Cas Smithuijsen

Musiceren op het schavot

Cas Smithuijsen, Een verbazende stilte

Boekmanstichting, 166 blz., ƒ33,-.

Wie het proefschrift Een verbazende stilte uit heeft, kan niet anders concluderen dan dat zich in de concertzaal avond aan avond een waar drama afspeelt. Uitvoerenden en publiek houden elkaar gevangen in een fobische wurggreep, die zich uit in een verlammende faalangst bij musici en een verstikkende zaalangst bij luisteraars. Deze laatsten durven soms letterlijk geen adem meer te halen omdat het minste kuchje of geknisper hen op misprijzende blikken van omstanders komt te staan.

De concertzaal is in de twintigste eeuw dan ook voer voor psychologen geworden. Frappant is dat de slachtoffers aan beide zijden op dezelfde (gedragstherapeutische) manier worden behandeld: dit oord van ellende proberen weg te denken. Musici wordt aangeraden zich voor te stellen dat er domweg geen publiek aanwezig is, luisteraars kunnen het beste terugdenken aan een ultiem moment van luistergenot dat ooit buiten de concertzaal is beleefd.

De socioloog Cas Smithuijsen, in het dagelijks leven directeur van de Boekmanstichting, schetst in zijn proefschrift de eeuwenlange disciplinering die tot deze verwrongen situatie heeft geleid. Alle do’s en don'ts in de concertzaal vinden hun oorsprong in een humanistisch beschavingsoffensief dat rond 1600 aanvangt. Aanvankelijk bedoeld om de burgerij op afstand te houden, zet de aristocratie klassieke muziek in als ethisch reveil oftewel een streven naar «het hogere». De gegoede burgerij neemt de handschoen op en vormt zogenoemde collegia musica, die nog roomser zijn dan de paus. De leden worden onderworpen aan een strenge muzikale vorming. In voordrachten moeten zij blijk geven van hun kennis over muziek.

Strenge regels omtrent te laat komen, praten, lachen en verkeerde kleding worden gehandhaafd met boetes. Want één ding mag duidelijk zijn: men komt hier niet voor de lol, maar om een beter mens te worden.

Bij de musici voltrekt zich een vergelijkbaar proces. Het pianospel (Smithuijsen richt zich op de ontwikkelingen rond de piano) wordt in toenemende mate aan regels onderworpen. De pianist mag niet met de nagels op de toetsen tikken omdat dat «slordig» klinkt. Hij moet kaarsrecht en sierlijk voor het instrument zitten, zijn rechtervoet iets naar buiten gedraaid uit respect voor het publiek. Vreemde grimassen en paniekerige gebaren zijn uit den boze. Zijn spel moet er ontspannen en moeiteloos uitzien, vergezeld van «passende gelaatsuitdrukkingen».

In de loop der eeuwen worden de duimschroeven der etiquette steeds verder aangedraaid, maar het gaat pas echt fout halverwege de negentiende eeuw. Want dan verdwijnt het element van improvisatie uit de muziek en wordt het repertoire teruggebracht tot een klein aantal stukken dat steeds wordt herhaald.

Het publiek dat zich — getraind door een leger aan muziekpedagogen, docenten, recensenten en historici — heeft ontwikkeld tot een select gezelschap van Kenner, krijgt nu de gelegenheid de rol van scherprechter te spelen. Tot in de kleinste details en nuances worden de prestaties van uitvoerend musici met elkaar vergeleken. Dit gebeurt op zo'n meedogenloos strenge wijze, het gaat immers om niets minder dan het hogere, dat musici het betreden van het podium als «een gang naar het schavot» gaan ervaren. Bètablokkers, psychotherapie en voortijdig afgebroken carrières zijn het gevolg. Want uit de cijfers blijkt dat het aantal musici dat met podiumvrees kampt, nog altijd toeneemt. Maar liefst 73 procent van de orkestmusici heeft last van stress als hij of zij een solo moet spelen. De eis om perfectie en het idee van één correcte uitvoering zijn zo sterk dat je als musicus niet alleen over grote muzikale en technische talenten moet beschikken, maar bovenal over stalen zenuwen.

De schade aan de publiekszijde is navenant, maar komt op een andere manier tot uiting: het publiek blijft weg. Uit onderzoek blijkt een duidelijk verband tussen opleidingsniveau en concertbezoek. Maar de algemene stijging van het onderwijspeil in onze maatschappij weerspiegelt zich op geen enkele manier in de concertzaal. Deze sociale stijgers kiezen eieren voor hun geld: in plaats van twee uur lang in de beklemmende sfeer van de concertzaal door te brengen, kopen ze liever een cd of gaan naar een openluchtconcert dat wél een informele ambiance heeft. Het sociaal onderscheid dat de oude aristocratie voor ogen had, heeft dus zijn vruchten afgeworpen: een kleine bovenlaag heeft het patent op de concertzaal.

Daarmee is de cirkel rond. En rest er maar één conclusie: je lijkt wel gek om je in het keurslijf van zo'n elitair gebeuren te laten persen. Toch is er één «maar». Want waarom is het oprecht onverdraaglijk als iemand tijdens een prachtig optreden onbedaarlijk begint te hoesten, met pottertjes te rammelen, te snurken, mee te neuriën, luidruchtig te zuchten, met een programmaboekje te kraken, hardop te fluisteren, in een handtas te rommelen, een gsm laat afgaan, met sieraden rinkelt, mee dirigeert, enzovoorts, enzovoorts? Vanwege de uniciteit van het moment: geen cd evenaart de intense een maligheid van een live-uitvoering. En daarom moet je in de concertzaal een speld kunnen horen vallen.

In september verschijnt een populaire versie: Stilte! Uitg. Podium, 144 blz., ƒ32,50