Sylvain Ephimenco

Multicultivuil

Waarschijnlijk zal ik altijd blijven geloven in de multiculturele of beter gezegd multi-etnische samenleving. Zomaar, uit zuiver idealisme. Zoals anderen misschien nog in Utopia willen geloven. Zich voor de gek willen houden. Omdat ik vanuit mijn eigen achtergrond een kleurrijk aangezicht prefereer boven de saaie uniformiteit. Of omdat ik eerder in uniforme, blanke dorpen en buurten heb gewoond. Altijd naar lucht happend om in de benauwende kleinburgerlijkheid van codes en verboden te kunnen overleven. Een gevoel dat soms terugkomt wanneer ik door ’t Gooi rijd. Snel wegwezen. Niet omdat de bevolking daar niet sympathiek zou zijn. Maar al die kinderen met oranje vlaggetje hoog zwevend boven hun fietsjes, met blonde moeders in spijkerbroek of plooirok waakzaam meefietsend, al die opa’s met groene jas en pet, al die oversteekmoeders bij de scholen, al die autopoetsende vaders op zaterdag. Een kwestie van smaak. Geef mij maar rauwheid en verscheidenheid. Onvoorspelbaarheid. Van de junk met zijn straatkrant tot aan de zwerver op zijn bed van karton. Van het op zijn scooter scheurende Marokkaantje tot de luidruchtige Antilliaan voor de deur van de koffieshop. Dit alles met mate natuurlijk.

Vijf jaar geleden kwam ik in Delfshaven te wonen. De Nederlandse multi-etnische wijk per uitstek, hoewel mijn eigen singel overwegend blank is. Meer dan honderd nationaliteiten en nog maar twintig procent Nederlanders. Geloof ik, want ik heb de juiste cijfers niet bij de hand. Ik ervoer deze verandering als een wedergeboorte. Was bijna euforisch. Vijf jaar later vind ik nog steeds dat dit de beste plek is waar ik tot nu toe heb gewoond. Maar mijn idealisme en existentiële hang naar melting-potterij ontslaan me niet van de plicht de waarheid in te zien. Ik ben een teleurgestelde man. Een spijtoptant van het multiculturalisme. Ik kan mezelf niet langer voorliegen. De multiculturele samenleving is nog steeds een droom die om tijd, heel veel tijd vraagt.

Ik leef in een universum dat vanuit zijn verscheidenheid alleen maar verdeeldheid en onverschilligheid heeft voortgebracht. De bevolkingsgroepen leven volstrekt gescheiden van elkaar en communiceren alleen met zichzelf. Een soort zelfgekozen apartheid die godzijdank zelden in vijandigheid uitmondt. In deze multiculti-samenleving in het klein heerst een onvoorstelbare vorm van egoïsme. Er is geen bindings element. Ook de taal kan niet meer verenigen. Kinderen praten onderling Turks, Marokkaans, Spaans en Creools, zoals ik Frans met mijn vriendin praat. Lopend te midden van al die nationaliteiten heb ik vaak het gevoel dat ik transparant ben. Op straat ziet men alleen mensen van de eigen soort. Deprimerend. En als ik in een winkel iets zeg tegen een vrouw met hoofddoek zie ik onmiddellijk de paniek in haar ogen. Bij een donkere vrouw of man zal het meer op argwaan neer komen. Andersom wordt een blanke vrouw zelden met respect behandeld. Als zij een opmerking waagt tegen iemand van een andere nationaliteit die bijvoorbeeld voordringt, wordt ze soms voor «hoer» of «junk» uitgemaakt. Mijn bejaarde buurvrouw kreeg onlangs een fluim in haar gezicht.

Op het asfalt heersen de wetten van de jungle. Ieder voor zich, dus geen voorrang verlenen, een overstekende voetganger moet wel drie keer uitkijken. En omdat er weinig tot geen binding is met de stad waarin men woont, is er ook weinig tot geen respect voor die stad. Daarom zijn multiculti-wijken ongelooflijk goor. De straten die door de gemeente maar mondjesmaat worden gereinigd, zijn sidderende varkensstallen geworden. Ieder hokje, portiek of holletje met geldautomaat stink naar urine en kots. Nooit had ik kunnen denken dat ik dagelijks zo geraakt zou worden door het vuil. Ben ik misschien zelf een kleinburgerlijk mannetje geworden? Of een zwaar teleurgestelde idealist?