Zij schrok. ‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, neuk je soms met de een of andere voetballer? Of desnoods met een tv-persoonlijkheid?’
‘Natuurlijk niet, beer, hoe kom je erbij?’
‘Godverdomme, muisje’, foeterde ik, ‘ben je me werkelijk nooit ontrouw geweest in al die nachten dat ik boven m'n microscoop gebogen stond?’ ‘En jij dan?’ vroeg zij, enigszins geprikkeld. ‘Je wilt toch niet beweren dat jij vreemdgaat?’
Nu werd ik pas echt nijdig. ‘Wat gaan we nou krijgen?’ sprak ik. ‘Ik die zeventig uur per week in m'n laboratorium doorbreng? Moet ik in m'n schaarse vrije tijd soms nog voor de schandalen gaan zorgen? Wie zit er op de tennisclub, jij of ik? Wie bridgt er drie avonden per week? Wie laat elke morgen de hond uit? Kan je nu werkelijk niets anders dan trouw zijn?’
Zij aarzelde. ‘Er is misschien iets’, zei zij. ‘Gek dat we er eigenlijk nooit over hebben gesproken.’ Ze begon te snikken. ‘Dat we geen kinderen kunnen krijgen, is niet alleen jouw fout. Ik ben namelijk eigenlijk geen Marjan, maar een Jan. Twee jaar voor ons huwelijk ben ik onder het mes geweest.’
Ach, de schat! Ik sloeg mijn arm om haar heen en fluisterde: ‘Muisje, bedaar. Laten wij van een olifant geen mug maken.’