Het Koninklijk Instituut voor de Tropen

Museum voor Wereldculturen

‘Als de basissubsidie wegvalt, is het einde exercitie.’ Het KIT maakt zware tijden door. Terwijl het instituut nationaal en vooral internationaal van grote waarde is. Toch gaat er ook een hand in eigen boezem: ‘We hadden ons verhaal veel actiever naar buiten moeten brengen.’

WIE BINNENLOOPT in de imposante hal van het gebouw van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (kit) waant zich even honderd jaar terug. Imponerend marmer dat de sfeer oproept van de grote koloniale mogendheid die Nederland ooit was. De neerslag van de rijkdom die dat heeft opgeleverd ligt op allerlei manieren opgeslagen in de catacomben. Voor een buitenstaander die via de met pasjes afgesloten lange gangen in het gebouw doordringt, gaat een wereld open die bij weinig mensen bekend is.

Het kit ligt onder vuur. Eind vorig jaar kondigde staatssecretaris Ben Knapen aan dat de jaarlijkse subsidie van twintig miljoen euro per 1 januari 2013 naar nul zal worden ­teruggebracht. Het instituut aan de Mauritskade in ­Amsterdam, dat al meer dan een eeuw bestaat, dreigt meegesleurd te worden in een omslag van het beleid over ontwikkelingssamenwerking. Het lijkt erop dat het imposante en ondoordringbare gebouw invloed heeft gehad op de bewoners ervan. Die zijn zo betrokken bij de Derde Wereld dat ze zijn vergeten dat je dat ook aan de Nederlandse wereld moet vertellen. Dat verklaart wellicht ook de grote schok bij de mededeling van de subsidiekorting. Ook in de omgang met journalisten is men terughoudend en voorzichtig, zo blijkt tijdens een rondgang langs betrokkenen.

Het besluit van de staatssecretaris kwam voor het kit volkomen uit de lucht vallen. Tot op de dag van vandaag kent het instituut de argumenten niet. Jan Donner, die onlangs na tien jaar voorzitterschap van de raad van bestuur met pensioen ging, zegt: ‘Opmerkelijk is dat er in januari 2011 door kpmg in opdracht van het ministerie een evaluatie is uitgevoerd met als uitkomst: een uitstekend instituut, effectieve output, doorgaan op deze manier. We wisten inmiddels wel dat er minder geld beschikbaar zou komen. Vervolgens werd bekend dat ontwikkelingssamenwerking anders gefinancierd zou gaan worden en toen kwam de verrassende mededeling: het kit hoort daar niet meer bij.’

Ook in 2011 was de subsidie al gekort, van 24 naar twintig miljoen. ‘Als de basissubsidie wegvalt, is het einde exercitie’, zegt Donner. ‘In onze ergste nachtmerries houdt dat in dat we geen huisvesting meer hebben, dat we onze collecties niet meer als geheel kunnen handhaven en dus de markt op moeten om ze te verkopen.’ Geëmotioneerd: ‘Dat mag niet en dat kan niet. Heel veel erfgoed is ook via legaten verkregen. De keerzijde bij sluiting van afdelingen is bovendien dat er een veelvoud van het bezuinigde bedrag op tafel moet komen voor de afbouw. Het gebouw is ons eigendom. De erfpacht van enkele tonnen per jaar is ooit voor één gulden afgekocht door de stad Amsterdam. Als wij sluiten kan de gemeente het gebouw claimen en bij omzet in commerciële activiteiten vervalt de erfpachtafspraak.’

HET KIT heeft vier grote onderdelen: Tropenmuseum en Tropentheater, de afdelingen KIT Information Library Services, KIT Biomedical Research en KIT Development Policy Practice. Het museum is met tweehonderdduizend bezoekers per jaar verreweg het meest bekend. Peter Verdaasdonk is sinds 1 januari van dit jaar directeur van de combinatie Tropenmuseum en Tropentheater. Het is zijn eerste baan in de culturele sector. Ooit werkte hij bij Euro Disney en hij heeft negen jaar directeurschap van Madurodam achter de rug. Hij komt het best tot zijn recht in veranderingstrajecten, stelt hij, en wat dat betreft kan hij nu zijn hart ophalen. ‘Van buiten komen is een voordeel, je maakt geen deel uit van de historie van het kit.’

Verdaasdonk heeft te maken met nog een andere beslissing van de staatssecretaris: dat bijna de helft van de twintig miljoen euro subsidie, acht miljoen, die toeviel aan het Tropenmuseum, niet meer door Buitenlandse Zaken maar door oc zal moeten worden betaald. Gesuggereerd wordt een fusie tussen het museum Volkenkunde in Leiden en het Afrika Museum in Berg en Dal. Verdaasdonk staat daar positief tegenover: ‘Een samenwerking met respect voor beide kanten kan productief werken. Gezamenlijk kun je een museum worden dat tot de top in Europa behoort.’ Tot spijt van Verdaasdonk zit 95 procent van zijn museumcollectie in het depot, slechts vijf procent kan tegelijkertijd worden vertoond. ‘Alle aspecten van het leven in andere culturen hebben we in huis: meubelen, kunstuitingen, wapens. Wat we kunnen laten zien is het topje van de ijsberg. Dat moet anders.’

De andere onderdelen van het kit genieten in Nederland minder bekendheid. Tilly Minnée werkt al dertig jaar bij het kit en is sinds zes jaar hoofd van de bibliotheek. Ook zij is bezorgd over de dreigende bezuiniging: ‘De bibliotheek gaat terug tot 1777, is voor 45 procent uniek en met een miljoen documenten de grootste bibliotheek in Europa in zijn soort. Ook vanwege de collecties uit Latijns-Amerika, Azië en Afrika; je kunt hier volledig in context onderzoek doen.’ Onder Minnée’s verantwoordelijkheid worden de veertigduizend boeken, vierduizend ­tijdschriften en vijftienduizend kaarten gedigitaliseerd en onlangs is er software ontwikkeld om de inhoud nog gerichter toegankelijk te maken. ‘De informatie, zoals over malaria, wordt intensief gebruikt voor onderzoek’, vertelt ze. ‘In Nederland, maar vooral in de landen van herkomst. In een land als Indonesië zijn veel bronnen verloren gegaan en wat er wel was is niet gedigitaliseerd.’ De vijftienduizend kaarten worden meer dan ooit online en fysiek gebruikt, zoals bij grensconflicten en bij de tsunami. ‘Niemand had die kaarten bewaard. Artsen Zonder Grenzen nam onze kaarten mee op cd-rom en kon zo gebieden lokaliseren. Ook de boeken die niet gedigitaliseerd zijn worden veel gebruikt. Ook door mensen die zoeken naar hun roots.’

Volgens Minnée wordt de digitale collectie op dit moment meer bezocht vanuit Indonesië en de Verenigde Staten dan vanuit Nederland. ‘Onlangs is met Elsevier Science Publishers een deal gesloten om tot en met 2015 alle informatie uit de bibliotheek gratis beschikbaar te stellen aan tweehonderd bibliotheken in ontwikkelingslanden. We hebben ook partnerships in ontwikkelingslanden als Ghana en Mozambique. Bedoeld om universiteiten vertrouwd te maken met digitale onderzoeksmethodologieën en het opzetten van online systemen, zodat wetenschappers in die landen ook hun eigen onderzoeksresultaten leren opslaan en toegankelijk maken voor de rest van de wereld.’ Minnée toont zich strijdbaar: ‘Wij zijn van plan meer diensten te gaan verlenen aan de ontwikkelingssector, aan ambassades en aan het bedrijfsleven. Nu verdienen we daar al een paar ton per jaar mee, maar dat zal veel meer moeten worden.’

De afdeling Biomedical Research is gevestigd in een gebouw dat grenst aan het amc in Amsterdam. Hier wordt met grote toewijding en ervaring toegepast gericht onderzoek gedaan naar volksgezondheidsproblemen in ontwikkelingslanden. Het onderzoek is vooral gefocust op infectieziekten, vertelt afdelingshoofd Paul Klatser in zijn kleine, weinig luxe werkvertrek. ‘Wij ontwikkelen simpele diagnostische testen voor gebruik in het veld, zo dicht mogelijk bij de patiënt.’ Zijn afdeling bestaat al sinds 1910 en de manier waarop hij met ongeveer vijftig mannen en vrouwen werkt is uniek in de wereld. Zijn laboratorium wordt door de who dan ook als wereldstandaard geoormerkt. Klatser: ‘Er zijn heel weinig onderzoeksinstituten die dit soort onderzoek doen in en voor ­ontwikkelingslanden. Het is niet het vak waar je Nature en Science mee haalt. Weinig pretentieus en de salarissen zijn laag.’ Hij lacht: ‘De factor idealisme speelt bij ons een grote rol.’

Ook de combinatie van onderzoek en toepassing is uniek in de wereld. Als voorbeeld noemt Klatser het onderzoek naar tuberculose: ‘Dat kon alleen maar uitgevoerd worden met opgehoest slijm onder de microscoop. Maar dat is een lastige techniek, bovendien zijn laboratoria in ontwikkelingslanden vaak slecht geoutilleerd.’ Zijn laboratorium bedacht een methode met fluorescentie, samen met Philips werd vervolgens een led-lampje ontwikkeld en uitgeprobeerd in Vietnam, waar men laaiend enthousiast was. Later werd het overgenomen door bedrijven en organisaties goedgekeurd en aanbevolen door de who en nu is het wereldwijd dé techniek bij de diagnose tbc. ‘Vanwege onze ervaring doen wij hier ook alle diagnostiek in Nederland, voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu zijn wij het nationale referentielaboratorium. Iedereen bij wie leptospirose wordt vermoed wordt hierheen gestuurd.’ Zijn laboratorium heeft een omzet van ongeveer zes miljoen en ontvangt twee miljoen subsidie van het Directoraat Generaal Internationale Samenwerking. ‘Deze subsidie is absoluut noodzakelijk om de infrastructuur in stand te houden’, zegt Klatser.

Ook de afdeling Development Policy Practice doet toegepast onderzoek, maar dan op het gebied van duurzame economische ontwikkeling. Landbouwketens, gezondheidszorg, gender en educatie zijn de voornaamste terreinen. Het onderzoek is in de eerste plaats bedoeld om nationale overheden, ondernemers, ziekenhuizen en ministeries in Afrika en Latijns-Amerika te informeren over deze onderwerpen. Afdelingshoofd Bart de Steenhuijsen Piters zit in zijn langwerpige kleine kamer ingeklemd tussen een grote oliepalm en een biodieselboom, die officieel de naam jatropha draagt. ‘Ooit een keer in de grond gestopt, maar hij groeit maar door’, zegt hij bijna verontschuldigend. Van teler van tropische planten is hij expert in duurzame economische ontwikkeling geworden. Als ik hem vertel dat ik deze tak binnen het kit niet vermoedde zegt hij: ‘Te weinig mensen weten hoe vooraanstaand wij zijn. We zijn beroemder in Tanzania dan in Nederland. Onze omzet is twaalf miljoen, waarvan ongeveer vier miljoen subsidie, maar dat noemen wij output-subsidie, omdat wij daarvoor producten moeten leveren.’

Als voorbeeld van zijn werk noemt hij een uitgebreid onderzoek naar de rol van vrouwen in landbouwketens, dat diende om te bewijzen dat vrouwen een succesvolle rol hebben in de economische ontwikkeling van Afrika. Hij werkt samen met onder meer de who, de VU en de Bill Melinda Gates Foundation. Onlangs sloot hij een groot onderzoek af waaruit bleek dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, de meeste grond in Burkina Faso niet door China wordt opgekocht maar door de elite van het land zelf. Hij vertelt: ‘Een kleine groep koopt land op, stoot de boeren eraf en gebruikt alles wat er boven de grond staat voor houtskool, om de investering te kapitaliseren. Wij hebben dit officieel aangekaart bij de regering. Dat leverde veel discussie op in de media en het gevolg is dat wij een onafhankelijk onderzoek hebben kunnen doen, een inventarisatie van dorp tot dorp, en dat we nu de overheid begeleiden bij de eerste stappen van het regelen van landrechten.’

Op de vraag hoe het komt dat zo weinig bekend is wat zijn afdeling doet, geeft hij een ontnuchterend antwoord: ‘Het kost heel veel om dat bekend te maken! Organisaties als Oxfam Novib besteden minimaal tien procent aan communicatie. Misschien wel meer. Ik weet dat een vergelijkbare Engelse organisatie tien procent van zijn budget besteedt aan het informeren van de thuisbasis. Maar dat vind ik een beetje pervers. Dat is niet de kring die jouw onderzoek nodig heeft. Wij zijn toegepaste wetenschappers die ons geld optimaal willen gebruiken. En wij besteden dat het liefst in Afrika. Borstklopperij hebben wij nooit zo nagestreefd en ik denk dat dat ons nu opbreekt.’

HOEWEL elke afdeling een deel van de subsidie ontvangt en de rest uit de markt haalt, betekent dat niet dat elk onderdeel afzonderlijk kan bestaan. De meerwaarde van het kit zit juist in de wederzijdse bevruchting van elkaars activiteiten. Jan Donner legt uit: ‘De basis van alles is de kennis die in het instituut zit. Als de bibliotheek dichtgaat, raken alle andere afdelingen en vooral de ontwikkelingssector verstoken van informatie. Als ik met de minister-president van Curaçao praat kom ik met het kit van drie kanten binnen: waterprojecten, biomedisch onderzoek en duurzame economische ontwikkeling. Dat brengt gezamenlijke inkomsten mee, met gemiddeld een miljoen aan omzet per project.’

‘Wij werken samen met de kennisgebieden gezondheid en educatie, die aan capaciteits­opbouw doen bij universiteiten en ziekenhuizen in ontwikkelingslanden’, zegt Paul Klatser. ‘Voor ziektes als hiv en malaria heb je laboratoriumdiagnostiek nodig.’ Hij maakt zich grote zorgen over de toekomst: ‘Zo’n bezuinigingsboodschap werkt deprimerend. Je weet wat je doet, geniet internationale waardering, hebt aantoonbare impact en output en dat wordt zonder argumenten achteloos weggekapt. Het bedrijfsleven investeert niet in armoede gerelateerde ziektes, dat is niet interessant voor ze. Daar moet je een overheidsimpuls voor hebben. De simpele testen die wij ontwikkelen heb je bovendien ook in Nederland nodig. Die ziektes kennen tegenwoordig geen grenzen meer.’

Peter Verdaasdonk beaamt volmondig de stelling dat het kit te weinig bekend heeft gemaakt wat het doet: ‘Het kit is heel veel, maar de meeste mensen hebben geen idee. Dat ligt ook aan onszelf. Het museum treedt naar buiten, het instituut als geheel is naar binnen gekeerd geweest. We zitten in onze trotse toren, met een hek eromheen, ingangen zijn moeilijk te vinden en dat lijkt symbolisch voor onze houding. We hadden ons verhaal veel actiever naar buiten moeten brengen, want wat we doen heeft een grote toegevoegde waarde voor de maatschappij.’ Dat het niet eerder gebeurd is, is niet terug te draaien, zegt hij. ‘Wat we wel kunnen laten zien is dat we met onze tijd en de situatie mee willen bewegen. Enerzijds door actief openheid te geven over wie we zijn en wat we doen en hoe onze geldstromen lopen, anderzijds door te zoeken naar nieuwe, commerciële wegen.’

Zelf heeft hij grootse plannen met het Tropenmuseum: ‘Ik kom uit een hospitality-omgeving, ik wil mensen binnenhalen, niet weg­jagen. Je wordt verdrietig van dat hek om het museum. En om het nog erger te maken heeft de gemeente er een toilet naast gezet…’ Begin eens met een bordje ‘Welkom’, zegt hij. ‘Het museum moet duidelijk zichtbaar worden en zich openen naar de buurt waarvan het een onderdeel is!’ Hij wil een gethematiseerde horecalijn naar het Oosterpark toe en een museumcafé met fatsoenlijke shops. ‘Zo zal er verkeer en contact ontstaan. Het museum moet een maatschappelijk platform worden voor organisaties en instellingen uit verschillende culturen. Het model van het laten zien van vreemde volken en verre landen is achterhaald. Net als het debat over de multiculturele samenleving. Die bestaat al meer dan vijftig jaar.’ Als het aan hem ligt zal ook de naam van het museum veranderen: ‘Tropeninstituut heeft koloniale connecties. Museum van Wereldculturen dekt de lading veel beter.’

Sinds twee maanden zijn de lijnmanagers van het kit weer in gesprek met beleidsambtenaren van het ministerie, onder goedkeurend oog van het hogere echelon op Buitenlandse Zaken en de raad van commissarissen, om te proberen tot een minimumscenario te komen voor een afbouw en een meer zakelijke manier van opereren. Jan Donner, optimistisch: ‘Er is beweging. Geen geld is al lang niet meer “geen geld meer”, maar “hoeveel geld is er nog wel en wat kun je daarmee”. Dat overleg is open en constructief.’

De nieuwe voorzitter, Rudy Rabbinge, die inmiddels de contacten met het ministerie onderhoudt, vertelt dat het wederzijdse doel is het kit toekomstbestendig te maken. ‘Vraaggestuurd opereren, partnerships sluiten en naar buiten gericht zijn. Dat is wat een organisatie in de 21ste eeuw moet zijn en daar werken we naartoe.’ Ook Verdaasdonk toont zich optimistisch: ‘Als de subsidie stopt kunnen we sluiten. Als we de tijd krijgen de subsidie af te bouwen naar een minimum kunnen we uitstekend voortbestaan.’ Naar wat de staatssecretaris heeft bewogen om aanvankelijk alles te willen stoppen kan hij slechts gissen: ‘Misschien heeft het ministerie gedacht: laten we ze een flinke schop geven. We overleggen niet in die termen, maar misschien is het een afweging geweest. Als dat zo is, is het wel gelukt.’


KIT

Het Koninklijk Instituut voor de Tropen werd in 1910 als Koloniaal Instituut opgericht door particulieren, overheid en bedrijfsleven, als voortzetting van het Koloniaal Museum in Haarlem, dat al bestond sinds 1871. Plantkundige Frederik Willem van Eeden, vader van schrijver Frederik van Eeden, was vanaf 1860 in zijn eigen huis begonnen met een verzameling tropische producten, mineralen en opgezette dieren uit de koloniën. Later werd zijn collectie ondergebracht in Paviljoen Welgelegen, het huidige provinciehuis van Noord Holland. Destijds lag het accent vooral op de Nederlandse overzeese bezittingen. Het predikaat koninklijk werd in 1923 toegekend; vanaf 1950 werd het Instituut omgezet in Koninklijk Instituut voor de Tropen.

Het KIT groeide uit tot een gerenommeerd instituut dat direct en indirect bezig is met ontwikkelingssamenwerking. Het is in meer dan zestig landen actief met onderzoek, kennisoverdracht, capaciteitsopbouw en cultuurbehoud. In Nederland wordt het voornamelijk geassocieerd met het Tropenmuseum, maar het werkt ook aan bewustwording over duurzame ontwikkeling, armoede­bestrijding en diversiteit. Er werken 375 mensen; de jaaromzet is meer dan 45 miljoen. Minder dan de helft daarvan is subsidie, het overige deel wordt uit de markt gehaald en verdiend via internationale programma’s dankzij gewonnen tenders.

Het KIT is een vereniging, overheid en bedrijfsleven nemen via de ledenraad actief deel aan de besturing van het instituut. Daarnaast is er een holding met daarin een hotel, een bureau voor trainingen en een investeringsfonds waarin het KIT met drie grote pensioenfondsen startende, duurzame ondernemingen in ontwikkelingslanden van kapitaal voorziet. Deze bedrijven zijn winstgevend, staan niet op de tocht, maar zouden wel last krijgen van het eventuele omvallen van de KIT-vereniging.