Multinationals aller landen

RUIM BAAN VOOR investeerders, is het motto van het Multilateraal Akkoord inzake Investeringen (MAI). Dit voorjaar moet het MAI worden ondertekend door de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso), de club van 29 rijke westerse landen waaronder Nederland. ‘We schrijven een grondwet voor de hele wereldeconomie’, zei een internationale topambtenaar over het MAI. Tot vreugde van multinationals en tot verontrusting van internationale vakbonds-, milieu- en ontwikkelingsorganisaties. De laatste vinden dat het MAI de beleidsvrijheid van overheden veel te veel inperkt, met alle sociale en milieugevolgen vandien.

Het uitgangspunt van het MAI is simpel: investeringen moeten onderhevig zijn aan onbeperkte internationale concurrentie. Binnenlandse ondernemingen mogen niet op de een of andere manier bevoordeeld worden ten opzichte van buitenlandse. Niet langer mag een gemeente bijvoorbeeld de voorkeur geven aan afvalverwerking door een lokaal bedrijf boven een Amerikaanse afvalmultinational. Ook al heeft het lokale bedrijf een betere staat van dienst op het gebied van milieu. Het boycotten van bedrijven, zoals van Shell ten tijde van de apartheid, wordt door het MAI verboden. Het MAI kent, kortom, vooral rechten, geen plichten voor multinationals.
Terwijl in het buitenland de pleuris is uitgebroken over het MAI, is het publieke debat in de Lage Landen zo dood als een pier. Alleen een paar individuen liggen er wakker van. Zoals Frans Engering, de directeur-generaal op het ministerie van Economische Zaken die de leiding heeft van de internationale onderhandelingen. ‘Hij heeft zich er in 1995 op gestort met het idee: dat doen we gewoon even. Het MAI is zijn love-baby’, zegt Sander van Bennekom, milieu-adviseur van onder andere het ministerie van Vrom en bezig met een boek over het MAI.
'De essentie van het MAI is voor ons de toegang tot ontwikkelingslanden’, zegt Michael Tone van de werkgeversorganisatie VNO-NCW. Alhoewel er aan het MAI gewerkt wordt onder de paraplu van de Oeso, is het bedoeld voor de hele wereld, inclusief de derde wereld. 'Nu is daar voor investeerders te veel onzekerheid. Men stelt er allerlei onmogelijke eisen, er dreigen voortdurend onteigeningen.’ Daar wil het internationale bedrijfsleven van af. En het MAI helpt hen daarbij.
HET MERKWAARDIGE is dat het MAI een verdrag is mede voor ontwikkelingslanden, maar dat het tot stand komt zónder die landen. Dat is ook de belangrijkste kritiek van Nico Schrijver, hoogleraar internationaal recht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij noemt het 'jammer en merkwaardig’ dat er in Nederland geen debat is over het MAI. 'Als er in Nederland over ontwikkelingssamenwerking wordt gepraat gaat het over 0,8 of 1 procent hulp en niet over structurele kwesties zoals grondstoffen en investeringen.’
Dat de ontwikkelingslanden buitenspel staan, valt te verklaren. Al vanaf de jaren zestig proberen de Verenigde Naties een wereldwijd investeringsverdrag van de grond te krijgen. Keer op keer ketste dat af door toedoen van ontwikkelingslanden die vonden dat de voorgestelde regels te veel de belangen van de investeerders behartigden. In de eerste helft van de jaren negentig lukte het wel om een wereldverdrag rond te krijgen, inclusief een organisatie die toeziet op de naleving van de vrijhandelsregels: de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Laten we nu binnen de WTO eens proberen ook de investeringen te liberaliseren, was het idee. Toen gooide India roet in het eten, omdat dat land bang was om de eigen vinger in de nationale economische pap helemaal kwijt te raken.
Dan doen we het eerst maar binnen een verband waarin we snel tot overeenstemming kunnen komen, redeneerde de Internationale Kamer van Koophandel (de mondiale werkgeversorganisatie), die samen met enkele westerse economische topambtenaren de drijvende kracht achter het MAI is. Dat werd de Oeso, waarvan onder meer alle EU-lidstaten en de Verenigde Staten en Canada lid zijn. Die landen moeten het MAI binnenkort gaan tekenen, waarna het de bedoeling is dat de ontwikkelingslanden volgen. Maar die kunnen toch gewoon weigeren wanneer ze geen trek hebben in dit verdrag, zou je zeggen.
Zo simpel ligt het niet. Ontwikkelingsorganisaties hebben aanwijzingen dat Tanzania nu al onder druk wordt gezet om het MAI te gaan tekenen. 'De grote assertieve landen, zoals India, kunnen misschien weigeren mee te doen’, zegt Schrijver. 'Maar de kleine landen en landen die heel graag buitenlandse investeerders willen, zoals Zimbabwe en Marokko, zullen tekenen.’
DRUK VAN GROTE ondernemingen duwt de landen over de streep. Computergigant IBM heeft inmiddels gezegd alleen nog te zullen investeren in landen die meedoen met het MAI. 'Het MAI geeft landen een keurmerk: hier kunnen jullie gerust investeren’, zegt Tone van VNO-NCW.
Het MAI maakt het voor ontwikkelingslanden onmogelijk de nationale economie te beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Terwijl bijvoorbeeld Zuid-Korea het juist daarvan moest hebben om tot een Aziatische tijger te kunnen uitgroeien. Buitenlandse investeerders werden verplicht winsten opnieuw in het land te investeren, een bepaald percentage aan lokale producten te kopen en werknemers van het land zelf in dienst te nemen. 'Met MAI is het Zuid-Koreaanse model niet meer mogelijk’, beaamt Tone. En dat vindt hij niet erg. De Zuidoost-Aziatische beurscrisis toont volgens hem aan dat die landen zich moeten aanpassen aan de wereldeconomie.
Wie verwacht dat Jan Pronk zich druk maakt over het MAI, zeker na zijn pleidooi onlangs in De Groene voor het inbouwen van sociale en ecologische normen in wereldomspannende afspraken, heeft het mis. 'Zijn reactie is buitengewoon magertjes. Laat maar waaien, is zijn houding’, zegt Vrom-adviseur Van Bennekom teleurgesteld. Het PvdA-kamerlid Sharon Dijksma wilde van Pronk weten waarom milieu en werkgelegenheid er in het MAI zo bekaaid van afkomen. 'Het is een onderwerp dat in eerste instantie wordt behandeld door mijn collega’s op het departement van Economische Zaken’, was de reactie van Pronk. Mede namens dat ministerie zegde hij de Kamer toe snel met een notitie te komen. Maar terwijl de onderhandelingen binnenkort de beslissende fase naderen, heeft de Tweede Kamer die brief nog steeds niet ontvangen. 'We horen almaar niks, we moeten via andere kanalen aan informatie komen’, klaagt Dijksma.
EIGENLIJK HAD Frans Engering het MAI vorig jaar mei al klaar willen hebben. Om de onderhandelingen niet tezeer te laten traineren door publieke verontrusting werd er zo min mogelijk ruchtbaarheid aan de onderhandelingen gegeven. Met succes: er was buiten het kringetje van onderhandelaars vrijwel niemand die ooit van het MAI had gehoord. Totdat vorig jaar Canadese maatschappelijke organisaties de concept-verdragtekst onder ogen kregen. In no time werd door Canadese vakbonds-, milieu- en consumentenorganisaties een anti-MAI-beweging uit de grond gestampt. Als een olievlek breidde het verzet zich uit naar de Verenigde Staten. Daar hebben de grootste vakbonden gedreigd een lobby tegen het MAI op gang te brengen als er geen bindende sociale normen in het verdrag worden opgenomen. En de milieubeweging ziet het mede als haar succes dat het Amerikaanse Congres president Clinton niet toestaat het MAI via een versnelde procedure door het congres te jagen.
Zolang de maatschappelijke en ecologische gevolgen van het MAI niet fatsoenlijk zijn onderzocht, moeten de onderhandelingen over het verdrag worden opgeschort, eisen de grote internationale milieu-organisaties (Greenpeace, Wereldnatuurfonds, Friends of the Earth). De Europese vakbeweging is daarentegen opvallend minder fanatiek. 'Wij willen geen revolutionaire dingen’, zegt Tom Etty, die namens de FNV zitting heeft in de vakbondsadviescommissie van de Oeso. 'Het uiterste wat wij kunnen bereiken is een verwijzing in de preambule naar de niet-bindende sociale gedragsregels van de Oeso. Streven naar bindende sociale normen is een illusie. Het politieke getij is nu eenmaal niet aan onze kant.’
Sander van Bennekom verbaast zich over die houding van de FNV. 'Wat is dat nou? Kom op jongens, peper in de kont!’ Volgens hem is daar alle reden voor. 'Het midden- en kleinbedrijf is de banenmotor in Nederland. Maar multinationals kunnen door hun grotere schaal goedkoper produceren, hebben toegang tot meer geavanceerde techniek, kunnen makkelijk geld het land in- en uitsluizen.’ Het MAI zal de positie van de multinationals verder versterken. 'Het zou me niet verbazen als het midden- en kleinbedrijf dan het nakijken heeft.’
WAT ER MET kleinere bedrijven kan gebeuren, laat een Arnhemse afval-affaire zien. De gemeentelijke afval-inzameldienst werd daar verzelfstandigd. De afvalmultinational BFI spande een rechtszaak aan tegen de gemeente omdat BFI, via een openbare aanbesteding, de afvalinzameling had willen overnemen. De multinational beriep zich daarbij op een MAI-achtige regel in het Europese recht. Het hof in Arnhem moet nog uitspraak doen, maar Sabine Voogd van Greenpeace kreeg nu al de 'MAI-kriebels’ van dit verhaal. 'De keuzevrijheden van overheden worden beperkt. Ik ben bang dat als BFI het proces wint, de gemeente een flinke schadevergoeding moet betalen.’
Hoewel BFI en het lokale afvalbedrijf onder dezelfde milieuwetgeving vallen, valt er wat voor te zeggen om uit milieu-oogpunt de voorkeur te geven aan een klein lokaal bedrijf: de internationale afvalhandel staat bekend om malafide dumpingspraktijken. Een dergelijke voorkeursbehandeling voor een lokaal bedrijf zal echter onder het MAI uit den boze zijn. Om het MAI geen wassen neus te laten zijn, hebben de onderhandelaars namelijk een economisch novum uit de hoed getoverd: een tribunaal. Multinationals die vinden dat ze oneerlijk worden behandeld, kunnen nationale, regionale en lokale overheden voor het MAI-gerecht slepen en schadevergoeding eisen.
Het MAI-tribunaal is volgens Van Bennekom een belangrijk element in het uithollen van de macht van overheden. 'General Motors bijvoorbeeld heeft een gigantisch arsenaal aan juristen. Als zij Nederland met een schadeclaim treffen omdat ze vinden dat ze er worden gediscrimineerd, kan Nederland daar heel wat juristen tegenover zetten. Maar Polen, ook lid van de Oeso, kan dat niet. Die kunnen hun verweer op een A4'tje zetten en worden dan onder de voet gelopen. Een land als Paraguay kan al helemaal afhaken. Daar hebben ze nooit de capaciteit om juridische gevechten met multinationals aan te gaan.’
HET MAI-TRIBUNAAL heeft daarmee een afschrikkende werking: alleen al uit vrees voor processen en enorme schadeclaims zullen landen hun wetgeving aan de MAI-normen aanpassen. Volgens staatssecretaris Dok van Economische Zaken is er echter niets aan de hand. 'In ieder geval is onbetwist dat het MAI de vrijheid van nationale overheden niet zal aantasten om eigen beleid inzake gezondheid, arbeidsnormen, veiligheid en milieu te voeren’, liet hij vorig jaar de Tweede Kamer weten.
'Dat zeiden ze over het Wereldhandelsverdrag ook’, reageert Sabina Voogd. De WTO kent namelijk ook een tribunaal. Nu is het zo dat de EU al jarenlang de toelating van met hormonen behandeld, Amerikaans rundvlees op de Europese markt tegenhoudt 'omdat onze consumenten dat niet willen’. Toen het WTO-tribunaal werd ingesteld, klaagden de Amerikanen de EU aan vanwege oneerlijke concurrentie. Het WTO-tribunaal stelde de Amerikanen onlangs in het gelijk: als de Europeanen niet binnen een jaar keihard wetenschappelijk aantonen dat consumptie van het Amerikaanse hormoonvlees schadelijk kan zijn voor de gezondheid - en dat schijnt moeilijk te zijn -, moet het worden toegelaten. 'Ik heb er een beetje, nee, een erg hard hoofd in dat met het MAI nationaal beleid overeind kan blijven’, concludeert Voogd.
DOOR AMERIKAANS-Europese conflicten en de Noord-Amerikaanse maatschappelijke onrust verlopen de onderhandelingen over het MAI een stuk minder soepel. De Amerikanen willen inmiddels zo'n tweehonderd uitzonderingen maken bij het verdrag, omdat ze bijvoorbeeld hun transport-, vliegtuigbouw-, energie- en scheepvaartsector bij nader inzien toch maar niet aan onbeperkte concurrentie willen blootstellen. Nederland houdt het tot nu toe bij een paar uitzonderingen: onze publieke omroepen uiteraard, plus spoorwegen, lucht- en binnenvaart en de Nederlandse vlag. Maar dat de Fransen en Candadezen met een uitzonderingsclausule willen voorkomen dat hun Franstalige cultuur versoapt, stuit op een totale weerstand van de Amerikanen. Die hebben Hollywood beloofd dat cultuur en audiovisuele media niet zullen worden uitgezonderd.
De Amerikanen pikken het al evenmin dat de EU als handelsblok een uitzonderingspositie binnen het verdrag wil. Bijvoorbeeld voor het Europese regionale onwikkelingsbeleid: bedrijven in armere regio’s worden gesubsidieerd met het geld dat de rijkere regio’s opbrengen. Oneerlijke concurrentie in de MAI-filosofie.
Onlangs ging het gerucht dat de EU de claim op een uitzonderingspositie heeft laten vallen. Misschien om op die manier handig af te komen van het regionale ontwikkelingsbeleid, dat met de toetreding tot een aantal Oost-Europese landen toch te duur zou worden.
IN WERKGEVERSKRING begint er inmiddels gemopper te ontstaan over het feit dat sommige regeringen voor sociale en milieuclausules in het MAI beginnen te pleiten. Niet van de kant van de Nederlandse regering, en evenmin onder druk van Nederlandse milieu- en vakbondsorganisaties. Die verwijzen veelal voor vragen naar elkaar door of zeggen er te weinig van te weten. 'Ik vroeg aan een ambtenaar van Economische Zaken waarom maatschappelijke organisaties in Nederland zo slecht geïnformeerd zijn over het MAI’, vertelt Erik Wesselius van de onderzoeksgroep Corporate Europe Observatory. 'Wij hebben contact met onze achterban en informeren de ministeries van Sociale Zaken en Vrom. Dat die niet met hun achterban praten is hun zaak’, reageerde de ambtenaar.
Maar volgens Sander van Bennekom, die het ministerie van Vrom assisteert bij het opstellen van een milieustandpunt over het MAI, heeft Economische Zaken duidelijk geen zin om open kaart te spelen. 'Ze bedienen zich van trucjes. Als Vrom een overleg heeft met Economische Zaken krijgen ambtenaren van Vrom pas één minuut voor tijd de stukken, of maar halve stukken, of ze praten eindeloos door over onbenullige dingen.’
De ambtenaren van Economische Zaken verwijzen voor een reactie naar hun voorlichtster. 'Ik weet niet waar die beschuldigingen vandaan komen. Natuurlijk zijn Sociale zaken en Vrom er minder bij betrokken dan Economische Zaken. Maar veel meer dan algemeenheden kan ik er niet over zeggen.’
De FNV houdt het poldermodel heel hoog en is niet van plan naar voorbeeld van haar Amerikaanse collega’s nu al een publiek debat over het MAI op te starten. 'Binnen de FNV-top hebben we nog niet gediscussieerd over het MAI’, zegt Tom Etty. 'Dat heeft geen zin zolang de Nederlandse overheid geen standpunt heeft ingenomen. En Nederland kan het zich niet permitteren om standpunten in te nemen omdat dat de positie van Frans Engering in gevaar brengt.’