Le Carré is moeilijk te verfilmen

Muur, zoeklicht

Ondanks een groot oeuvre zijn er maar zeven romans van John le Carré verfilmd, waarvan slechts één een klassieker werd. Reden: showbizz en literatuur zijn moeilijk te mixen.

‘Ik vind het lastig welke verfilming van mijn werk dan ook zonder reserve te bejubelen’, aldus John le Carré in een interview opgenomen ter gelegenheid van de in 1998 verschenen Criterion-dvd van Martin Ritts The Spy Who Came in from the Cold (1965). Volgens de auteur beperkt de performance van een acteur in een film nu eenmaal de mogelijkheden die open zijn voor personages in een roman, bijvoorbeeld hoe ze zich in het verhaal zouden kunnen ontwikkelen. Le Carré: 'Wie een roman schrijft ziet het liefst dat het werk alleen in het bewustzijn van de lezer bestaat.’ Een blik op de John le Carré-filmografie bewijst zijn gelijk. Ondanks het visueel altijd aantrekkelijke spionagegenre zijn slechts zeven van zijn 22 romans verfilmd. Hiervan zijn er maar twee de moeite waard - The Tailor of Panama (2001, John Boorman) en The Constant Gardener (2005, Fernando Meirelles) - en is er slechts één echt een klassieker: The Spy Who Came in from the Cold (1965, Martin Ritt). Daarentegen zijn twee van de drie televisieseries gebaseerd op de Smiley-romans uitzonderlijk goed: Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1979) en Smiley’s People (1981), beide met Alec Guinness in de hoofdrol. Zelf verkiest Le Carré de televisiebewerkingen van zijn werk, wat een verhelderend standpunt oplevert. Want dat zegt iets essentieels over de haalbaarheid van de boekverfilming, namelijk dat het vrijwel onmogelijk is een 'literaire verfilming’ te creëren in een klimaat waarin showbusiness en het sterrendom overheersen.
Waar werk van Ian Fleming en Len Deighton zo soepel en snel in films wordt omgezet dat men zelfs jaren na hun dood, in het geval van Fleming, de meest nietszeggende novelle in een kaskraker probeert om te toveren, daar lenen de romans van Le Carré zich maar moeilijk voor verfilming. Literaire kwaliteit speelt een cruciale rol; de complexiteit van Le Carré’s personages en zijn tamelijk duistere wereldbeschouwing lijken zich moeilijk te lenen als bronmateriaal voor de populaire cinema. Le Carré is zo'n goede schrijver, omdat zijn personages niet alleen tragisch, maar vooral ook herkenbaar en menselijk zijn. Sterker, het zoeken naar een soort menselijkheid is vaak een hoofdthema. Harry Pendel in The Tailor of Panama is een bespottelijke man - hij bespioneert zijn eigen vrouw en verdraait de waarheid om een echte spion, Andrew Osnard, te bedriegen en zo aan geld te komen - maar hij is vooral iemand met wie lezers zich binnen twee pagina’s kunnen identificeren, niet omdat hij een held is, maar vanwege zijn vele tekortkomingen als 'gewoon mens’.
De casting van John Boormans filmversie is briljant: Geoffrey Rush speelt de rol van Harry Pendel terwijl Pierce Brosman, ooit ook nog eens James Bond, Osnard is. De film vangt de satirische toon van de roman goed, maar uiteindelijk blijven verhaal en personages aan de oppervlakkige kant, een probleem dat ook The Constant Gardener teistert, een visueel interessante film die verder alleen maar nieuwsgierig maakt naar het echte werk, de roman.
Le Carré en cinema - het wil maar niet boteren. En dat is vreemd. Zelf wijst Le Carré op de vernietigende werking van de dictatuur van 'entertainment’. Als voorbeeld noemt hij juist The Spy Who Came in from the Cold. Het is met afstand de beste Le Carré-verfilming, maar verder dan de kwalificatie 'bijna een klassieker’ wil de auteur niet gaan. En toch, op dit punt heeft hij misschien niet helemaal gelijk, want het is immers een klassieker, een deprimerende, in noir-stijl verfilmde Koude-Oorlogvertelling over een man in crisis. Richard Burton, in zijn beste filmrol, is Alec Leamas, een aan lager wal geraakte Britse agent die op een missie wordt gestuurd die inhoudt dat hij naar het Oostblok overloopt waar hij de 'ontmaskering’ van Stasi-agent Mundt in scène moet zetten. Om een dekmantel voor zichzelf te creëren doet Leamas zich voor als armlastige alcoholist en gaat hij werken in een bibliotheek, waar hij de mooie communisten-sympathisant Nan Perry (Claire Bloom) ontmoet. En op haar verliefd wordt.
Leamas werd geboren toen Le Carré, zelf diplomaat en spion, in de bar van een luchthaven in een niet nader genoemd land een man dacht te zien. Le Carré: 'Ik herinner me een personage in mijn onderbewustzijn, echt of onecht: een Peter Finch-achtige persoon gekleed in een vieze regenjas die in die bar dus in zijn zakken stond te rommelen en geld in vele verschillende munteenheden te voorschijn haalde en toen een grote whisky bestelde. En ik dacht: dat is de archetypische geheim agent: aan lager wal geraakt, zich nauwelijks ervan bewust in welk land hij zich bevindt. Leamas dus.’
Burton, met zijn pokdalige gezicht, dode ogen en harde mond, was geknipt voor deze rol. Zijn Leamas is een cynicus ten voeten uit, thuis op straat, maar hoogopgeleid, een radertje in een machine hunkerend naar een greintje menselijkheid. 'I’m an operator, just an operator’, zegt hij tegen Control, zijn leidinggevende, die hem opdracht geeft nog een keer een missie op zich te nemen en dus nog een tijd langer op straat te blijven werken, in de kou in de echte wereld waar alles ironisch genoeg draait om het spelen van een absurd, zinloos spel. Geen grote gedachten voor Leamas. En geen 'geloof’. Tegenover Nan zegt hij: 'I believe that the number nine bus gets me to Hammersmith and is not driven by Father Christmas. What do you believe in?’ Nan, een communist, antwoordt dat ze in de geschiedenis gelooft - een reactie die in de film als tragisch, want naïef, overkomt.
Tijdens het draaien lag Burton constant dwars. Er ging geen dag voorbij of de acteur had een fles Scotch op zak. Regisseur Ritt was ten einde raad en vroeg aan Le Carré of hij kon helpen. De schrijver was immers ook Brits en zou 'dus’ samen met Burton kunnen drinken. Het lukte hem niet. Voor Burton bleef het allemaal 'show’. De kloof tussen de ernst van Ritt en de razmataz van Burton bleek te groot. Ritt voelde aan dat Burton zijn carrière had weggegooid. En dat klopte. Burton koos in die tijd steeds meer voor populaire rollen. Ritt, een integere, artistieke filmmaker, rook bloed. In Scheveningen, waar de laatste scènes werden verfilmd, kwam het tot een finale uitbarsting. Ritt noemde Burton een 'hoer’. Zo namen ze afscheid.
Maar de onderhuidse spanning tussen de verloren idealen van de ster en de mogelijkheid van verlossing die een film met iemand als Ritt hem zou kunnen bieden, paste nu juist perfect in het verhaal van The Spy. Burton speelde de rol alsof zijn leven ervan afhing. Wat wellicht niet ver van de waarheid was. Hij moest immers hebben geweten dat de tijd van Hamlet op het podium ver achter hem lag. En wie verscheen op de set, onvermijdelijk en bovendien met vriendje Yul Brynner aan haar arm? Inderdaad, zij, Serpent van de Nijl, hoogstpersoonlijk, nauwelijks een jaar na haar echtscheiding van Burton, die slechts twee jaar ervoor haar Antony speelde. Het kon niet anders, het moest een effect op Burtons performance hebben gehad. Burton acteerde als een filmster. En juist hiertegen maakte Le Carré bezwaar: de impact of overrompelende kracht van Burton als Leamas is zo groot dat het beeld onbeweeglijk in het hoofd van de kijker gaat zitten. Minder dwingend is het effect van acteurs in televisiedrama, de vorm die Le Carré naar eigen zeggen verkiest als het om een boekverfilming gaat. Een voorbeeld is de serie Tinker, Tailor, Soldier, Spy, waarin acteur Alec Guinness vele uren de tijd krijgt om alle nuances van het karakter van George Smiley, Le Carré’s beroemdste personage, te ontwikkelen. Dat doet hij door te 'verdwijnen’ als het ware, zodat de kijker alle ruimte krijgt om in te vullen wie het personage precies zou kunnen worden of zou moeten zijn.
Le Carré’s standpunt is legitiem, maar vast staat dat The Spy als film na al die jaren toch overeind is gebleven, door Burtons intense spel, toegegeven, maar vooral toch ook door de literaire stijl van de verfilming. Véél van Le Carré is terug te vinden in de teksten, in de cynische toon van Leamas, in zijn tragiek, bijvoorbeeld wanneer hij wordt uitgekotst door een joodse Oostblok-agent die tegen hem zegt: 'You’re a traitor. A wanted, spent, dishonest man. The lowest currency of the Cold War.’ Dat is typisch Le Carré: een personage op zoek naar menselijkheid en verlossing in een wereld waarin houvast in de vorm van ideologie ver te zoeken is. Leamas riposteert met: 'I don’t believe in anything that rocks the world… I reserve the right to be ignorant. That’s the western way of life.’
Cynisme viert hoogtij; het spionagespel is absurd. En het eindigt natuurlijk allemaal vreselijk tragisch, en ook nog in zwart-wit, wat op zich een radicaal statement was, zeker in een tijd waarin de glamour van 'James Bond’, zowel de Connery-films als de Fleming-romans, bezig was de wereld in sneltreinvaart te veroveren. Geen exotisme in Le Carré’s verhaal, noch in Ritts film. Slechts een muur. En een zoeklicht. En prikkeldraad. En twee levenloze lichamen.