INTERVIEW MET CHARLES ESCHE EN ANNIE FLETCHER

‘Musea lopen verschrikkelijk achter’

Voor Charles Esche is een museum al lang geen Museum meer.

Sinds hij in de jaren negentig in Glasgow naam maakte met het Tramway-kunstcentrum, is Charles Esche (1962) een veelgehoorde stem in de wereldwijde gesprekken over de toekomst van het kunstmuseum-als-instituut – dat mooie achttiende-eeuwse idee, ooit bestemd voor het tonen van kunst aan verstandige mensen voor hun persoonlijke genoegen – en zedelijke verheffing, wellicht. In Esche’s visie is het museum een van de laatste plaatsen in de moderne maatschappij waar ‘de publieke sfeer’ nog bestaat, de openbare ruimte, waar de gemeenschap urgente thema’s aan de orde stelt en bespreekt. Die plek is al lang niet meer de politieke arena, en ook andere instellingen die ooit die functie hadden – de kerk, de universiteit, het koffiehuis – zijn veranderd, gekrompen, verdwenen. Het museum is in veel opzichten een anachronisme. Toch zou het volgens Esche met succes ingezet kunnen worden ‘als instrument om ruimte te creëren voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën over onze omgeving en onze levenswijzen’.
Maar voordat je aan de kunst zelf begint, moet je eerst de maatschappelijke (lokale) context onderzoeken en doordenken. Een kunstcentrum in Eindhoven zal altijd iets anders moeten doen dan een centrum in Kwangju, Malmö, Istanbul, Berlijn of Cork, plaatsen waar Esche ook actief was. In Eindhoven kregen Esche en zijn Ierse curator, Annie Fletcher, dankzij een prijs van de Mondriaanstichting twee jaar de tijd voor zo’n uitgebreid proces van onderzoek. De tentoonstelling is er het slotakkoord van.

Waarom bent u begonnen aan zo’n lastig onderwerp als ‘identiteit’?
Charles Esche: ‘Omdat we soms moeten aanvaarden dat sommige dingen nou eenmaal complex zijn. In de politiek worden de dingen altijd simpel gemaakt. Mensen willen ze kunnen begrijpen. Maar om iets ingewikkelds te begrijpen, daar heb je tijd voor nodig, en tijd is iets wat we niet meer hebben. En dus wordt alles vereenvoudigd. Daar ligt iets wat een museum, of een ander cultureel instituut, kan doen: die moeilijke dingen aanpakken. Er niet voor op de vlucht slaan. Oversimplificeren heeft een gevaar. Het is fijn, natuurlijk, als je ’t allemaal even snel snapt: “Oké, de allochtonen zijn het probleem.” Of: “De immigratie is het probleem”, of: “de globalisering” – mooi, dat weten we dan, probleem opgelost. Maar dat heeft consequenties. Op de korte termijn is het makkelijk, maar op de lange termijn zou het wel eens gevaarlijk kunnen uitpakken als je die complexe zaken niet durft aan te gaan – gezien de geschiedenis is dat geen rare gedachte. Ik denk dat kunst nu goed in staat is om met die complexiteiten om te gaan.’
Wordt een museum een onderzoeksinstituut? Een academie?
Annie Fletcher: ‘Kunst wordt vaak alleen maar gezien als iets “waar je naar kunt kijken” of iets “wat spectaculair is”. Wij doen de suggestie dat een museum wel eens een belangrijke katalysator zou kunnen zijn voor dit soort discussies. Als je bedenkt hoe de universiteit zichzelf sinds de jaren zestig en zeventig opnieuw heeft uitgevonden, dan is het misschien wel tijd dat ook de musea zichzelf opnieuw uitvinden.’
Is Eindhoven, het Van Abbemuseum, daarvoor de goede plek?
Charles Esche: ‘Ja, zeker, juist omdat het in de provincie ligt. In de tijd van Rudi Fuchs of Jean Leering was dit al de plaats waar de experimenten in de Nederlandse museumwereld werden gedaan. Die situering in de provincie geeft je de kans een project als dit te ontwikkelen zonder dat je meteen verantwoording moet afleggen aan de hele wereld.’

De Mondriaanstichting stelde strenge eisen aan haar prijsvraag. Deelnemende musea dienden zich te onderwerpen aan een rigoureus zelfonderzoek: was de samenstelling van de staf, van de raad van bestuur, van de collectie, wel in overeenstemming met de ‘diversiteit’ van vandaag? Wordt Be(com)ing Dutch daardoor een proeve van politiek correct denken?
Charles Esche: ‘Ik ben geen Nederlander, dus ik begrijp die kritiek op politiek-correct-zijn niet zo. Wat “politiek correct” fundamenteel betekent is zelf-bewustzijn. Toen Theo van Gogh zei: “Alle Arabieren zijn geitenneukers”, was dat niet een vraag waar een Arabische man op straat zomaar een gelijkwaardig antwoord op kan geven. Er is een machtsverhouding tussen Theo van Gogh en zijn stem in de media, en de Arabische man in de straat die hij beledigt. Die machtsverhouding, daar gaat ’t om bij politiek-correct-zijn, dat je je daarvan bewust bent. Je kunt ’t nog altijd zéggen, maar je moet je ervan bewust zijn dat je die macht uitoefent – en dat je geen naïeve idioot bent die rondloopt met oogkleppen op en zegt dat hij geen idee heeft wat voor effect hij op de wereld heeft. Omdat het niet uitmaakt, omdat we toch geen invloed hebben op wat er gebeurt in de wereld? Nonsens; we hebben wél invloed.’
Moet het in een museum niet vooral gaan om de kwaliteit van het getoonde werk?
Charles Esche: ‘Ja, maar dan is toch opvallend hoe het merendeel van “de kwaliteit” wordt geproduceerd door witte mannen uit New York. (lacht hartelijk) Wat kan de verklaring daarvan zijn?’
Annie Fletcher: ‘Dat soort zelfonderzoek is altijd relevant. Bedenk hoe de vrouwen er twintig jaar geleden maatschappelijk gezien nog aan toe waren. Musea lopen echt verschrikkelijk achter.’
Wordt het dan een activistische expositie?
Charles Esche: ‘Ik denk niet dat het activistisch is – het gaat uit van een stel politieke vragen, die in het werkelijke leven behoorlijk urgent zijn. Heel gewoon. En dat leidt tot een tentoonstelling, die weer leidt tot een heel ander stel vragen en mogelijkheden en ontwikkelingen.’
Wordt het een linkse tentoonstelling?
Charles Esche: ‘Wij zijn voor emancipatie. Wij zijn voor égalité, fraternité, liberté. Daar staan wij voor. We zijn niet voor fascisme, nee. We zijn tegen fascisme. Ik zeg niet: wij zijn links…’
Maar jullie zijn toch links?
Charles Esche: ‘Ikzelf, ja. Maar als instelling, nee. Als instelling zijn wij voor vrijheid, gelijkheid, broederschap. Wij staan voor die waarden. Volop. In onze democratie kunnen die ook van de rechterkant zijn. Maar als je het hele spectrum wil reflecteren, moet je het fascisme ook reflecteren, en dat doen wij niet.’

Is het niet zo dat kunstenaars tegenwoordig geen politieke agenda hebben? Ze zijn autonoom, ze mogen doen wat ze willen. Politiek komt, zeker in Nederland, pas op het tweede of derde plan.
Charles Esche: ‘Als je zo naar kunstenaars kijkt, dan marginaliseer je ze. Dan zeg je namelijk ook dat wat zij doen geen enkel effect heeft. Als je zegt dat ze mogen doen wat ze willen, dan zeg je ook dat ze net zo goed niks kunnen doen. Het heeft tóch geen belang, het heeft geen betekenis, het verandert mijn perceptie van de wereld niet. Kunst heeft niets met mij te maken. Dat is het gevaar van die opvatting. Je creëert autonomie, en daarmee ook irrelevantie. Een vacuüm.’
Annie Fletcher: ‘Beuys zei: “Ieder mens is een kunstenaar” – waarop Kippenberger zei: “Maar vergeet niet dat iedere kunstenaar ook een mens is.” In de Eindhoven Caucus hebben we precies dat idee onderzocht, dat je als kunstenaar sociale en politieke verantwoordelijkheden hebt, gewoon als burger, als iemand die aan de maatschappij deelneemt. Het idee dat je je handen er van af kan trekken, alleen omdat je kunstenaar bent, is gewoon bullshit. Je bent net zo relevant als alle anderen, en je hebt net zo veel recht op je positie als alle anderen.’
Charles Esche: ‘We hebben het hier natuurlijk wel over kunstenaars waar we eerder mee gewerkt hebben, die we eerder al getoond hebben, waar we al lange discussies mee hebben gehad. Zeggen dat een kunstenaar niet autonoom is, wil niet zeggen dat hij niet subjectief is. Het is niet opeens iemand die namens een gemeenschap spreekt, namens “autochtoon Nederland” of wat ook – ze spreken namens zichzelf.’
Maar hoe wil je dan je specifieke politieke thema’s duidelijk maken?
Charles Esche: ‘Het is het verschil tussen een beginpunt en een eindpunt. Met de tentoonstelling kom ik tot een eindpunt, en er zijn een heleboel unknowns. We hebben het beginpunt heel duidelijk gemaakt, en gebaseerd op huidige relevante politieke en sociale kwesties, de kwestie van identiteit, en we hebben dat proces vervolgens overgegeven aan de kunstenaars. Ze maken geen één-op-één-voorstelling van een of andere opzet of politieke richting, die wíj zouden hebben. De kunstenaar vertaalt dat op een – ook voor zichzelf – oncontroleerbare manier. Dus wat de tentoonstelling wordt, dat is een vraagteken.’