Film

Multicultiplex

Film: ‹Shouf Shouf Habibi!› raakt een gevoelige snaar

Een stevig gebouwde, witte Hollandse jongen koopt vier flessen Heineken en kijkt parmantig om zich heen. Ongeveer vijftien jaar oud, brildragend, blond haar, de suggestie van een baard op kin en bovenlip. Een lummel. Wat hem onderscheidt van de rest van het jonge publiek in zaal 11 van de Amsterdamse Pathé-bioscoop is z’n kleding: militair camouflagepak, zware, zwarte laarzen en een rugzak in eveneens camouflagestijl. Hij valt te meer op doordat de film die deze middag draait — de tragikomedie Shouf Shouf Habibi! — al tot relletjes heeft geleid in bioscopen in Utrecht en Rotterdam. Wat zou de jongen in zijn hoofd hebben: heeft hij de kranten gelezen en wil hij de Marokkaanse bezoekers laten zien dat hij er ook wat van kan? Maar er gebeurt niets. Alleen het gejuich en gejoel van meisjes als de film is afgelopen.

Shouf Shouf raakt een gevoelige snaar in het gespannen klimaat rond het multiculturele ideaal. De geforceerde inburgering, het stigmatiseren van etnische minderheden en steeds openlijker racisme — het sluimert allemaal onder de oppervlakte van de film. Het effect ervan blijkt niet alleen uit de relletjes onder de popcorn etende multiplexgangers, maar ook uit het geïnteresseerde commentaar van ’s lands opiniemakers. Begrijpelijk, want Shouf Shouf illustreert de werkelijkheid van allochtone Nederlanders die kampen met een pijnlijke strijd: aan de ene kant hunkeren naar de geborgenheid die de cultuur van het land van herkomst biedt, aan de andere kant ten onder gaan aan de eisen van de moderne maatschappij. Tekenend hiervoor is de laatste scène van de film, waarmee overigens niets van de voorspelbare plot wordt verklapt: hoofdpersoon Ap (Mimoun Oaïssa) en zijn Marokkaanse vrienden zijn treinconducteurs geworden in een poging te «integreren». Maar zelfs hier maken ze een zooitje van. Op het perron rennen ze vergeefs achter een vertrekkende trein aan. De suggestie is dat er weinig hoop bestaat: besluiten ze «ernstig» te worden en zich te bevrijden van het verleden, missen ze opnieuw de boot, of in dit geval de trein.

Hoe boeiend de maatschappelijke betekenis van Shouf Shouf ook is, als film is het flets. Het lijkt of de regisseur ergens een camera heeft neergezet met het verzoek aan de acteurs maar hun ding te doen. Ook komen de talrijke personages maar nauwelijks uit de verf. Toch blijkt de film wel degelijk genietbaar doordat het enthousiasme en de energie van de acteurs aanstekelijk werken. Aps vrienden zijn hilarisch als stuntelende bankrovers. De scène waarin ze proberen een kluis binnen te dringen, is even magnifiek als de mislukte overval in Welcome to Collingwood, waarin de rovers te laat ontdekken dat ze zich in het verkeerde appartement bevinden.

Behalve de slapstick valt ook de herkenbaarheid van bepaalde situaties bij het gezin thuis in goede aarde in de Pathé-zaal. Te oordelen naar de reactie van het publiek steelt de enkel Marokkaans sprekende moeder de show. Schitterend vindt men scènes waarin zij haar nietsvermoedende man afranselt. Je krijgt het idee dat de Pathé-gangertjes, vooral de modern geklede Marokkaanse meisjes, de diepere betekenis van de daden van de moeder heel goed begrijpen. Alsof zij aanvoelen dat het tij gekeerd is ten gunste van de emancipatie.

Shouf Shouf reflecteert een proces van verandering. Maar is de film radicaal? Rellen heb je hier niet, niet als in Do the Right Thing van Spike Lee waarin kansarmen in Brook lyn de boel kort en klein slaan, of in Higher Learning van John Singleton, waarin een witte extreem-rechtse student zwarte kinderen op een Amerikaanse universiteit neerknalt. Misschien had ik deze films in mijn achterhoofd toen ik de Hollandse jongen met zijn soldatenkleren zag. Ik had beter moeten weten. Films als die van Lee, vooral zijn meesterlijke Bamboozled — dat is radicaal, multicultureel drama. Dat heb je hier in Nederland niet, niet in de film en niet in het echt. Hier heb je beschaafd drama, een vrolijke komedie, een film met de titel «Kijk, kijk, schatje!»