden had gegrift. Chagall tekende het moment dat Mozes, oud en vermoeid, zijn zegenende hand op het hoofd legde van Jozua, zijn opvolger. Rilke, tenslotte, schreef over Der Tod Moses een gedicht (1914-1915).
De meest gewaagde beschrijving van zijn levensloop stamt van Sigmund Freud - diens Der Mann Moses und die monotheïstische Religion (1939). Mozes, zegt Freud, was geen jood maar een Egyptenaar, de dienaar van een monotheïstische farao, wiens opvolger tot Mozes’ ongenoegen weer onmiddellijk het polytheïsme invoerde. Om het monotheïsme te redden wierp Mozes zich op als aanvoerder van de onderdrukte joodse minderheid die hij, dwalend door de woestijn, aan een onzichtbare, hardvochtige en alvermogende God onderwierp. Onmachtig deze abstracte gestrengheid het hoofd te bieden, werd Mozes - zegt Freud zonder een schijn van bewijs - door de joden om het leven gebracht en door een valse profeet vervangen. Tot uiteindelijk omstreeks zevenhonderd voor Christus profeten als Samuel, Hosea, Amos en Jeremia de joden, al donderprekend, weer met die oude, vertrouwde, moralistische God verzoenden, goeddeels ontdaan van het wraakzuchtige karakter waarmee Hij zich in de woestijn zo berucht had gemaakt.
Deze schets staat natuurlijk dwars op Mozes’ eigen bevindingen, zoals hij die zelf in de thora (joods) respectievelijk de Pentateuch (christelijk) heeft vastgelegd. Mozes is overigens, bijvoorbeeld in zijn beschrijving van de tien plagen van Egypte, een werkelijk smakelijk verteller. Maar soms verschraalt zijn stijl merkwaardigerwijze tot de dorheid van een woestijnplant en gaat de tekst gebukt onder een overkill aan namen en geslachtelijke tabellen, geschreven met de verregaande regelneverigheid van een overijverig hoofd personeelszaken. Boeiender, veel boeiender is Mozes’ zelfbeschrijving als wonderdoener-op-Gods-gezag.
Maar als God al bestaat, wonderen bestaan in elk geval niet. Het zijn, zegt de wetenschap, in het beste geval natuurverschijnselen met een rationele verklaring. Braambossen branden bijvoorbeeld niet uit zichzelf, behalve als het de dictamnus albus betreft, een heester die met oliehoudende kliertjes is overdekt, die de struik bij grote hitte kunnen doen ontvlammen. En is het water van de Rode Zee inderdaad geweken om Mozes en de zijnen vrije doortocht te verlenen? Nee, zegt de wetenschap, de Rode Zee is in werkelijkheid de 'schelf- of rietzee’ geweest, die bij laag water kon worden doorwaad. Wisten de joden, in die tijd nog typische plattelandsjongens, veel over de krachten van eb en vloed!
MOZES KON DIE als wonderen vermomde natuurverschijnselen goed gebruiken om het gezag van de monotheïstische God in de koppen van zijn medereizigers te hameren. Dat de joden de afgelopen drie millennia hun eigen tien plagen, van Babylonische ballingschap tot nationaal-socialistische massamoord, wisten te overleven, danken zij niet alleen aan Gods geboden, maar tevens aan een, door Mozes gedicteerde, verstandige levenswandel. Zij aten geen onreine rommel, waren matige drinkers, leefden vrij kuis en waren, tegen de antisemitische legende in, rein op hun lichaam. Het was Mozes die hun diëtistische en hygiënische voorschriften gaf. De Egyptische heersers smeerden hun wonden in met stront. Mozes wist beter. 'Gij zult buiten de legerplaats een plek hebben om u daarheen naar buiten te begeven’, leraarde hij (Deuteronomium 23:12,13). 'Gij zult bij uw uitrusting een schepje hebben om, wanneer gij buiten gaat zitten, daarmee een gat te graven en uw uitwerpselen weer te bedekken.’
Ondanks al die geboden en verboden, ondanks al die wonderen, ondanks het water uit de rots en het manna uit de hemel, bleven de joden merkwaardig wankelmoedig. Het leek wel of zij onmachtig waren te geloven dat zij werkelijk Gods uitverkoren volk waren. Er werd geklaagd en gekomplotteerd en meerdere keren moest God Zijn bliksem ter aarde zenden om een oproer te beteugelen.
Het dieptepunt was de geschiedenis met het Gouden Kalf. Men stelle zich voor: Mozes daalt de berg Sinaï af, de stenen tafelen met de Tien Geboden onder zijn arm. Daar ziet hij een dansende mensenmassa, twee verboden tegelijk schendend: het verbod gesneden beelden te vervaardigen en het gebod concurrerende goden te aanbidden. De straf die het volk werd opgelegd kon nauwelijks zwaarder zijn. Gods oorspronkelijke plan was Zijn volk in zegge en schrijve één dag naar het land Kanaän te brengen. Nu werden de Israelieten gedwongen veertig lange jaren door de woestijn te zwerven - en toen het Beloofde Land eindelijk in zicht kwam, was het voorrecht dit te mogen betreden exclusief aan de zonen en dochters gegund, want de zondaren zelve, hun vaders en moeders, waren inmiddels allemaal gestorven.
Alleen Mozes leefde nog. Maar ook hij was inmiddels, in verband met de een of andere pekelzonde, door Gods onbegrijpelijke toorn getroffen, zodat hem, alvorens te sterven, slechts een blik op het reisdoel was vergund. Hij stierf in stijl, op de top van de berg Nebo. Daar ging hij op de grond liggen, vouwde de handen en sloot de ogen. God kuste hem zwijgend op de mond en groef eigenhandig een graf, alvorens weer hemelwaarts te keren waar de jubelende serafijnen wachtten. Na de voorgeschreven rouwperiode trok het volk Israel de westelijke Jordaanoever over om vervolgens, met Gods zegen, de lokale bevolking tot de laatste man en vrouw af te slachten - waarmee al die ellende in feite begonnen is.