Essay: Het universum van W.F. Hermans

Muizenhol

Voor Willem Frederik Hermans is de mensenwereld een wanorde, waar geen communicatie mogelijk is, een sadistisch universum waarin je altijd bedrogen uitkomt. Alles is gedoemd te mislukken. Haat en wraak zijn de middelen waarmee je je kunt afschermen tegen én contact kunt leggen met de wereld.

Ontredderd
Een schrijver van romans, aldus Hermans, heeft veel weg van een filosoof: hij ontwerpt een wereldbeeld dat volstrekt persoonlijk is. Dit perspectief op het universum is zinloos — verifieerbare uitspraken erover zijn onmogelijk — maar ook onmisbaar. Zonder dit kompas raakt iedereen, dus ook een auteur, de weg kwijt in de chaos der dingen. Het is een instrument dat houvast geeft, ook al berust het op niet meer dan illusies: men maakt zichzelf wijs te weten hoe de wereld in elkaar zit. In het wereldbeeld van Hermans is de mens een wezen dat ten prooi is aan ontreddering, nauwelijks in staat contact te maken met zijn medemensen. In een interview vertelt de schrijver over een lugubere droom die voor zijn eigen gevoel een metafoor biedt voor zijn kijk op het bestaan. Hij loopt door de kelder van een hoog huis. Het is er donker en nat, de muren zijn smerig, er druipt een mengsel van water en stront af. De modder waar hij doorheen moet waden reikt tot aan zijn enkels. Contact met mensen is er niet. De bevrijding komt als hij een lokaal bereikt waar alleen wc-potten en urinoirs staan.
Hermans is ervan overtuigd dat mensen langs elkaar heen leven, elkaar niet kunnen verstaan, onmachtig zijn om hun isolement te doorbreken. Communicatie is onmogelijk: «Ik geloof dat de hele wereld, veel sterker dan men beseft, uiteenvalt in individuen die elkaar niet kunnen begrijpen. Het misverstand heeft het hoogste woord.» De mensenwereld is een wanorde, een ruimte zonder plattegrond en zonder spelregels. Het is een sadistisch universum dat niet alleen aan misverstanden is overgeleverd, maar ook aan illusies die de munitie leveren voor een voortdurende ontgoocheling.
Altijd komt men bedrogen uit. Alles is gedoemd te mislukken. De mens is geboren voor het ongeluk. De enige troost bestaat uit de gedachte dat gelukkig zijn niet alleen voor jezelf onmogelijk is, maar klaarblijkelijk ook de krachten van anderen te boven gaat, dat je niet de enige bent wie het niet lukt. De mens is der ewig Betrogene des Universums, zegt Qvigstadt, die behoort tot het gezelschap dat in Nooit meer slapen met Alfred Issendorf door Lapland trekt. En hij voegt eraan toe: «Op de school van de schepper zakt ook de knapste scholier altijd weer voor zijn eindexamen.»
Liefde en aanhankelijkheid kunnen alleen bestaan als je bereid bent te vergeten dat je wordt bedrogen. Affectie gaat in het werk van Hermans vooral uit naar apparaten, zelden naar mensen. Hij is dol op machines. Vooral fototoestellen en typemachines wekken zijn enthousiasme en genegenheid. «Mijn grootste ongeluk», zegt de hoofdpersoon van het verhaal «Preambule», «is dat ik niet als machine ter wereld gekomen ben…» Apparaten dwingen respect af, hebben vaak een functionele en zelfs emotionele betekenis waarop mensen geen aanspraak kunnen maken. Niet Osewoudt, maar de Leica waarmee een foto van Dorbeck is gemaakt, lijkt de eigenlijke hoofdfiguur te zijn van De donkere kamer van Damokles. Als jongetje put Hermans grote troost uit het bouwen van een elektriseermachine, een passievolle ervaring die hij tot leven wekt in het autobiografische verhaal «De elektriseermachine van Wimshurst». In de roman Een heilige van de horlogerie is het functioneren en opdraaien van klokken het hoofdonderwerp. Dit late werk, verschenen in 1987, heeft een toon en een stemming die van een bijna on-hermansiaanse weemoed en affectie blijk geven.
Talrijk zijn de verklaringen van mensen die na een ontmoeting met Hermans met verbazing laten weten dat hij zo beleefd was en zo zijn best deed om aardig te zijn. Maar de overheersende indruk is toch meestal die van een onhandig, steil en geremd individu. Iemand die zijn best doet om op z’n gemak te lijken. Meer geïnteresseerd ook in zijn eigen monoloog dan in een gesprek. Gestoord contact, schrijft Adriaan van der Veen, hoorde op de een of andere manier bij de persoonlijkheid van Hermans. Ook de dwangvoorstelling dat zaken mis moeten gaan, paste bij zijn karakter. Dat de dingen naar wens kunnen verlopen, is een veronderstelling die niet past bij zijn karakter. Er hing een soort droefheid en vervreemding om hem heen, «iets van koud neonlicht, van trieste late avonden met de lucht van as en omgegooid bier». Niet een mens die een gelukkige indruk maakte. Die stemming is ook in zijn werk prominent aanwezig. Mijn geluk, verzucht Richard Simmillion in «Dood en weggeraakt», bestaat vooral uit het bedenken van ongelukken waarvoor ik gespaard ben gebleven.
Zijn behoefte aan dit soort verzinsels wordt ingegeven door zijn onvermogen met andere mensen te verkeren. Dezelfde Simmillion vertelt in «Het grote medelijden» dat hij minachting voelt voor zijn verlangen naar contact met andere mensen. Bij ontmoetingen is hij bezeten van het idee: hoe kom ik zo snel mogelijk van hem of haar af ? Al snel ontdekt hij een probaat middel om dat doel te bereiken: het spuien van beledigingen en hatelijkheden. Haat wordt voor hem het instrument om met zijn omgeving te communiceren. Het is de enige manier om zijn verlegenheid te overwinnen. Niet alleen als hij mensen ontmoet, maar ook als hij over mensen schrijft. Makkelijk is deze taak niet. «Ik ben alleen mijn eigen bondgenoot», zegt hij in «Het grote medelijden»: «en niet eens door dik en dun.» Zijn verlegenheid is te groot. Zelfs als hij alleen aan zijn bureau zit, schrijft hij niet de helft op van wat hij te zeggen heeft, uit verlegenheid.
«Ik zal wel cynisch moeten blijven», meent Arthur Muttah in De tranen der acacia’s. Er zit niets anders op. Haat en wraak zijn de middelen waarmee je je kan afschermen tegen én contact kan leggen met de wereld. Die houding is voor de persoon én voor de schrijver Hermans een middel om te overleven. Hella Haasse, die Hermans persoonlijk goed kende, heeft opgemerkt dat als je een auteur goed leest, je hem eigenlijk niet meer hoeft te ontmoeten. Zij wist dat dit voor haar vriend Hermans mogelijk nog meer opging dan voor andere schrijvers. De opvattingen van zijn personages, de strekking van zijn belangrijkste romans, zijn denkbeelden als essayist, zijn verklaringen in interviews en de indrukken die hij in gezelschap achterliet, wijken nauwelijks van elkaar af. Schrijven, dat is voor Hermans niets anders dan het blootleggen van zijn eigen karakter en dat karakter wordt beheerst door een nooit wijkend gevoel van ontreddering. Zijn wereldbeeld is een mythologie waarvan zijn eigen aard de spil is.

Demon
Wantrouwen en achterdocht roepen bij Hermans rancune en wraakzucht op. «De mensen zijn het», zo citeert hij Céline instemmend, «het zijn de mensen voor wie je moet oppassen, altijd, overal.» Zij verdienen niet anders dan minachting en haat. De waarheid zeggen, dat betekent voor Hermans in de eerste plaats: de mensen haten. Je wreekt je altijd, denkt Arthur Muttah in De tranen der acacia’s, alleen meestal niet op de personen die schuldig zijn. Maar dat is ook niet nodig want tenslotte is iedereen schuldig. Iedereen behoort tot de wereld die hem isoleert en buitensluit. Daarom is de behoefte aan wraak zo diep, redeloos en onbeheersbaar dat zij grenst aan zelfdestructie. «Ik haat Mikkelsen op dit ogenblik zo ontzettend», denkt Alfred Issendorf in Nooit meer slapen over een van zijn reisgenoten, «dat ik bijna geen adem kan halen.»
Rancune is voor Hermans de motor van een schrijverschap waarin de bestrijding van vijanden als levensbehoefte en artistieke noodzaak samenvallen. Het literaire universum van Hermans, schrijft criticus Arnold Heumakers, wordt gedomineerd door een metafysica van de strijd. Vijf jaar voor zijn dood wordt Hermans in een interview gevraagd of hij er genoegen in schept kwaad te worden gemaakt. Hij ontkent, maar «…er gebeuren eenvoudig dingen waarbij ik niet kan zwijgen: dan wil mijn demon dat ik mijn stem verhef». Die dingen doen zich aan de lopende band voor en dus moet hij voortdurend deze duivel via zijn pen laten spreken. Want als hij niet schrijft, vertelt hij, dan voelt hij zich nerveus en depressief. Schrijven, dat wil zeggen met woorden strijd leveren en haat spuien, heeft voor hem — in zijn eigen woorden — het karakter van een heroïneverslaving. De vraag die hem als geen ander tot vertwijfeling kan brengen is: waarom schrijft U? Als hem die vraag tijdens een bijeenkomst wordt gesteld, heeft hij de grootste moeite zich te beheersen. Het is duidelijk wat hij het liefste zou hebben gedaan om blijk te geven van zijn weerzin: «de microfoon door de zaal keilen, het podium in elkaar trappen, de hele sprekersinstallatie afbreken.»
Het schrijverschap is voor Hermans niet alleen het instrument om zijn talent te ontplooien, maar ook een middel om zijn karakter te ontladen. Hij noemt zichzelf het soort schrijver dat altijd hetzelfde boek schrijft. Helemaal waar is dat niet, want hij beoefent ook het fantastische en surrealistische genre (Conserve, De God Denkbaar, Het evangelie van O. Dapper Dapper), waarin de rancune als motief nauwelijks een rol speelt. Zelf is hij erg gesteld op deze boeken, waarschijnlijk mede omdat ze voor hem het bewijs zijn dat hij in staat was een on-Nederlands genre te beoefenen. Maar zijn beste werken zijn het zeker niet: de echte, dat wil zeggen de wraakzuchtige en strijdlustige Hermans is in deze boeken te veel afwezig.
Dat geldt ook voor zijn twee laatste romans Een heilige van de horlogerie en Au pair. De schrijver koestert voor de vrouwenfiguren Louise Brooks en Paulina een genegenheid die hem slecht lijkt te liggen en de twee vrouwen zijn dan ook geen overtuigende personages. In deze romans overheerst een milde stemming die de indruk wekt dat de schrijver heeft geprobeerd zijn eigen karakter te trotseren. Hoe vriendelijker de auteur Hermans wordt, hoe minder venijn er in zijn proza zit, des te minder raakt hij literair op dreef. Oek de Jong heeft Hermans een tekort aan wijsheid en te weinig gevoel voor betrekkelijkheid verweten. Maar dat verwijt staat gelijk aan de eis tot zelfverloochening. Het houdt de wens in dat de auteur zichzelf ontrouw had moeten zijn.
Gelukkig komt Hermans in zijn werk zelden aan het verlangen van De Jong tegemoet. Hermans houdt zich aan de richtlijn dat een schrijver het instrument moet bespelen dat hij het beste beheerst en dat is bij hem het instrument van de wrok. Zijn alter ego Richard Simmillion beseft dit als geen ander: «Ik heb geschreven om wraak te nemen… Soms ook schrijf ik zonder het gevoel mij te wreken, maar dat is lang zo genotvol niet.»
De bron van Hermans’ wraakzucht ligt in zijn kindertijd. De herinnering aan wat hij tijdens zijn jeugdjaren meemaakt, is een zware belasting. Als hij al een beroemd schrijver is, in 1970, vertelt Hermans dat hij zich nog dagelijks een ontmoedigd man voelt. Het idee te worden miskend, niet begrepen, heeft te lange wortels. Het blijft overheersen en heeft het karakter van een obsessie: het kan nooit goed zijn of komen. Op de vraag hoe dat toch mogelijk is, terwijl hij als schrijver inmiddels zoveel waardering krijgt, luidt het antwoord: «Ik heb meestal het gevoel dat ik helemaal niemand ben. En dat is geen valse bescheidenheid.»
Hij lijkt oud te zijn geboren, constateren een paar vrienden (Morriën en Ho¾and) die later worden afgewezen. Zelf verklaart Hermans dat hij al jong wist hoe weinig het ouder worden hem zou bijleren, in tegenstelling tot wat zijn ouders hem altijd voorhielden. Zijn ervaringen tijdens de bezettingstijd zijn niet de oorzaak maar leveren slechts de bevestiging van zijn overtuiging in een desolaat en sadistisch universum te leven. De oorsprong van dit denkbeeld ligt in zijn jeugd. Jeugd en oorlog zijn als ijkpunt van zijn wereldbeeld niet van elkaar los te maken. Ze zijn deel van een continuüm aan indrukken die zijn kijk op het universum bepalen.
De diepe kwetsuren die Hermans tijdens zijn opvoeding oploopt zijn een steeds terugkerend thema, niet alleen in zijn werk, maar ook in de interviews die hij geeft. Fictie en werkelijkheid liggen ook bij dit onderwerp dicht tegen elkaar aan. In het verhaal «Dood en weggeraakt» (De laatste roker), geschreven als hij bijna zestig jaar oud is, zegt Hermans: «Nog altijd maakt een stille blijheid zich van mij meester als ik ’s zondagsochtends de gordijnen opentrek en mag vaststellen dat de lucht zwaarbewolkt is, een stortbui elk ogenblik naar beneden kan komen.» De reden van deze vreugde? Deze weersomstandigheden hadden vroeger een verlossende betekenis: hij hoefde dan niet met zijn ouders en zijn zusje in het Vondelpark te wandelen. Ze zijn nu alle drie dood en kunnen hem niet meer voorschrijven hoe hij zich moet gedragen, «zelfs de hemel heeft niets meer te vertellen over wat ik doen en laten moet», maar vergeten hoe ongelukkig ze hem hebben gemaakt, dat kan hij niet.
Ook in vraaggesprekken en in zijn Fotobiografie maakt Hermans er geen geheim van dat zijn jeugd voor hem een droevige periode is geweest. Vader Hermans, gesteund door vrouw en dochter Corrie, drijft hem steeds in het nauw. Deze klassieke huistiran is een driftige man die er in zijn razernij ¾ink op los kan meppen als de kleine Wim niet gezeglijk genoeg is, wat vaak gebeurt. Volgens zijn eigen herinnering is Willem Frederik het tegendeel van een opstandig jongetje, maar is het zijn vader die tegen hem rebelleert, omdat hij het nooit goed doet. «Ik, niet minder opvliegend», schrijft hij in «Dood en weggeraakt», «droomde soms dat ik hem vermoordde.»
In Ik heb altijd gelijk stelt Lodewijk Stegman zich voor, terugdenkend aan zijn jeugd, dat er in het ouderlijk huis een brand uitbreekt die hij als eerste ontdekt. Hij waarschuwt onmiddellijk zijn ouders. De reactie kan hij raden: heb jij niets beters te doen? «Wij zullen eens afwachten met wat voor meisje jij voor de dag komt!» krijgt hij van zijn vader te horen: «Het zal wel weer niet veel bijzonders wezen, zoals alles waar jij kouwe drukte over maakt.» In het ouderlijk huis aan de Brederodestraat en (sinds 1929) de Eerste Helmersstraat in Amsterdam Oud-West moet veel en kan bijna niets. Veel dingen mag hij niet weten, vaak krijgt hij te horen dat hij er niets mee te maken heeft. De kleinste kleinigheden blijven voor hem de grootste geheimen. Nooit hebben zijn ouders belangstelling voor wat er in hem omgaat en wat hij leuk vindt. Altijd wordt hem de vraag voorgehouden waarom hij niet iets nuttigs doet. Vooral gebeurt dat als hij eenmaal naar school gaat. De niet a¾atende pogingen van zijn vader om hem op te zwepen tot grootse prestaties hebben niet het gewenste resultaat. Want ook in de schoolse omgeving voelt hij zich in de verdrukking en kan hij niet beantwoorden aan de hoge verwachtingen.
In het verhaal «De elektriseermachine van Wimshurst» (Een wonderkind of een total loss), dat volgens zijn eigen mededeling volledig autobiografisch is, zegt de hoofdpersoon: «…toen ik de leeftijd van zes jaar bereikt had … kwam ik in aanraking met de massieve solidariteit van de dommen en de aanraking werd een botsing.» De familie Hermans woont aan de rand van een proletariërsbuurt en de Lagere School van Wim, in de Pieter Langendijkstraat, wordt vooral bevolkt door arbeiderskinderen. Zij maakten deze onderwijzerszoon, die beter gekleed gaat en beter bespraakt is dan zij, tot doelwit van pesterijen. Op die school wordt voor hem bevestigd, vertelt Hermans later, wat hij thuis al eerder heeft ervaren: mensen zijn sadisten die er genoegen in scheppen iemand om niets te kwellen. Waarom, vraagt hij zich nog een jaar voor zijn dood hardop af, hebben zijn ouders hem naar die vreselijke school gestuurd? Het was er vies en de kinderen stonken, wat zijn vader en moeder wisten. Er waren in de buurt betere scholen, maar daarmee werd geen rekening gehouden. Deze school was dicht bij huis: «dan kon Wim geen ongeluk overkomen, begrijp je, dan kon Wim niet onder een auto lopen».
Als hij na de Lagere School naar het Barlaeusgymnasium wordt gestuurd, waar Corrie inmiddels in de vierde klas zit, komt hij in het andere uiterste terecht, namelijk tussen kinderen van rijkere ouders uit betere buurten. Ook daar voelt hij zich niet op zijn gemak. Het kiemende gevoel dat hij ongewoon begaafd is, maakt het mentale isolement alleen maar groter. Hij voelt zich miskend, net als zijn voorbeeld Multatuli, wiens werk hij in deze periode leert kennen. In de derde klas blijft hij zitten. Thuis komt hem die doublure op het verwijt te staan dat hij zwaar achterblijft bij zijn zus, die beter haar best doet en al met haar rechtenstudie is begonnen als hij voor de tweede maal de derde klas doet.
«Altijd alleen, zelfs toen ik het woord alleen nog niet kende», zegt Richard Simmillion in «Het grote medelijden». School en familie stonden hem soms zo tegen, schrijft Hermans in zijn Fotobiografie, dat hij in zijn jeugd weleens verlangt naar het ziekenhuis, waar ze waarschijnlijk een beetje aardiger tegen hem zouden zijn. Steeds maar het gevoel hebben dat iedereen tegen je is: het maakt hem in zijn jeugd angstig en gedwee. De obsessieve wil om zijn isolement te doorbreken door te haten en wraak te nemen komt pas later.
Hoe je moet omgaan met mensen, dat wordt Willem Frederik Hermans thuis niet bijgebracht. En als je dat niet jong leert, zo weet hij, dan lukt het nooit meer, dan blijf je altijd geïsoleerd.
Dan voel je je eenzaam en ongelukkig, vooral als anderen je in het middelpunt van de aandacht plaatsen. «Iemand die mij gelukwenst», zegt Richard Simmillion in «Dood en weggeraakt», «weet niet hoeveel groter genoegen hij mij zou doen door ter plekke dood te vallen.» Meer dan eens verklaart Hermans dat hij zich van nature in gezelschap verlegen en nerveus voelt en zich met zijn figuur geen raad weet. In zijn ouderlijk huis heeft hij steeds de indruk een indringer te zijn, iemand die ongewenst is. Precies zo voelt hij zich als volwassene in Nederland.

Ronald Havenaar
Muizenhol: Nederland volgens Willem Frederik Hermans
Uitg. G.A. van Oorschot, 213 blz., € 19,-
Verschijnt 25 april 2003