Dolph Kohnstamms genen-these

Multicultuur op stelten

Met de veronderstelling dat intelligentie en werklust onder diverse groepen van de bevolking ongelijk zijn verdeeld en de bewering dat presteren in de genen van de westerse mens zit, ontlokte professor Dolph Kohnstamm heftige reacties in het multiculturele debat.

HET DEBAT OVER de multiculturele samenleving is na de publicatie van Paul Scheffers essay Het multiculturele drama (NRC Handelsblad, 29 januari) in een stroomversnelling geraakt. Nu heeft Dolph Kohnstamm, emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie, zich in de discussie gemengd en geprobeerd er een draaikolk van te maken.

Op vrijdag 31 maart jongstleden hield hij de Kohnstamm-lezing aan het naar zijn grootvader genoemde Kohnstamm-instituut van de Universiteit van Amsterdam. In die lezing paarde hij een stelling over de zijns inziens erfelijke en groepsgebonden aanleg voor talenten, met name intelligentie, aan een voorstel voor een grootschalig pedagogisch experiment binnen het onderwijsachterstandenbeleid.

Kohnstamm suggereert dat de teleurstellende resultaten van dit beleid, voor zover die overigens statistisch zijn aangetoond, niet kunnen worden verbeterd door een eenzijdige gerichtheid op achterstanden die door sociaal-culturele structuren zijn veroorzaakt. ‘Elke keer als wij concluderen dat bepaalde groepen achterblijven, krijgt het beleid de schuld. Het dogma van de gelijkheid leidt ertoe dat we ons niet afvragen of die groepen gemiddeld over dezelfde capaciteiten beschikken’, verklaarde Kohnstamm in een interview met de Volkskrant. In een interview diezelfde avond bij Nova legde hij keurig uit wat hij bedoelde met de uitspraak: ‘Privé roepen we ook dat die groep dommer is.’ Dat is dus een frase waar hij ook na bedenking achter staat.


DE INVULLING VAN HET overheidsbeleid wil Kohnstamm in overeenstemming hiermee veranderen. Geen extra geld meer voor de aanpak van leerachterstanden bij álle kinderen uit minderheden, maar een experiment waarbij studenten aan pedagogische instellingen een selecte groep achterstandsleerlingen een jaar lang begeleiden. Iedere student doorloopt samen met een leerling een leertraject waarin deze ontdekt dat inzet loont. Vanwege de beperkte financiële middelen stelt Kohnstamm voor díe leerlingen te selecteren die over een gemotiveerde werkhouding beschikken. Voor de aanduiding van deze werkhouding kiest hij ‘het mooie woord “werklust” ’.

Opvallend is dat hij dit voorstel presenteert als een experiment. Een wetenschappelijk experiment kan het niet zijn. De onderzoekshypothese beschrijft een cirkelredenering: het achterstandsprobleem wordt beter opgelost als je je beperkt tot degenen met de beste toekomstperspectieven. Kortom, als je van tevoren een groep selecteert die nu al een voorsprong heeft. En ook het onderzoeksresultaat staat vast: kinderen met werklust leren dat inzet loont. Dit is een quasi-wetenschappelijk gemotiveerd beleidsvoorstel. Kohnstamm gaat bovendien uit van een ongemotiveerde en dubieuze vooronderstelling over de ongelijke verdeling van intelligentie en werklust onder diverse groepen. In de Volkskrant beweerde hij zelfs dat presteren in de genen van de westerse mens zit. Kennelijk meent hij niet alleen de genetische herkomst van ‘prestatie’ te kunnen bepalen, maar ook nog eens een criterium te kennen op grond waarvan je van ‘de westerse mens’ kunt spreken. Ter ondersteuning hiervan haalt hij geen enkele verantwoorde bron aan, maar meldt alleen dat ‘velen’ er privé van overtuigd zijn. Hij vertelt er niet bij dat wetenschap privé-filosofieën niet als bron behoort te hanteren, maar deze juist aan een kritische beschouwing dient te onderwerpen.

Ook culturele aspecten van prestatie meent Kohnstamm te doorgronden, blijkens zijn uitspraak dat ‘de protestants-joodse geloofsovertuiging ervan is doordrenkt dat de mens zich geweldig moet inspannen. In de islam moet het allemaal van de genade van God komen en wordt niet te veel verwacht van de individuele inspanning.’

Heel slim speelt Kohnstamm het ‘dogma van de gelijkheid’ uit tegen een allergie voor taboes in de hedendaagse samenleving. De vraag of iedereen in principe dezelfde talenten heeft, is volgens hem sinds 1945 onbespreekbaar en als het aan hem ligt wordt het taboe daarop nu doorbroken. Misschien is het daarom zo gek nog niet om te kijken naar wat er voor 1945 dan wél bespreekbaar was.

Wetenschap, normativiteit en overheidsbeleid gingen (niet alleen in Duitsland, maar daar in het bijzonder) al vanaf de jaren twintig hand in hand. Met het doel een maatschappij te creëren waarin iedereen zo goed mogelijke prestaties leverde, werd op grote schaal onderzoek gedaan naar de genetische bepaaldheid van onder meer ‘werkschuwheid’, met name bij ‘vagebonden’ als woonwagenbewoners en zigeuners. Het proefschrift van Wim Willems over de studie naar zigeuners voor en tijdens het nazisme (1995) geeft een goed beeld van de wijze waarop een biologische grondslag werd gezocht om in optimaal functionerende mensen te voorzien. Culturele waardeoordelen vormden uiteindelijk de basis van de Duitse rassenideologie, waarin begrippen als ‘werkschuw’ en ‘gemeinschaftsfähig’ een prominente plaats innamen.

Opvallend is dat Kohnstamm in zijn lezing net als zijn grootvader de christelijke theoloog Hermann aanhaalt, die in 1904 meende dat degenen die niet aan het arbeidsproces deelnamen, zoals de ‘vagebonden en de renteniers’ (in die tijd stereotyperingen voor zigeuners en joden), geen stemrecht behoorden te hebben.

Anders dan zijn grootvader distantieert Kohnstamm zich in een voetnoot van deze opvatting van het arbeidsethos en de impliciet ermee gepaard gaande afwijzing van niet-christelijke groepen, maar hij geeft hieraan geen enkele inhoudelijke invulling. In plaats daarvan doet hij suggesties over een gebrek aan werklust bij WAO’ers. En hij doet uitspraken als: ‘Het kan haast niet anders of er moet ook een tijd komen waarin weer openlijk gesproken en geschreven kan worden over de mogelijkheid van aangeboren persoonskenmerken van groepen uit de wereldbevolking, zoals dat ook in de tijd vóór het nationaal-socialisme het geval geweest is.’

Kohnstamm veronachtzaamt dat elke serieuze studie naar de opkomst van het nationaal-socialisme wijst op de lange aanloop daar naartoe, en dat alle rassentheorieën die vanaf 1875 opkwamen onherroepelijk naar het politieke racisme vooruitwezen. Het is daarom de vraag of Kohnstamms gebruik van ‘het mooie woord “werklust” ’ niet toch complementair is aan het begrip ‘werkschuwheid’.

Dat de verstrengeling van wetenschap, politiek beleid en culturele normen van vóór 1945 verwerpelijk was, zal hopelijk ook de mening van Dolph Kohnstamm zijn. Iemand die echter zo slecht op zijn woorden let als hij, roept een vergelijking met die tijd over zich af. Het is dan ook te hopen dat de ideeën van Kohnstamm niet in de toekomst, maar in het verleden thuishoren.





Dolph Kohnstamm, Kohnstamm-lezing Hulp speciaal aan leerlingen met goede werklust: Rechtvaardiging van een proefneming binnen het Amsterdamse onderwijs-achterstandenbeleid. Vossiuspers AUP, Amsterdam.

Yolande Jansen is als promovendus verbonden aan het Instituut voor Culturele Analyse van de Universiteit van Amsterdam. Huub van Baar is wiskundige en filosoof.