Het Ako-prijs toneelstuk

Multatuli vs. Van der Meulen

Afgelopen week won Dik van der Meulen de Ako-literatuurprijs voor zijn biografie van Multatuli. Daags na de prijsuitreiking ontmoetten de twee elkaar.

(Toneel: nabij het klimduin de Blinkert, «het grootste reusje der Overveense zandheuvels»; bij uitspanning Kraantje Lek; rond de iep, die vroeger bij alle schoolreizigertjes bekend stond als de Holle Boom en die inmiddels geheel getectyleerd en als het ware gemummificeerd is in een grijzige tint, lopen twee heren in geanimeerd gesprek verwikkeld: Dek en Dik, zijnde Eduard Douwes Dekker oftewel Multatuli, en zijn biograaf, de met Ako-goud gelauwerde Dik van der Meulen.)

Zwyg, schurk! Ik heb de 912 bladzyden doorgeworsteld van uw zogenaamde bio graphie over my, die u in een bybelse spanne van zeven jaren tyds ten papiere wierp en ik vond daar niets maar dan ook hoegenaamd niets van myzelf in terug!

– Tsjonge…

– Zwyg, schurk! Myn heer, is het niet de bedoeling ener biographie dat een juist of in elk geval zo volledig en levend mogelyk beeld opryst van de held der geschiedenis, die tegelyk onderwerp en het veeldragend, immerlydend voorwerp is? Ik kom er echter nauwelyks in voor, in die met Ako-goud vergulde pil van u. U laat my maar bar weinig aan het woord. Anderen mogen zeggen dat ik bestaan, geleefd en gedwaald heb. Alsof myn leven bewezen moet worden!

– Niet uw leven hoeft bewezen te worden, maar de invloed van uw leven op uw werk. En dat is wat ik getracht heb te doen. Niets meer maar ook niets minder. Ik heb onderzocht in hoeverre uw talrijke verwijzingen naar de werkelijkheid berusten op die werkelijkheid. Zo was uw werkwijze: u werd getroffen door iemand uit het werkelijke leven — uw vrouw, een broer, een vriendin, of uzelf — die u als voorbeeld kon gebruiken en vervolgens ging uw verbeelding ermee aan de haal.

– Volstrekt het omgekeerde, stuk onbenul! Alleen het idee al dat je zo schryft. Myn Phantasie, myn Fancy, is voortdurend aan het werk, gaat voortdurend aan de haal en wordt dan pas getroffen door iets uit haar werkelykheid. De waarheid is één en ondeelbaar en alles is in alles en een halve waarheid is een onwaarheid.

– Dat neemt niet weg dat u de afgelopen 150 jaar veel kritiek hebt ondervonden op uw omspringen met wat ik voor het gemak maar even de historische werkelijkheid zal noemen. Welnu, ik toon aan dat al die mensen die u van leugens hebben beticht, ongelijk hadden, althans voor zover ik dat heb kunnen nagaan. U heeft de werkelijkheid weliswaar opgesierd, overeenkomstig het adagium van Aristoteles dat wat u schreef waar was in hogere zin, de universele waarheid die schuilgaat achter de historische werkelijkheid die het onderwerp is van mijn onderzoekingen, gebonden aan de grillen van de toevallige historisch controleerbare feiten.

– Maar waar is de ziel, myn heer? Myn ziel, myn geest? Gevlogen en toen verpletterd door de flaauwheid en laauwheid van uw voorzichtigheid. Erger bestaat niet! U schryft: «Een derde groep koos de verstandigste weg en onthield zich van een oordeel.» Dat kan nooit de verstandigste weg zyn! Nergens komt u tot een conclusie, voortdurend slaat u de lezer om de oren met frasen als: «mag niet worden uitgesloten», «het zou kunnen», «een niet onaannemelijke reconstructie», «schijnbaar minder fictioneel», «maar nog eens dat wil niet zeggen dat alles wat Wouter meemaakte ook hém is overkomen», «maar dat lijkt onwaarschijnlijk», «maar zeker is dit allerminst», «zullen ook enkele andere voorvallen wel waar gebeurd zijn», «zij het met de aantekening dat dit laatste oordeel nogal persoonlijk is (al wordt het door velen gedeeld)». En dit vat alles zamen: «Het aardige van dit Idee is dat iets wat veel lezers wel voor verzonnen zullen hebben gehouden, het wonen ‹bij ’n banketbakker›, waar was. Dat Mina gesproken heeft zoals Multatuli het opschreef, is daarmee niet gezegd…»

– Ik gooi vragen op…

– Die u vervolgens niet beantwoordt. Terwyl ik in myn leven niets anders heb gedaan dan antwoorden opwerpen!

– Op vragen die niemand stelde.

– Maar die wel gesteld werden. Ná my en dóór my! Toen ik de Havelaar publiceerde, vroeg men zich af of de ravyn wel bestond en of ik wel genoeg Soendanees sprak om de klachten van de onderdrukte Javaan in Lebak aan te horen. Dat vroeg men zich af en de klacht werd helemaal niet gehoord. En u gaat daarin mee. U geeft een waslyst minne affaires en kleine quaesties waarmee anderen my hebben lastiggevallen. Alles leugens en verdachtmakingen, gebaseerd op een lawine van feiten, gissingen en vergissingen! Een en al slymige slaperigheid!

– Ik heb me nochtans goed gedocumenteerd. En ik neem u juist in bescherming! Ik sta aan uw zij!

– Zwyg, aardwurm! U reikt my nog niet tot de welgevormde voet. Ik behoef uw protectie niet. Stelt u zich voor: u schrapt uit uw biographie, of laat ik het zeggen zoals het is, uit uw zeer uitgedyde historische onderzoek, het woord «geld». Of laat ik het u makkelyker maken: het woord «schuld». Wat houdt u dan over? Nog niet de helft. Het is alsof u een bloem schilderen wilt en alleen de steel afbeeldt. Dit soort kommiezery walgt my aan. Wat ’n misselyke zaak! Ik ben onwel! Dat boekhoudkundige geschagcher met een mensenleven, al is het ’t myne, kontrarieert my. Soep is ’t. U noemt my «een curieuze negentiende-eeuwse variant van de godmens», want «een merkwaardige verlosser». Was Jezus dan een… gewone, alledaagse, doorsnee verlosser, zo’n verlosser waarvan je er dagelyks dertien in een dozyn aantreft op de Noordermarkt? Een verlosser met haalbare aspiraties, zonder scheve schaatsen en van alle menselyke vlekken ontdaan? Juist daarin vinden wy zyn bovenmenselykheid! En dus ook de myne! We hoeven slechts de ogen te openen om te zien.

– Maar wie is Max Havelaar dan?

– Misschien wel die verdraayde WF Hermans waar u het steeds over heeft, daarin andere scribenten nawawelend en droogstoppelend, als zoude deze raadselachtige Hermans met zyn biographie over my slechts een «verkapt zelfportret» hebben geschreven. Was hy soms adsistent-resident te Lebak? Heeft hy soms in drie weken de Max Havelaar geschreven op een slecht verwarmd zolderkamertje van logement Au Prince Belge te Brussel, waar hy stuyvers moest lenen om inkt te kopen en om kolen bedelde voor het kacheltje? Heeft hy ooit een behoeftige huismoeder geholpen met behangen om vervolgens diep in de nacht de bierhuizen af te stropen op zoek naar suiker voor de pap voor haar zieke dochtertje dat in het belendende alkoofje wakker geworden was van het stommelen van de yverige hulpbehanger? Nou? Spreek man! Gesel de haag van uw tanden met het vuur van uw tong!

– Dat is uiterst onwaarschijnlijk. Dat van de heer Hermans, meen ik. Directe bewijzen ontbreken. Maar het is geen antwoord op mijn vraag. Nogmaals vraag ik u derhalve: wie is Max Havelaar?

– Zal ik u dat eens precies vertellen?

– Graag.

– Het kind Wouter is de vader van de man Max en Max ben ikzelf, zoals Multatuli wil dat hy denkt dat anderen willen dat ik myzelf zie, door de ogen van anderen die naar zichzelf kyken in de spiegel die hy ze in myn handen voorhoudt.

– Aha. Zo had ik het nog niet bekeken. Maar is uw zelfperceptie dan niet erg gekleurd en vervormd, meneer Dekker? Wat overigens helemaal niet erg is hoor, want daar hebben meer jezusfiguren last van.

– En uw perceptie komt overeen met de werkelyke werkelykheid? Dan alleen met die van uzelf: die even kleurloos en vormloos is als uw miserabele in windselen gehulde schryfstyl.

– Ik heb er wel de Ako-prijs mee gewonnen.

– En ik hoop dat u er nog honderd keer de Ako-prys mede zult winnen. Dit land verdient niet beter. Er is namelyk NIETS veranderd. Laauwheid en flaauwheid regeren, minne affaires beheersen het nieuws, terwyl de grote zaken worden verzwegen! Op mondiaal niveau wordt de Javaan nog steeds gekneveld, van Tibet tot aan Mexico! Had u uw tyd in de woestyn niet beter kunnen besteden? We weten nu hoeveel port er op myn brieven ging in 1851 (20 gulden, een enorm bedrag, zeker voor die tyd, maar het waren dan ook hele dikke brieven!), hoe ik verhit raakte door het zien van een jong meisje dat in het ongeluk verkeerde en er heel goed uitzag, wat de naam van de rivier de Bogowonto beduidt (kutwater!), wat de Max Havelaar kostte (4 gulden, alweer een enorm bedrag voor die dagen), wat voor mutsjes er gedragen werden op Ameland, MAAR de gordel van smaragd is over tien jaar geheel ontbost, de mensheid wordt nog steeds onderdrukt of zoetgehouden, de aarde bloedt en de hemel snakt naar asem en dat allemaal in UWEN naam! Java vry tot aan de Moerdyk! Goedendag!

– Tsjonge…

(Dek af in een wolk van vuur; Dik begeeft zich naar de uitspanning en bestelt daar een Blinkertje, zijnde een kipfilet in roomsaus met frites en sla. Hij bestudeert aandachtig zijn vork.)