Multiculturele blauwdrukken

MULTICULTUREEL, transcultureel, intercultureel. Gastarbeiders, buitenlandse werknemers, migranten, allochtonen, etnische minderheden, nieuwkomers, oudkomers. Assimileren, integreren, inburgeren.

Een woningbouwvereniging die het gebruik van schotelantennes wil verbieden. Officieel omdat de schotels de muren beschadigen, maar ook omdat die Turken en Marokkanen veel te veel naar hun eigen zenders kijken en dat bevordert de integratie niet. De doktersassistente die wordt ontslagen omdat ze een hoofddoek ging dragen, maar van de rechter weer in dienst moet worden genomen. Het zwembad dat Turkse meisjes wel toestaat in legging te zwemmen, maar niet in lange rokken. Ouders die hun kind niet meer bij het Marokkaanse buurmeisje laten spelen, want daar snoepen ze alleen.
Wat een geworstel, die multiculturele samenleving.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat verantwoordelijk is voor het minderhedenbeleid, belegde afgelopen voorjaar vier rondetafelconferenties. Inzet: we zijn een multicultureel land; hoe om te gaan met verschillen in religie, traditie, kinderopvoeding, de bejegening van ouderen. En waarin moet de Nederlandse samenleving veranderen? Iedereen deed mee, de dominee en de imam, de wethouder en de wetenschapper, de Turkse jeugdleider en de directeur van het Molukse bejaardentehuis. Het zou het begin kunnen zijn van een kleine kentering in het denken over integratie. Sinds een jaar of zes, zeven heeft de houding tegenover minderheden immers een hoog ‘eigen schuld, dikke bult’-gehalte. Inburgeren moeten ze, werk zoeken, zich aanpassen. En als dat niet lukt, komt dat doordat ze zich te veel opsluiten in hun eigen cultuur.
Het minderhedenbeleid was de afgelopen decennia een exacte afspiegeling van de politieke tijdgeest. De Indische Nederlanders die eind jaren veertig naar Nederland kwamen, kregen meteen les in aardappels schillen. Assimileren moesten ze. De gastarbeiders in de jaren zestig en zeventig hoefden juist niks. Ze waren hier toch maar tijdelijk, en hoe meer ze hun eigen identiteit zouden behouden, hoe makkelijker ze weer terug konden naar hun eigen land. Toen duidelijk werd dat ze bleven, werd het credo: 'integratie met behoud van eigen taal en cultuur’. Die eigen taal en cultuur waren goed voor het gevoel van eigenwaar de en dat bevordert de integratie, zo luidde de theorie.
De grote omslag kwam in 1989 met een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Het minderhedenbeleid was mislukt, aldus de WRR, want de minderheden waren nog steeds bovenmatig werkloos en op school presteerden ze nog steeds slecht. De wetenschappers namen aan dat het een verband hield met het ander: op de arbeidsmarkt ging het slecht omdat er in het beleid te veel aandacht was voor de eigenheid, omdat de minderheden te soft waren bejegend. Niet dat ze dat hadden onderzocht, maar het klonk plausibel.
Daarna ging het snel. De Rushdie-affaire en de Golfoorlog zetten de goodwill jegens de islam en 'dus’ van de allochtonen nog verder onder druk, Bolkestein kwam met zijn speech in Luzern waarin hij stelde dat de christelijk-joods-humanistische cultuur toch eigenlijk gewoon beter is dan de islamitische, en de tijd was rijp voor een geheel nieuwe politiek. Die werd, in opdracht van het vorige kabinet, geformuleerd door Han Entzinger (D66, hoogleraar en al een kwart eeuw 'in minderheden’) en Arie van der Zwan (PvdA, hoogleraar en al een kwart eeuw tegendraads). Strekking: minderheden komen niet aan de bak doordat ze te slecht geschoold zijn en doordat ze minder produktief zijn dan voor het Nederlandse minimumloon vereist is. Dus moeten we ze dwingen tot scholing, en werkgevers krijgen toestemming om allochtonen de eerste drie jaar minder dan het minimumloon te betalen. Wie weigerde, moest gekort op de uitkering en desnoods het land uitgezet. Het rapport was gereed bij de kabinetsformatie van 1994 en het paarse kabinet nam de aanbevelingen, zij het in afgezwakte vorm, over.
RINUS PENNINX, sinds de jaren zeventig 'in minderheden’ en tegenwoordig directeur van het universitaire Instituut voor Migratie en Etnische Studies in Amsterdam: 'De politiek is veel te ongeduldig. Integratie kost enkele generaties. De WRR had bovendien geen oog voor alle terreinen waarop er wel degelijk veel is verbeterd: de huisvesting, discriminatiebestrijding en zelfs, zij het in mindere mate, in het onderwijs.’ Hij wijst erop dat de omslag in het denken ook te maken had met de grote aantallen asielzoekers die hier eind jaren tachtig, begin jaren negentig aanklopten. 'De politiek was in paniek over de immigratie, en dan krijgen ook de allochtonen die allang in Nederland wonen de duimschroeven aangedraaid.’
Het belangrijkste effect van de omslag waren de zogeheten 'inburgeringscontracten’. Op het moment dat nieuwkomers hun verblijfsvergunning ophalen bij de vreemdelingendienst, moeten ze ook een contract tekenen dat ze Nederlandse les en 'maatschappelijke oriëntatie’ zullen volgen. Godfried Engbersen, hoogleraar in Utrecht en gespecialiseerd in armoede en de verzorgingsstaat, is zeker niet tegen de taal- en maatschappijlessen, maar vindt de inburgeringscontracten toch 'tamelijk navrant’: 'Zolang de overheid zich niet tegelijkertijd sterk inspant voor werk voor die mensen, heeft de inburgering vooral de geur van disciplinering, van een moreel beschavingsoffensief. Ook al omdat het vrijwel louter op de bijstandstrekkers gericht is, de echtgenote van de rijke manager hoeft niet zo'n cursus te volgen. Die moralistische wending zie je ook in het werklozendebat: de politiek wordt ongeduldig en opeens is iedereen individueel verantwoordelijk voor z'n eigen werkloosheid. Het gekke is dat terwijl overal het einde van de maakbaarheid wordt gepredikt, de allochtoon opeens als zeer maakbaar beschouwd wordt: je kunt ze alle kanten op prikkelen.’
Ook Penninx gaat het niet om de lessen op zichzelf - dank zij alle gedoe over inburgering is er eindelijk extra geld gekomen om de wachtlijsten voor taallessen weg te werken. Hij heeft wel kritiek op de indruk die wordt gewekt: als ze de taal maar leren, dan komen ze er wel. Penninx: 'Het probleem is dat discriminatie eenvoudig wordt ontkend. Uit historische en internationale vergelijkingen blijkt het steeds weer: of bepaalde groepen allochtonen het in een samenleving redden, hangt niet zozeer af van de allochtonen, maar van de houding van de betreffende samenleving.’
DOOR HET AANWIJZEN van culturele verschillen als oorzaak van maatschappelijke achterstanden, krijgt de overheid, de Nederlandse samenleving, het recht zich met die cultuurverschillen te gaan bemoeien. De 'culturalisering’ van het minderhedendebat dreigt een verkapte vorm van racisme te worden, vindt de Amsterdamse filosoof Pieter Pekelharing. Het voorbeeld is vooralsnog fictief, maar wat gebeurt er als een 'trajectbegeleider’ de nieuwkomer op straffe van verlies van uitkering dwingt om niet langer een hoofddoek te dragen, omdat ze met die doek haar kans op een baan verkleint?
Herman Meijer, als wethouder in Rotterdam belast met de 'inburgering’, ziet dat zo'n vaart niet lopen. 'Als een ambtenaar dat in z'n hoofd zou halen, zou ik hem meteen ontslaan.’
Penninx: 'Je ziet aan Chinezen, Italianen en Japanners dat cultureel “anders zijn” helemaal geen belemmering hoeft te zijn voor economische integratie. Ze wenden juist hun etnische kapitaal aan. Het opmerkelijke is dat de Nederlandse Nederlanders het dan opeens geen probleem vinden dat mensen hun eigen cultuur behouden. Als mensen zeggen dat buitenlanders moeten integreren, bedoelen ze eigenlijk dat ze ons economisch niet tot last moeten zijn.’
'Het probleem is’, zegt Radi Suudi, woordvoerder van het instituut voor multiculturele ontwikkeling Forum, 'dat er eigenlijk nooit is onderzocht wat werkt en wat niet als het om minderhedenbeleid gaat. Daardoor is het beleid speelbal van de politieke wind van het moment. Juist de meest voor de hand liggende dingen zijn niet onderzocht. En aan internationale vergelijkingen van beleid ontbreekt het al helemaal, terwijl dat toch zeer leerzaam kan zijn.’
Zeki Arslan, werkzaam bij Forum en voorzitter van een federatie van Turkse organisaties, vindt dat er een parlementaire enquête moet komen over het minderhedenbeleid. 'Er worden zoveel praatjes verkocht. Laten we de boel maar eens helemaal doorlichten. En dan moet de rol van de migrantenorganisaties ook ter discussie staan.’
Zoals het tijdsgewricht voorschrijft, wordt werk beschouwd als het integratiemiddel voor allochtonen. Maar helaas is de arbeidsmarkt nou net het terrein waarop de overheid vrijwel geen grip heeft. Een eerste poging om daar verandering in te brengen is de omstreden 'wet Bea’: de wet bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen (WBEAA), die bedrijven verplicht om te registreren hoeveel allochtonen ze in dienst hebben en plannen te maken hoe meer allochtonen aan te trekken. In 1990 sloten werkgevers en vakbonden een akkoord om binnen vijf jaar 60.000 extra allochtonen aan het werk te helpen. Er kwam niets van terecht.
De gemeente Rotterdam wil bedrijven waar de gemeente zaken mee doet, meer onder druk te zetten om allochtonen aan te nemen. Wethouder Herman Meijer: 'De Europese mededingingswetgeving maakt het onmogelijk om te zeggen: alleen met bedrijven met x procent allochtonen doen we zaken. Dus moet je het enigszins inkleden en bijvoorbeeld zeggen: je krijgt deze opdracht als je tegelijk de opdracht aanneemt om werkloze allochtone jongeren een opleiding te bieden.’
Uit onderzoek blijkt dat het niet-aannemen van allochtonen slechts voor ongeveer 25 procent te wijten is aan hun lagere opleiding. De rest is discriminatie of, laten we het iets voorzichtiger zeggen, 'problemen met een andere cultuur’. Pieter Pekelharing: 'Cultuur is in de huidige arbeidsorganisatie gewoon een risicofactor, omdat er op het scherpst van de snede geconcurreerd moet worden. Iedereen die anders is, brengt risico’s met zich mee. Dat geldt niet alleen voor allochtonen maar ook voor mensen die zich vreemd kleden of plat praten. Je kunt het bedrijven niet eens echt kwalijk nemen. Daarom is het nogal gevaarlijk om zo eenzijdig op arbeid als integratiemiddel te mikken.’
Radi Suudi vindt het om een andere reden gevaarlijk: 'Er is nu eenmaal een hele groep migranten, vooral van de eerste generatie, die niet meer aan de bak komt. Met de eenzijdige nadruk op werk dreig je die mensen te vergeten.’
'DE MINDERHEID is in veel steden al lang geen minderheid meer. Wat we nu nodig hebben is een multiculturalisatiebeleid’, zegt het PvdA-kamerlid Thanasis Apostolou. Klinkt goed, maar wat is in vredesnaam een multiculturalisatiebeleid? Om te beginnen, zegt Radi Suudi, zouden we wat meer aandacht kunnen hebben voor aspecten van allochtone culturen waar ook wit Nederland z'n voordeel mee kan doen. Die zijn er namelijk wel degelijk, al zou je dat door alle aandacht voor vrouwenbesnijdenis en hoofddoekjes bijna vergeten. 'Nederlandse politici kunnen bijvoorbeeld heel wat leren van de sterke band die allochtone politici hebben met hun achterban. En begin nou niet meteen over cliëntelisme, want daar ben ik ook niet voor.’
Of neem de familiebanden bij Surinamers en Molukkers, waardoor kinderen die om een of andere reden niet meer bij hun ouders kunnen wonen, heel goed opgevangen worden door familie. Suudi: 'Nederlanders doen sterke gemeenschapsbanden vaak af als gebrek aan individualiteit, maar diezelfde Nederlanders maken zich steeds meer zorgen over de fragmentarisering van de samenleving.’ Nee, hij pleit er zeker niet voor allochtonen in alles tegemoet te komen, want soms is het knap conservatief wat ze willen, maar zijn de Nederlandse Nederlanders nou echt blij met die aan pornografie grenzende reclameborden overal? Ook zouden de media veel meer aandacht moeten besteden aan nieuws uit bijvoorbeeld Turkije en Marokko. En veel meer de buitenlanders zelf enquêteren - die vallen er nogal eens buiten, al was het maar omdat de enquêteur geen Turks spreekt.
Ook het bedrijfsleven moet 'multiculturaliseren’. Te beginnen bij de werving en selectie van personeel, want dat is cruciaal, zo blijkt uit veel onderzoek. Suudi geeft een voorbeeld: 'In sollicitatiegesprekken gaat het vaak mis omdat het voor veel allochtonen onbeleefd is om meteen ter zake te komen. Conclusie van de sollicitatiecommissie: wat een slome, die nemen we niet.’ Blijft natuurlijk de vraag wie zich in zo'n geval aan moet passen. Suudi: 'Aanpassen vind ik niet het goede woord. Het gaat er niet om dat de een zich honderd procent aanpast aan de ander. Ik hoop vooral dat iedereen, allochtoon en autochtoon, een beetje aan het schuiven gaat.’
En het begint te komen, steeds meer bedrijven doen aan management of diversity, of crosscultural management, eenvoudig omdat ze er belang bij hebben. McDonald’s en Albert Heijn doen hun best om meer allochtonen aan te nemen omdat dat de klandizie ten goede komt. En is er eenmaal allochtoon personeel, dan komt de rest vaak vanzelf, stelt Rinus Penninx. 'Want als je die mensen eenmaal hebt aangenomen, wil je er ook zoveel mogelijk uit halen, dus ga je als bedrijf kijken of er in de bedrijfscultuur belemmeringen zitten voor allochtonen.’ Albert Heijn heeft inmiddels hoofddoekjes met het bedrijfslogo laten maken.
Pekelharing heeft er weinig vertrouwen in: 'Arbeid werkt wel assimilerend, maar niet multiculturaliserend. Wie ergens werkt, moet zich aanpassen, zo simpel is het. Arbeid is slecht voor de diversiteit, want het werkt disciplinerend en uniformerend.’
DE VRAAG IS wat de rol van de overheid is bij het multiculturaliseren van Nederland. Apostolou: 'In het grote-stedenbeleid bijvoorbeeld zou veel meer aandacht moeten zijn voor het omgaan met diversiteit, nu is dat beleid vooral een bestuurlijke operatie.’
Begin maar eens met een van de islamitische feestdagen te erkennen als nationale vrije dag, vindt Suudi. Herman Meijer vindt dat de overheid er wel alles aan moet doen om allochtonen bij activiteiten te betrekken, maar veel verder moet het niet gaan: 'Ik vind niet dat je als overheid expliciet iets aan de culturele zelfopvatting van mensen moet doen.’
Jan Willem Duijvendak, hoogleraar multiculturele samenlevingsopbouw aan de Erasmusuniversiteit: 'Ik vraag me af of de overheid en dit paarse kabinet eigenlijk wel een multiculturele samenleving willen. En dan bedoel ik een beleid dat gericht is op het accepteren en misschien zelfs wel nastreven van pluriformiteit, van cultuurverschillen. Dan gaat het niet alleen om de culturen van allochtonen, maar ook van gabbers, homo’s, Friezen of senioren. Het creëren van een sfeer waarin geen enkele cultuur opzichtig de boventoon voert. Volgens het liberale wereldbeeld moet je het daar eenvoudig niet over hebben, want culturele verschillen worden daar verbannen naar de privésfeer: dat doe je maar in je vrije tijd. De politiek lijkt verschillen vooral vervelend te vinden, zeker niet iets nastrevenswaardigs. En zolang je vooral de nare kanten van een cultuur ziet, is dat natuurlijk ook zo. Het hoogste ideaal van de paarse politiek is kleurenblindheid. Maar kleurenblindheid betekent in de praktijk dat de dominante cultuur wint.
Als je het over multiculturaliseren hebt, heb je het over groepsculturen en daar is Nederland als de dood voor. Het heeft met het afscheid van de verzuiling te maken, maar misschien ook met Bosnië, en met het gebrek aan identiteit van Nederland zelf. In het geïndividualiseerde wereldbeeld passen geen groepsidentiteiten, geen groepsgebonden culturen. Het komt misschien ook doordat spraakmakende migranten, zoals Anil Ramdas, niet uit zijn op erkenning van de verschillen. Aangezien de Europese cultuur nu eenmaal de beste is, zijn andere culturele identiteiten overbodig, suggereert hij. Maar zelfs als je de Nederlandse cultuur superieur acht, zegt dat nog niets over het principe: mag je andere mensen je eigen cultuur opleggen?’
Er wordt te veel van uitgegaan dat mensen slechts één identiteit kunnen hebben, vindt Duijvendak. 'Alsof het een zero sum is: je bent òf Nederlander, òf Turk. En dan zijn mensen die op bepaalde gebieden vasthouden aan hun Turkse gebruiken al gauw bedreigend.’ Een verschil met vroegere migratiestromen is dat de huidige migranten dank zij de moderne communicatiemiddelen langer 'geworteld’ blijven in het land van herkomst. Duijvendak: 'Maar het aardige is juist dat mensen heel goed verschillende identiteiten en loyaliteiten kunnen combineren.’
Rinus Penninx haalt de discussie over de natiestaat er bij. 'Ook los van de aanwezigheid van etnische minderheden is Nederland gedwongen stil te staan bij de vraag wat de minimale gezamenlijkheid is die je als land bijeen houdt, en op welke gebieden iedereen verschillend mag zijn. De tot voor kort vanzelfsprekende band tussen volk en territorium staat immers onder druk. Wat is dat eigenlijk, Nederland? Laten we daar de komende tijd het debat over voeren.’
Godfried Engbersen ziet niets in zo'n brede maatschappelijke discussie over multiculturaliteit: 'Dat lijkt me verschrikkelijk, oeverloos. Nee, wat mij betreft wordt het iedere keer dat er concreet iets aan de hand is, uitgevochten. Of het nou over zwemkleding gaat, over hoofddoekjes, of sollicitatieprocedures. Een permanent debat aan de hand van concrete issues. En de echt fundamentele kwesties liggen gewoon vast in de grondwet: de scheiding tussen kerk en staat, de principiële gelijkheid van mensen en bescherming van de lichamelijke integriteit.’
Het Nederlandse volkshuisvestingsbeleid heeft ervoor gezorgd dat mensen relatief gemengd wonen. Dat betekent echter allerminst dat mensen ook werkelijk mengen, de witten halen zelfs hun kinderen van school zodra de school te zwart wordt. Wat kan een overheid daaraan doen? Vrij veel, vindt Duijvendak. 'Om elkaar te ontmoeten, om sociale verbanden te creëren, zijn activiteiten nodig. Dat kost geld en vaak zijn er mensen nodig die een eerste aanzet geven.’ Ouderwets opbouwwerk, kortom. Wegbezuinigd in de anti-welzijnstijd, maar inmiddels weer volop terug onder gewijzigde naamgeving. 'Lokale overheden realiseren zich veel meer dan de landelijke politiek dat de samenleving maakbaar en breekbaar is - ook door de overheid.’
Er wordt te gemakkelijk geroepen dat Nederland al eeuwenlang een immigratieland is en 'dus’ goed om kan gaan met een pluriforme bevolking, vindt Pekelharing. 'Het probleem voor de nieuwkomers is dat zij terechtkomen in een samenleving die homogener is dan ooit.’ Maar dank zij de individualisering en ontzuiling zijn we toch uitermate heterogeen? Nee, zegt Pekelharing. 'Iedereen is weliswaar een beetje anders dan z'n buurman, maar op de keper beschouwd zijn al die leefwerelden minder verschillend en minder gescheiden dan vroeger. Was Nederland nog verzuild geweest, dan was het voor migranten waarschijnlijk veel gemakkelijker geweest: er waren toen veel meer groepen die hun eigen leven leidden en nauwelijks met elkaar omgingen. Vroeger was Nederland een pluriform land van homogene groepen, nu een homogeen land en zit de diversiteit tussen individuen.’
Radi Suudi: 'Ik hoorde het onlangs Van Mierlo nog zeggen: “Nederland is eigenlijk een uiterst conservatief land.” Hij heeft gelijk. Binnen de vaststaande kaders is Nederland weliswaar progressief, maar je mag de kaders nooit ter discussie stellen. In dat opzicht is Nederland zeer normatief.’
OVER KLEURENBLINDHEID gesproken. Een paar weken geleden maakte de gemeente Utrecht bekend het minderhedenbeleid te willen afschaffen. Voortaan wordt er een 'algemeen achterstandsbeleid’ gevoerd. Want de achterstand van allochtonen heeft voor een groot deel niks te maken met hun etniciteit en bovendien roept een apart minderhedenbeleid weerstand op bij de autochtone bevolking, die het immers ook niet altijd makkelijk heeft.
Zeki Arslan maakt zich kwaad. 'Ze zeggen toch ook niet dat het jongeren- of ouderenbeleid moet worden afgeschaft? En als een beroepsopleiding een vrouw als directielid aanneemt, krijgt de school drie ton subsidie. Waarom zou specifiek beleid voor allochtonen dan opeens onwenselijk en onnodig zijn? Ook al kampt de autochtone bevolking deels met dezelfde problemen als de allochtonen, de oorzaken van die problemen zijn vaak wel verschillend.’
Onlangs organiseerde Amsterdam een 'algemene’ armoedeconferentie. De organisatoren hadden even over het hoofd gezien dat armoede steeds vaker langs etnische scheidslijnen plaatsvindt; er waren alleen witte sprekers. Maar, zegt Utrecht dan, we roepen toch ook niet dat alleen teringlijders iets aan tbc kunnen doen?
Duijvendak: 'Positieve actie ligt in Nederland slecht, en dat heeft opnieuw te maken met die angst voor groepen.’ Klopt, zegt Zeki Arslan, maar het komt ook door de lijdzame houding van de allochtonen. 'De zelforganisaties van migranten kunnen veel leren van de vrouwen- en de homobeweging. Zonder de vrouwenbeweging was er van de emancipatie weinig terechtgekomen, het is eenvoudigweg afgedwongen. Hoe het komt dat zij zoveel sterker waren dan wij? Ze waren intellectueel beter toegerust, en ze durfden meer, ze durfden te choqueren, actie te voeren. Ik hoop dat migranten dat binnenkort ook gaan doen.’