Groen

Mozes

Ik ging naar een tuin, de bazin was op vakantie. De wind kwam uit het noorden, het was ijzingwekkend helder. Het was er vreemd; leeg, eenzaam, met alle ramen en deuren van het huis dicht, zo her en der gordijnen toe. Het schuurtje was los en meteen viel me de kleine heggenschaar op, die staat gewoonlijk in een emmer in de keuken. Ook lag het plantenschepje er. Ik slaagde erin om uit opschot van een nogal zeldzame Pterostyrax vier stekken min of meer met wortels uit de grond en in plastic potten te krijgen. Omdat ik er nu toch was, en zag dat het gras over een week onmaaibaar hoog zou zijn, startte ik de grasmaaier en begon te maaien, nam daarbij ook het pad door het weiland mee - het pad dat uitsluitend bestaat doordat het gras kort wordt gehouden - tot aan het hek bij de weg. Daarna harkte ik het gras bij elkaar. Het was stil, er stond niet zoals gewoonlijk het altijd volle glas sinaasappellimonade, er lagen geen zoute koekjes op een schoteltje, niemand riep: ‘Hoehoe!’ Het zwanennest op het weiland langs de windsingel was leeg, geen eieren, geen vogels. De pioenrozen begonnen te bloeien, zag ik, een paar papavers hielden het al voor gezien. Ik hoorde geluiden die ik anders nooit hoorde, soms was het of er iemand in het tuinschuurtje was. Een buurvrouw hield me scherp in de gaten, de herdershond van verderop sloeg aan. Deze tuin bestond eigenlijk niet zonder bazin.
Na een paar uur ruimde ik alles op, stopte de potten met nu al slappe Pterostyrax-stekken in een plastic zak. Ik fietste naar een ander dorp, aan de IJsselmeerdijk. In buigzaam schapengaas langs een sloot hing een zwaan, twee ijzeren paaltjes waren opzij gezakt. Hij had niet beseft achteruit te kunnen, had doorgedrukt, paaltjes en gaas waren gekanteld en hij was uiteindelijk verdronken, waarschijnlijk na urenlang zijn kop boven water gehouden te hebben. In het andere dorp wachtte Mozes, de wonderlieve draadharige Duitse staander met zijn karamelbruine ogen. Ik ging op de dijk liggen. Hij lag naast me, tegen me aan, en jankte zachtjes.