L’Internationale: een Europese stem in de mondiale kunst

Musea van de wereld

Hedendaagse kunst lijkt meer dan ooit toegang te hebben tot een breed publiek en over ongekend economisch potentieel te beschikken. Maar wat zijn de échte gevolgen van de mondiale oriëntatie van kunstinstellingen?

Het MoMA in New York en het Tate Modern in Londen trekken miljoenen bezoekers, en musea als het Guggenheim en het Louvre openen over de hele wereld filialen. De opkomst van dominante kunstinstellingen is een economisch en politiek verhaal. Het duidt op een verschuiving waarover nauwelijks wordt gesproken in het toonaangevende discours van kunst en media. Van de vooraanstaande Amerikaanse kunsttheoreticus Claire Bishop verscheen in 2013 het boek Radical Museology, waarin zij kritisch oordeelt over de manier waarop de mondiale kunstgiganten te werk gaan: het MoMA herschikt de permanente opstelling van de werken uit zijn collectie op basis van de jongste aankopen van de trustee, en in Azië zijn de grootste op collecties gebaseerde musea voor hedendaagse kunst opgericht onder auspiciën van rijke individuen. ‘Als we naar dit mondiale panorama van musea voor hedendaagse kunst kijken, is wat hen allemaal verbindt niet zozeer de zorg voor een collectie, een geschiedenis, een positie of een missie, maar het gevoel dat de hedendaagsheid gestalte krijgt op het niveau van het beeld: het nieuwe, het hippe, het fotogenieke, het goed ontworpene, het economisch succesvolle’, concludeert Bishop.

Afgezien van de kwestie waar Bishop op doelt – de feitelijke betekenis van de term ‘hedendaags’ in de kunsten – betreffen haar voornaamste punten het werk van grootschalige, dominante instellingen voor hedendaagse kunst, bepaald door factoren en omstandigheden die meer dan ooit tevoren buiten de kunst zelf staan: de markt, rijke verzamelaars, de wensen van eigenaren en de ambitie om een zo groot mogelijk aantal bezoekers te trekken (het MoMA heeft ruim twee miljoen bezoekers per jaar). Deze externe coördinaten oefenen negatieve invloed uit op de fundamentele missie van musea: het leveren van professionele inspanningen op het gebied van het opbouwen van een collectie en van een archief, zodat die collectie van een historische context kan worden voorzien, en het nadenken over de rol van de instelling zelf, zowel in de huidige sociaal-politieke realiteit als in de nabije toekomst.

Tegenover dit mondiale model van presentatie en interpretatie van hedendaagse kunst staat een alliantie van zes Europese musea, gevestigd in Madrid, Barcelona, Istanbul, Antwerpen, Eindhoven en Ljubljana, die al jaren samenwerken en zich in 2010 formeel hebben verenigd als L’Internationale. Onlangs ontving L’Internationale 2,5 miljoen euro Europese subsidie voor een vijfjarig samenwerkingstraject, dat een tegenwicht moet bieden aan het overheersende model door een alternatieve instelling voor hedendaagse kunst te ontwikkelen.

‘Het is een feit dat grote kunstinstellingen altijd de status-quo hebben versterkt’, zegt Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. ‘Hoe radicaal de mensen ook waren die er werkten, de instellingen zijn altijd beperkt geweest – door de financiële middelen die zij kregen en door de oriëntatie van hun eigenaren (nationaal of particulier). Er bestaat (als het goed is) een inherente tegenstelling binnen kunstinstellingen, tussen de wens van kunstenaars en curatoren om politiek actief te zijn aan de ene kant, en de stevige controle van de bestaande machtsstructuren aan de andere. In mijn optiek is het de plicht van een goede directeur om de ambities van de eerstgenoemde groep te stimuleren en de grenzen van de instelling te verkennen, terwijl je ook archieven voor de toekomst veiligstelt.’ Esche gelooft dat dit ‘antagonistische evenwicht’ in het kunstsysteem van vandaag de dag onderuit is gehaald: ‘Omdat ze te maken hebben met de bemoeizucht van de politiek en moeten meegaan met de grillen van superrijke verzamelaars staan kunstinstellingen onder enorme druk om ofwel als substituut te fungeren voor het mislukte sociale welzijnsbeleid of als blijk van het feit dat de superrijke oligarchie edele bedoelingen heeft.’ Instellingen hebben minder manoeuvreerruimte om vrij en onafhankelijk te werk te gaan dan ooit tevoren. Kunstenaars en curatoren worden gijzelaars van de belangen van de verzamelaars of de macht van het galeriesysteem, terwijl de kunstwereld steeds conformistischer wordt.

Manuel Borja-Villel, directeur van het nationale museum voor beeldende kunst Reina Sofia in Madrid, waarschuwt voor de kracht van de markt. De algehele tendens van de privatisering van een samenleving die is gebaseerd op cognitieve arbeid brengt het risico met zich mee dat kunst louter nog handelswaar wordt. ‘In het verleden vloeide de waarde van een kunstwerk voort uit het oordeel en het onderzoek van kunstcritici en experts, terwijl die waarde vandaag de dag wordt bepaald door de markt en modetrends’, zegt hij. Dit heeft ervoor gezorgd dat de prijzen van talloze werken van moderne en hedendaagse kunst zozeer zijn gestegen dat ze buiten het bereik van openbare musea zijn komen te liggen, waardoor het publieke karakter van kunstinstellingen en van de kunstproductie zelf is ondermijnd. Kunst is het privilege van de rijkste echelons van de samenleving geworden. Particulier kunstbezit maakt het onmogelijk artistieke praktijken te onderzoeken en te promoten die geen onderdeel van het systeem of van de overheersende stroming zijn, voegt Borja-Villel daaraan toe.

‘Voor mij is de beeldende kunst een van de belangrijkste terreinen in de hedendaagse samenleving’, zegt Bart De Baere, directeur van het Museum voor Hedendaagse Kunst (M HKA) in Antwerpen. ‘Zij richt zich op het begrijpen van de wereld waarin wij leven en op het vergroten van ons vermogen om op een onorthodoxe manier over de wereld na te denken.’ Vandaag de dag probeert het neoliberale systeem dit potentieel van de kunst ongedaan te maken. Musea die overal ter wereld filialen openen (wat soms wordt aangeduid als de ‘McDonaldisering van de musea’) en structurele reorganisaties doorvoeren om betere resultaten te bereiken, zijn in een interessante positie terechtgekomen: zij moeten een gezamenlijke noemer vinden die de massa’s naar binnen trekt, aldus De Baere. Het is waar dat zij op deze manier de hedendaagse kunst populariseren, maar dat leidt tot het remmen van de artistieke pogingen om uit de bestaande kaders van ideologie en esthetiek te breken.

Over het functioneren van het kunstsysteem heeft de eminente kunsttheoreticus Boris Groys gezegd dat de kunstmarkt inderdaad mondiaal is geworden, terwijl kunstinstellingen als musea en kunstacademies lokaal zijn gebleven. Veilingen bij Sotheby’s of Christie’s of de kunstbeurs van Basel lijken in de ogen van de publieke opinie de hedendaagse kunst beter te vertegenwoordigen dan musea voor hedendaagse kunst. ‘Dat is de reden dat L’Internationale zo belangrijk is’, aldus Groys. ‘Het is de eerste stap op weg naar een internationale kunstinstelling die de heerschappij van de kunstmarkt kan weerstaan. In de context van L’Internationale wordt kunst niet verstaan of tentoongesteld als een specifieke manier van het produceren van handelswaar, maar als een medium waarin sociale en politieke beslissingen kunnen worden genomen, en een politieke positie kan worden gearticuleerd.’

De mondiale kunstwereld is een slagveld voor het behalen van winst en het verkrijgen van symbolische macht

Deze samenwerking tussen Europese musea heeft diverse implicaties. In de eerste plaats betekent dit dat musea elkaar hun collecties uitlenen en zo aan een plaatselijk én een breder publiek het gemeenschappelijke, gedeelde Europese erfgoed kunnen tonen. Alle genoemde instellingen hebben hun eigen collectie of collecties met diverse oriëntaties, die niet alleen de plaatselijke kunst vertegenwoordigen, maar ook de internationale contexten en regio’s die daar relevant voor zijn. Met zijn collecties van Russische en Centraal-Aziatische kunst, en vooral Russische avant-gardekunst, biedt M HKA tegenwicht aan de instellingen die vooral op de westerse kunstproductie zijn gericht. Naast de meesterwerken van de Spaanse kunst, zoals Picasso’s Guernica, presenteert Reina Sofia ook Latijns-Amerikaanse kunst. Het macba in Barcelona onderhoudt banden met de Noord-Afrikaanse kunst, terwijl de Moderna galerija in Ljubljana een verzameling Oost-Europese kunst heeft. Het Van Abbemuseum kent een meer klassieke, West-Europese, Amerikaanse moderne kunstverzameling met een unieke collectie werken van El Lissitzky en stevige internationale accenten in de periode na 1989. Salt is als enige L’Internationale-partner geen museum, maar een onderzoeksinstelling waarin archieven van kunstenaars en architectuurgeschiedenis centraal staan.

Alle musea zijn stevig verankerd in hun lokale omgeving. Enerzijds betekent dit dat ze zich concentreren op de plaatselijke artistieke productie, anderzijds dat ze worden beïnvloed door politieke besluiten op nationaal en gemeentelijk niveau en daarvan afhankelijk zijn voor hun financiering. De directeuren van L’Internationale zijn ervan overtuigd dat hun collecties een belangrijk gemeenschappelijk Europees cultureel erfgoed vertegenwoordigen, wat de plaatselijke, bijzondere verhalen de kans geeft weerklank te vinden in de internationale ruimte. Behalve over het samenbrengen van het erfgoed gaat de samenwerking, zo benadrukken ze, ook over het delen van kennis. En bovenal betekent dit dat er licht wordt geworpen op het eigen werk en op de manier waarop de collecties worden gepresenteerd, en op hun positie als hoeders van het publieke artistieke belang.

Groys ziet L’Internationale als een mogelijkheid om een Europese stem te laten klinken in de mondiale kunstwereld. Voor de zes musea, die (uitgezonderd Salt) afhankelijk zijn van publieke financiering, vertegenwoordigt de alliantie een manier om in die wereld te overleven. Tegelijkertijd ligt de cruciale invloed van deze coalitie wellicht in het openbreken van het publieke debat over de omstandigheden die het functioneren van de kunstwereld reguleren, en over de ideologische en economische gevolgen van het beleid van musea voor hedendaagse kunst. Dit kan ook worden beschouwd als het politieke aspect van L’Internationale, dat een andere component toevoegt aan de traditionele missie van musea (behoud van het erfgoed): de noodzaak om opnieuw na te denken over de omstandigheden waarin kunstinstellingen hun werk moeten doen, en vooral over de manier waarop deze instellingen de verhalen produceren over wat kunst is, en over hoe die kunst er dan uitziet.

De mondiale kunstwereld is dus niet alleen een slagveld voor het behalen van winst, maar ook voor het verkrijgen van symbolische macht, en voor het veiligstellen van de dominantie van een bepaalde interpretatie van hedendaagse kunst – die uiteraard ook economische implicaties heeft. Meer dan dat: de grote instellingen lijken hun verhalen over welke kunst relevantie heeft al te hebben doorgedrukt, waarbij ze zich de kunst van andere landen toeëigenen en in het overheersende westerse stramien inlijven. In deze context wint L’Internationale aan erkenning, vooral dankzij het feit dat zij niet op de toestand van de kunstwereld reageert door te klagen of – wat momenteel heel populair lijkt – door de slachtofferrol aan te nemen. In plaats daarvan geeft ze actief vorm aan haar kunstbeleid, terwijl ze nooit haar taak vergeet om ervoor te strijden dat kunst in de kring van het publieke belang blijft thuishoren.


Jela Krecic is een Sloveense journalist. Dit is een ingekorte versie van het artikel dat 16 augustus verscheen in de Sloveense krant Sobotna Priloga.

Vertaling: Menno Grootveld


Beeld: Constant_, Spatiovore Amsterdam, 1960 (Courtesy Gemeentemuseum Den Haag)._