Overleven in een hijgerig kunstklimaat

Museumkwaliteit

Voor de tweede keer achter elkaar kiest het Stedelijk Museum voor een buitenlandse directeur, Beatrix Ruf. De hedendaagse kunstwereld is het idee van nationaliteiten al lang te boven.

Medium hh 22010353

‘Was er dan echt geen Nederlander te vinden?’ klonk het hartelijke onthaal van de Nederlandse pers bij de presentatie van Beatrix Ruf als nieuwe directeur van het Stedelijk Museum. Het schaap met de vijf poten is na een lange selectieprocedure eindelijk gevonden. De nieuwe directeur moest niet alleen talloze leidinggevende en financiële kwaliteiten bezitten, maar ook bereid zijn om zich Amsterdam en Nederland eigen te maken, het belang in te zien van deelname aan het publieke debat en onze taal spreken, of dat op korte termijn leren. Voor de tweede keer achter elkaar viel de keus op een museumdirecteur die, vooralsnog, ondertiteling behoeft.

Er waren nog andere vragen. Hoe denkt Ruf te gaan integreren in Amsterdam, hoe goed is zij met officiële instanties (daar hebben we er hier nogal veel van)? Wat zijn haar plannen met de Stedelijk-collectie? En, in het Nederlands tegen de voorzitter van de raad van toezicht Alexander Ribbink nog één keer: ‘Maar waren er wél Nederlandse kandidaten?’

Die waren er, en dat is voor sommigen moeilijk te verkroppen. Illustere directeuren van het Stedelijk – Edy de Wilde, Wim Beeren, Rudi Fuchs – waren immers Nederlanders, gepokt en gemazeld door andere Nederlandse instituten als het Van Abbemuseum, Boijmans Van Beuningen en het Gemeentemuseum toen ze aan het Amsterdamse directeurschap begonnen. Tijdens de verbouwing werd er gezocht naar een directeur die het Stedelijk weer op de kaart zou zetten. De keus viel op Ann Goldstein, op dat moment 26 jaar werkzaam in het moca in Los Angeles, die gedegen kennis van minimal art en conceptuele kunst met zich meebracht, een belangrijke kern uit de collectie. Haar achtergrond in een Amerikaans instituut, dat drijft op particulier geld, was ook reuze aantrekkelijk. Alexander Ribbink verklaarde indertijd: ‘De praktische en theoretische kennis die zij meebrengt, haar ervaring in de kunstwereld en haar sterke visie op de ontwikkeling van het Stedelijk maakten haar tot de droomkandidaat.’

In Metropolis M maakte Domeniek Ruyters bij Goldsteins vertrek vorig jaar de balans op: ‘Als je bereid bent het vertrek van Goldstein ook jezelf aan te rekenen, zou het een les kunnen zijn dat het Stedelijk, dat zich zo graag voorstaat op zijn internationale uitstraling, misschien in praktijk niet zo geschikt is om door een internationale directeur geleid te worden. Goldsteins snelle vertrek zegt in die zin mogelijk ook iets over dit land, over deze stad en dit museum, zeker op dit moment in de tijd.’

Wat dat zegt over het land, de stad en het museum wordt met de aanstelling van Beatrix Ruf opnieuw een actuele vraag. En een urgente. Het hijgerige kunstklimaat waar het Stedelijk Museum in moet zien te overleven, wordt bloedstollend in beeld gebracht in The Next Big Thing, een documentaire van regisseur Frank van den Engel. Het aantal steenrijken met een ‘passie’ voor kunst blijft stijgen. Er wordt gespeculeerd, gemanipuleerd. Er wordt niet verzameld, maar opgekocht. Het hele circus van veilinghuis, privé-verzamelaar, galerie en museum trekt in de documentaire voorbij, met de kunstenaar zelf als speelbal in het midden.

De Roemeense kunstenaar Adrian Ghenie is nog beduusd van de vlucht die zijn carrière de laatste jaren nam. In 2005 kwam een marketingmedewerker van de Biënnale van Praag op het idee om in een persbericht over een ‘School van Cluj’ te spreken, vernoemd naar het kleine plaatsje in Transsylvanië waar jonge kunstenaars als Ghenie, Victor Man en Serban Savu werkzaam waren. In no time kwam Ghenie in contact met topgalerie Haunch of Venison, toen nog in de handen van veilinghuis Christie’s, en in 2006 opende hier een groepstentoonstelling van de jonge Roemenen: Cluj Connection. Ghenie werd opgenomen in de stal van de galerie en vond zichzelf ineens op gelijke hoogte met Bill Viola en Richard Long. Internationale verzamelaars reisden af naar het inmiddels mythische Cluj. Een van hen was de Amerikaan Michael Hort, verantwoordelijk voor een verzameling van drieduizend kunstwerken in Manhattan. In de documentaire trekt hij zelf de harde conclusie: ‘Musea kunnen het zich niet veroorloven om kunst van museumkwaliteit te kopen.’ In 2011 werd een schilderij van Ghenie op een veiling verkocht voor ruim 120.000 pond.

Wat de aanstelling van internationaal zwaargewicht Ruf in ieder geval zegt, is dat het museum inzet op netwerkkapitaal. Ruf stond vorig jaar op nummer 7 van de Power Top 100, een lijst van invloedrijkste mensen uit de kunst die jaarlijks door ArtReview wordt opgesteld. Ze stond daar tussen de nummer 6 en nummer 8 van de lijst: Tate-directeur Nicholas Serota en Glenn D. Lowry, de directeur van het MoMA. Reden voor deze topranking was niet het feit dat Ruf al twaalf jaar directeur is van de Kunsthalle Zürich. ArtReview roemt ook haar betrokkenheid bij het Weense mumok, de uitgeverij JRP Ringier, diverse kunstprijzen – Ruf heeft werkelijk overal een vinger in de pap – maar met name haar inzet om privé-collecties open te stellen voor het publiek. Ruf is medeoprichter van Pool, een curatorenprogramma dat het voor tentoonstellingsmakers mogelijk maakt om shows samen te stellen uit internationale privé-collecties. Bij gebrek aan geld van onschatbare waarde.

‘Alle Nederlandse kunstenaars moeten een show in het Stedelijk kunnen krijgen’, verkondigde Ruf

Lijstjes zijn natuurlijk gemakkelijk weg te wuiven, typisch iets voor het sentiment van het einde van het jaar, maar die vlieger gaat in dit geval niet op. Dit zijn de honderd personen, met in 2013 maar liefst 26 nationaliteiten, die zich in de kijker hebben gespeeld. Ruf stond in 2010 op nummer 19, in 2011 op nummer 10 en al in 2012 op nummer 7. Geen enkele Nederlander schopte het tot de Power Top 100.

De lijst duidt op een verregaande vorm van globalisering. De kunstwereld is niet langer een optelsom van nationaliteiten die samen een internationaal netwerk uitmaken, maar één reisgezelschap dat van biënnale naar biënnale trekt. Op de afgelopen Biënnale van Venetië werd Duitsland vertegenwoordigd door onder anderen Ai Weiwei en presenteerde Frankrijk de Albaanse kunstenaar Anri Sala. Duitsland en Frankrijk ruilden bovendien van nationaal paviljoen, met als gevolg dat een Chinese kunstenaar Duitsland vertegenwoordigde op Frans terrein.

Ook de inhoud van veel hedendaagse kunstwerken gaat volledig op in deze mondiale soep. Neem alleen al de tentoonstelling die momenteel in de Kunsthalle Zürich loopt. Slavs and Tatars, het kunstenaarscollectief dat zichzelf omschrijft als ‘polemics and intimacies devoted to an area east of the former Berlin Wall and west of the Great Wall of China known as Eurasia’, doet hier onderzoek naar de historische en huidige Slavische, Kaukasische en Centraal-Aziatische invloeden op het gebied. Nu dus voor een Zwitsers publiek, maar tegelijkertijd in galerie The Third Line in Dubai en deze zomer in het Dallas Museum of Art.

De hedendaagse kunstwereld lijkt de betekenis van nationaliteiten dus al lang te boven te zijn, maar paradoxaal genoeg is afkomst ook het subject van een totale obsessie. Er klinkt een dringende roep om het westerse perspectief te verruimen. Als er een ‘School van Cluj’ aan te wijzen valt, zal niemand dat laten. Het is aan de publieke instellingen om deze jonge en niet-westerse kunst te duiden. Kunsthistorisch, maar ook binnen de eigen collectie, een veelgehoorde zorg bij de aanstelling van Ruf. Zij werkte dan wel met verschillende privé-collecties, maar is de internationaal befaamde Stedelijk-collectie bij haar in goede handen? De collectie is de ruggengraat van het Stedelijk en voor Ruf naar eigen zeggen steeds een ‘baken van licht’ geweest. Sinds de verbouwing is er bovendien meer ruimte dan ooit voor Appel en Dibbets, kunstnijverheid en grafische vormgeving. Het lijkt dus wel goed te zitten met die collectie, maar dat wil niet zeggen dat ook deze niet tegen het licht van de toekomst moet worden gehouden. Collectievorming is duur, te duur, het verzamelen van world art vereist een world art-blik. Een netwerk is ook hier van cruciaal belang. Het Van Abbemuseum bijvoorbeeld is coördinator van de museumconfederatie L’Internationale, een lange-termijnuitwisselingsproject op het gebied van collecties, onderzoek en technologie tussen musea uit Slovenië, Spanje, België, Turkije en Eindhoven. We hoeven niet zelf op zoek naar Cluj, Cluj kan ook naar ons komen.

Zo’n netwerk is bovendien niet alleen waardevol om internationale kunstenaars mee naar Nederland te halen, maar ook belangrijk voor Nederlandse kunstenaars zelf. De urgente uitdaging voor het Stedelijk is om de plek van het verwaarloosde lokale, het Amsterdamse, het Nederlandse binnen deze wereldwijde constructie te bepalen. ‘Alle Nederlandse kunstenaars moeten een show in het Stedelijk kunnen krijgen’, verkondigde Ruf. Ze noemde de Haagse Magali Reus en Falke Pisano, de winnares van de Prix de Rome, als voorbeelden.

Het Stedelijk Museum heeft de afslag naar de rest van de wereld al genomen. Later dit jaar opent de tentoonstelling Bad Thoughts, samengesteld met kunstwerken uit de privé-collectie van Jeannette en Martijn Sanders. Het driejarige Stedelijk-project Global Collaborations onderzoekt vormen van samenwerking en uitwisseling in een ‘mondiaal perspectief’. Nu is het zaak om het museum een plaats te laten opeisen binnen de culturele infrastructuur, gebaseerd op internationale samenwerking met kunstenaars, verzamelaars en instituten. En om de nostalgie te laten varen: een werkelijke plek tussen Tate en MoMA is voor het Stedelijk wellicht niet weggelegd, maar experiment valt er te verdienen.

‘Het is voor u wel een enorme promotie, van de Kunsthalle Zürich met 25.000 bezoekers per jaar naar het Stedelijk Museum?’ ‘Een enorme promotie’, antwoordt Ruf. Of die kan rekenen op internationale waardering zal blijken uit de Power Top 100 van 2015. De vraag is of de ruimte wordt gegeven om het ook een promotie voor het Stedelijk te laten zijn.


The Next Big Thing is te bekijken via uitzending gemist.

Beeld: Amsterdam, 8 april. Beatrix Ruf (Roger Cremers/HH).