Mul-ti-cul…

Het gebeurde op een ochtend. Onaangekondigd, zonder duidelijke aanleiding. Misschien kwam het door iets wat ik gegeten had, de vorige dag? Te veel gedronken? Griep op komst? Hoe dan ook: ik kreeg het woord niet meer over m'n lippen. Multicultureel.

En alle variaties: multiculturalisme, multiculturaliteit. Erger, zelfs aanverwante begrippen lukten niet meer: minderheden, minderhedenproblematiek, allochtonen, migranten, Turken, Marokkanen, Surinamers. Ook asielzoeker lukte niet meer. Laat staan racisme, discriminatie, achterstelling. Helemaal onmogelijk was culturele identiteit. Levensgevaarlijk voor mijn beroep als commentator minderhedenkwesties. Als er iets bijzonders was met Marokkaanse relschoppers in Amsterdam, met Turkse fundamentalisten, aanslagen op een moskee, Surinamers die klaagden over een glazen plafond, ik werd meteen geraadpleegd. Gevraagd voor een radiogesprek, of om een artikel in een blad. Zelfs als er niets bijzonders was, werd ik gevraagd voor spreekbeurten. Ik trok naar Groningen, Nijmegen en Antwerpen en vertelde de plaatselijke bevolking over minderhedenbeleid en integratie. Eerste generatie, tweede generatie, sociale mobiliteit, criminaliteit. Na de pauze beantwoordde ik vragen over hoofddoekjes, moslimhomo’s en vrouwenbesnijdenis. Ik was zeer gevraagd omdat ik - dacht ik althans - behoorlijk kritisch uit de hoek kwam. Ironisch soms, een klap uitdelend naar de allochtonen, de autochtonen of de overheid; het kostte me totaal geen moeite. Altijd wist ik verbazing te wekken. Ook kon ik onverwacht sentimenteel worden en vertellen over mijn jeugd in het verre Paramaribo. Over mijn gescheiden ouders, mijn brahmaanse achtergrond en mijn zwarte vriendje Emile. Dan kwamen na afloop oude dames naar me toe om te vertellen dat ze soortgelijke ervaringen hadden, terwijl ik snakte naar een glaasje bier. Maar ineens was het afgelopen. Wat ik ook deed, voor de spiegel staan en langzaam in lettergrepen, ik kwam niet verder dan mul-ti-cul… Er zat een politieagent in mijn hoofd en die censureerde de begrippen. Ze waren uit, begreep ik. Niet meer in de mode. Met een schok werd het me duidelijk: wie het woord ‘multicultureel’ in de mond neemt, gaat zijn omgeving vervelen. Ik wilde niet vervelen. Ik wilde niet saai zijn. Ik wilde spannende verhalen vertellen, boeien, vermaken, een beetje opvoeden en ontwikkelen ook. Maar ik had het moeten zien aankomen, ik had aan mijn publiek moeten merken dat het over was. Vroeger sprak ik in de Balie en de Rode Hoed in Amsterdam en waren de zalen vol jonge mensen. Nu sprak ik in dorpen en verre steden en zag ik alleen mensen zitten die de oorlog nog hadden meegemaakt. Vroeger werd ik na afloop omringd door hittepetitten die meer van me wilden weten. Nu kwam de organisator van de bijeenkomst naar me toe met een formulier voor de kostendeclaratie. WAT WAS ER in hemelsnaam gebeurd? Waarom was ik ineens niet meer in, waarom wilde niemand meer horen over mijn standaardonderwerpen? Was het minderhedenprobleem overnight opgelost? Waren er geen onaangepaste Antilliaanse tasjesdieven meer in de stad? Was het overheidsbeleid gelukt? Was iedereen geïntegreerd, de islam geaccepteerd? Nee. Het lag anders. De spraakmakende gemeente had haar belangstelling verloren. Het was alsof plotseling ergens was gezegd: laten we het over iets anders hebben. En daar stond ik dan, met een onderwerp dat uit de tijd was. Zoals de autoverkoper die een Lada aan de man wil brengen. Het heeft even geduurd voor ik in de gaten kreeg wat er gebeurd was. Ik hield vol, sprak enthousiast met oudjes en Belgen (in België was het nog nieuw en fris), maar ik begon onraad te ruiken. En op die ochtend; mul-ti-cul… ik kreeg het niet meer over m'n lippen. Waarom? Stemming en interesse slaan niet zomaar om. Men krijgt niet zomaar genoeg van maatschappelijk-probleem-nummero-één. Er speelde nog iets anders op de achtergrond. De spraakmakende gemeente, de bewoners van de grachtengordel, de columnisten en schrijvers en kunstenaars, de culturele elite zogezegd, was het onderwerp saai gaan vinden. Nee, laat ik preciezer zijn: men vond de verhalen zoals ik die vertelde te braaf. Wat op het platteland nog doorging voor een kritische uithaal of een ironische tik, was de elite te mild. Het is als met drank: eerst heb je genoeg aan twee whisky’s, daarna is een fles nog niet genoeg. Men wilde meer en harder, en ik bleef, hoe zegt men dat: soft. Dat wil zeggen: vroeger was ik het die fel en hard overkwam, mijn eerste stukken over minderheden wekten alom verbazing, iedereen schrok van de kritiek en de onbarmhartige toon. Ik had de tijdgeest bij de lurven, deinde moeiteloos naar de top en werd een veelgevraagde essayist, columnist, spreekbeurthouder. Maar ik was stiekem ingehaald. Terwijl ik me in kleine, op de normale wegenkaart onvindbare dorpjes uitsloofde, was de sfeer in de stad veel grimmiger geworden. Er waren mensen die openlijk scholden, nog harder beukten tegen de allochtonen, paki-bashing in woorden - mensen als Bolkestein, Gerry van der List, Pim Fortuyn en Theo van Gogh. En toen ik terugkwam in de stad hoorde ik het oordeel: ik was te politiek correct. Ik hield rekening met moslimmeisjes die een hoofddoek leuk vonden, ik had begrip voor Marokkaanse jongens die teleurgesteld waren in hun vaders. Dat was politiek correct, en de elite had behoefte aan incorrect. IK HEB LANG zitten piekeren over dat begrip: politiek correct. Vroeger betekende het heel iets anders. Het betekende dat je de gevoeligheden van anderen respecteerde. Als ze een naam niet leuk vonden, gebruikte je de naam die ze wel leuk vonden. Zoiets. Politiek correct was volgens mij ook: conform de regels van goed fatsoen. Maar politiek correct bleek in de stad heel iets anders te betekenen. Het betekende dat je belangstelling had voor die vreemde mensen, de minderheden. Het betekende dat je hun problemen serieus nam, dat je voor hen opkwam. Het betekende dat je in het algemeen begaan was met het lot van de zwaksten: niet alleen allochtonen maar ook vluchtelingen, daklozen, alleenstaande moeders, bejaarden en mensen zonder werk. Politiek-correcten werden verdacht van sociale sympathieën, en het leverde nu geen solidariteit meer op, geen gezamenlijk gebalde vuist, maar een hand voor de mond vanwege de geeuw. Niet dat de culturele elite ineens asociaal was geworden, of harteloos, dat zou een valse beschuldiging zijn. Men wilde andere verhalen horen. Verhalen die niet gingen over groepen, klassen, maatschappelijke categorieën, maar over mensen, individuen, persoonlijkheden. Je moest 'het probleem’ navoelbaar maken met een verhaal dat klonk als een roman. Men wilde niet alleen over de ellende horen, maar ook geamuseerd worden. De sociologische verhalen waren niet langer amusant. En dat lag niet aan die sociologische verhalen, en ook niet aan de vertellers. Het lag aan de luisteraars en de lezers: ze wilden nu eindelijk iets anders. Een bepaald genre had zijn beste tijd gehad. U ZIET dat ik begrip probeer te hebben voor de smaak van de elite. Dat moest ook wel. Na mijn veroordeling tot politiek correcte spreker/schrijver duurde het een tijd voor ik de gevolgen had begrepen. En toen ik het begreep heb ik de veroordeling ook helemaal geïnternaliseerd. Ik kreeg een politieagent in mijn hoofd die mij verbood om de verkeerde woorden te gebuiken: mul-ti-cul… Ik doe het nu anders, beoefen een ander vak, omscholing heet dat officieel. Ik wil geen termen gebruiken die de verdenking met zich brengen dat ik nog steeds politiek correct ben. Maar het duurt even voor ze het in de gaten hebben. De veroordeling is levenslang, en je moet heel veel jaren blijkgeven van goed gedrag om vrij te komen. Het andere alternatief zou zijn dat je ineens van gedachten verandert en keiharde incorrecte taal uitslaat. If you can’t beat them, join them. Dat zou ik geprobeerd hebben, als ik de garantie had dat die mode lang zou duren. Maar ik ben bang dat die ook gauw over zal zijn. Mensen als Theo van Gogh krijgen nu misschien de lachers op hun hand, maar over een jaar of twee is hij een dinosaurus, vermoed ik. Als hij dan aan de bar stevige verhalen vertelt over die geiteneukers, zal hij merken hoe de hand van zijn toehoorder naar de mond gaat. U ZIET DAT ik niet alleen begrip heb voor de smaak van de elite: ik ben het eigenlijk met haar eens. Ge zult uw medemens niet vervelen. Als het onderwerp vervelend wordt, ligt het zelden aan het onderwerp zelf. Het ligt aan de mensen die erover beginnen. Die de oude woorden gebruiken, woorden die versleten zijn en geen betekenis meer hebben. Ik ben nog steeds begaan met het lot van de al-loch-to… maar ik gebruik dat woord liever niet. Ik doe nu ontzettend mijn best om de mensen een naam te geven, een gezicht, een persoonlijkheid. Dat werkt. Dat zal altijd werken.