Mullah Omar, 1950-1962 – 23 april 2013

Anders dan het Westen altijd beweerde, was Mullah Omar niet antiwesters en steunde hij Osama bin Laden niet. Volgens Bette Dam, gewezen journalist in Kabul en bezig aan een biografie van Mullah Omar, werd de Taliban-leider gedemoniseerd.

Toen ik begon aan een biografie over de Taliban-leider Mullah Omar verklaarden mijn media-collega’s in Kabul me voor gek. ‘Hij schiet je dood als hij je ziet’, zei de Wall Street Journal-verslaggever. Natuurlijk was ik bang. Het Amerikaanse leger en veel media bleven maar schrijven hoe gevaarlijk Mullah Omar wel niet was. Hij was zoals Osama bin Laden. Beiden waren ’s werelds ‘most wanted’ terroristen. Maar door gesprekken met zijn oud-collega’s, zijn familie en politiek leiders in Doha en Karachi kwam ik er al snel achter dat Mullah Omar niet de vijand was zoals wij dachten in het Westen. Sterker, het Amerikaanse leger had hem gedemoniseerd om hun war on terror voort te zetten.

Uit mijn onderzoek komt een laagopgeleide prediker naar voren die het beste voor had met Afghanistan. Toen Mullah Omar in 1994 de macht greep was hij al tegen de internationale jihad van Osama bin Laden. Hij had sowieso niet veel op met buitenlandpolitiek, maar leidde vooral een Afghaanse beweging met een nationale agenda. Het was zijn doel om met de steun van God en strenge islamitische regels, zoals het stenigen van vrouwen, Afghanistan weer op te bouwen na een lange tijd van burgeroorlog.

Ook al klinkt dat nu gek, Mullah Omar hoopte eigenlijk dat de VS hem zouden helpen bij deze zware klus. Hij vroeg ze een oliepijplijn aan te leggen, wat de economie goed zou doen. Ook vroeg hij de Amerikanen een ambassade te openen in Kabul. Toen hij merkte dat Bin Laden de samenwerking met de VS in de weg stond, bood hij drie keer aan om hem te helpen berechten. Maar de uitlevering van Bin Laden mislukte doordat de verhouding tussen Mullah Omar en Amerika verslechterde. Zeker toen de Verenigde Naties hem in 1997 weigerden te erkennen als leider van Afghanistan, knapte er iets in hem. Mullah Omar had op dat moment 95 procent van het land onder controle.

De reden waarom Osama bin Laden in Afghanistan mocht blijven had dan ook niets met ideologie of antiwesters sentiment te maken. Cultuurverschil en gekrenkte ego’s resulteerden in steeds groter wordende misverstanden tussen het Westen en Mullah Omar. Op zeker moment had Mullah Omar alle vertrouwen in de VS verloren en verweet hij de Amerikaanse diplomaten dat ze de dreiging van Bin Laden verzonnen om hem bewust zwart te maken. Ondertussen realiseerde de veel slimmere Bin Laden zich goed dat Mullah Omar hem eigenlijk niet wilde. Hij liet zijn volgelingen en zijn zoon Omar bin Laden weten dat ze hun mond moesten houden over zijn activiteiten tegenover Mullah Omar. Zeker zijn masterplan ‘9/11’ moest geheim blijven.

Mullah Omar hoopte dat de VS hem zouden helpen

Na 9/11 viel Amerika Afghanistan binnen. Veel prominente Taliban waren het niet eens met Mullah Omars beslissing om Bin Laden niet uit te leveren. Zijn collega’s verweten Mullah Omar dat hij Afghanistan slachtofferde voor de Arabier. Maar toen Afghanistan bijna viel, in december 2001, sloot Mullah Omar toch een deal met de nieuwe president Hamid Karzai. Hij gaf toestemming aan de overgebleven Taliban om zich ook over te geven. Karzai zei op 6 december 2001 dan ook tegen The New York Times: ‘Mullah Omar mag gaan in waardigheid.’ De Arabieren van Bin Laden daarentegen moesten achter slot en grendel. Voor Karzai was de oorlog over, zei hij in een interview tegen mij. ‘De Taliban zijn Afghanen en hebben een Afghaanse agenda. Ze mogen weer meedoen.’

Maar de toenmalige Amerikaanse minister van Defensie, Donald Rumsfeld, eiste nog diezelfde dag dat Karzai zijn interview terugtrok. De Taliban zijn onze vijand, liet hij Karzai weten, net als al-Qaeda. ‘Ze zijn hetzelfde’, had cia-baas Leon Panetta hem verteld. Door de Taliban-overgave was de reden voor oorlog eigenlijk komen te vervallen. De Taliban zaten thuis, zonder wapens. Toch vloog Rumsfeld meer troepen in. De Amerikaanse soldaten joegen toch op Taliban-families, trapten deuren in en creëerden een vijand, in plaats van die uit te schakelen.

Ook de nieuwe gouverneurs, vaak warlords die in de burgeroorlog actief waren geweest, misbruikten de buitenlandse troepen. Schooltjes werden plat gebulldozerd omdat het opbouwproject niet werd gegund aan een rivaal. In de media werd zoiets weggezet als ‘Taliban’. Er zijn ontelbare voorbeelden dat de Taliban aanslagen in de schoenen kregen geschoven, terwijl de gouverneurs oude stammenconflicten oplosten. De Taliban profiteerden van de false reporting. Ook al was hun kracht onbekend, ze claimden regelmatig aanslagen om aan te tonen dat ze aan een comeback bezig waren.

Maar hoe sterk waren de Taliban eigenlijk? Na 9/11 leek Mullah Omar een echte duivel met enge hoorntjes. Ondertussen weigerde het Westen toenadering te zoeken tot de Taliban. Vijftien jaar lang werd geen enkele hoge Taliban-leider geïnterviewd door westerse media, waardoor de beweging een mysterie kon blijven. Uit mijn onderzoek blijkt dat Mullah Omar uiteindelijk niet zo machtig was als werd beweerd. Na 9/11 reisde hij nog vrij rond in Afghanistan, bezocht moskeeën en vluchtelingenkampen. Hij had zo veel steun dat tribale leiders hem met gemak weg wisten te houden van de Amerikanen.

Bij mijn weten is hij nooit teruggekeerd als de most wanted die volop controle had over de Taliban. Zeker na 2009 verdween hij volledig uit beeld. Dat was ook het moment dat Taliban-leiders niet meer wisten wat ze moesten. Zijn afwezigheid verlamde de beweging juist. De dood van Mullah Omar (hij zou zijn overleden in april 2013) werd stilgehouden omdat de Taliban-leiders bang waren dat de beweging helemaal uiteen zou vallen. Een financier van de Taliban in Dubai zei dat het geweld met de dood van Mullah Omar niet zou stoppen: ‘De corrupte overheid en de milities die door Amerika zijn opgericht veroorzaken zo veel onvrede dat families zelf wel naar de wapens grijpen. Daar heb je geen Taliban-leiderschap voor nodig.’