Muziek

Muziek

Wat wil men meer bewijs van grootheid? Bach blijft Bach. De stemmen jagen door het hoofd als een snelgroeiend en onstuitbaar organisme dat zich lichtend vensters breekt door alle muren van berustende verdoving heen

Nooit gaat Bach over, als hij vroeg tot je gekomen is. Een kind hoort alles al, dus ook dat zware — het wil jou. De volheid van die onnavolgbaar meerdimensionale polyfone koorpartijen, die je met je ogen zwervend door de ruimte als kristallen ziet bewegen in Gods wereldrijk. Ja: ziet. En wat je hoort is ongeveer hetzelfde. Licht, verstromend licht. Licht als een lichaam dat contact zoekt, zich verdichtend. Niks poëzie: concreter is het niet te maken. Verwijs naar Bach met taal en droom hardop van weer een poging tot begrijpen; zo moet bidden zijn, als je niet helemaal op God vertrouwt.

Er zijn van hem zo’n tweehonderd cantates nagebleven. Daar zijn veel meesterwerken bij. Toch is het met cd-opnamen slecht gesteld. Je hebt de heruitgaven met de oude garde dirigenten van de generatie Gönnenwein en Richter, die het naar klank en tempo zo breed lieten hangen dat het tot de oren sprak of je in lauwe olie zwom, al proefde je bij Gönnenwein nog iets van diepe muzikaliteit door alle spekbepakking heen. Je hebt de ongemakkelijke eerste worp van authentieke mannen als de Leonhardts en Harnoncourts die het nu anders, beter en bezielder zouden doen dan ze het in de pionierstijd van de authentieke uitvoeringspraktijk door het gebrek aan goede instrumenten en bekwame spelers konden. Je hebt de cyclus van de Duitser Helmuth Rilling, die met te veel musici gemeen heeft dat hij ongewoon onmuzikaal is. En dan is er de Britse bloedhond die als Gardiner zijn kapitaal vergroot met jagen en met drammen, af en toe iets langzaams voor de sjiek — opdat men hoort dat daar aan alles is gedacht, tot aan de inkeer toe. Je hebt de cyclus in de maak met The Amsterdam Baroque Orchestra onder Ton Koopman, die we als musicus tot in de hoogste graad hebben te respecteren maar die als dirigent vaak net een zweem te leutig en te hupsig is, te Hollands in zijn Weihnachts oratoriënde vreugde. Nooit is het, kortom, wat het zijn moet.

Het zijn omstandigheden die snel maken dat je Philippe Herreweghe in zijn hoedanigheid van Bachvertolker als een meester gaat beschouwen. Hij maakt in een bedachtzaam tempo alweer jaren nieuwe opnamen van door de bank genomen drie cantates per cd en doet tenminste niks verschrikkelijk verkeerd. Herreweghe is beschaafd en wat formeel, een man met te veel boeken in de kast die toch aan seks doet maar je ziet er niks van, de buitenkant beschrijft geharnast en afstandelijk het beeld van nobel intellect in corduroy met ribfluwelen jasjes. Onze vaders, die van onze generatie, waren zo. Het is hun tijd die ze verbeelden, tijdperk van de rede, de synthese. Enfin, hij is de noten niet tot last. Hij laat ze stromen als een beek in een soms bijna glansrijk moderato dat de hoop op meer en beter onverlet laat. En de muziek blijft overweldigend. Wat wil men meer bewijs van grootheid? Bach blijft Bach. De stemmen jagen door het hoofd als een snelgroeiend en onstuitbaar organisme dat zich lichtend vensters breekt door alle muren van berustende verdoving heen. Midden in je bouwt het werk zich nieuwe oren, nieuwe ogen, nieuwe zinnen tot gehoord wordt hoe de sluwe muze klinkend spreekt — op eigen voorwaarden. Hoe diep dat gaat. Dwars door de diepst bekende bodems van gevoel zakt alles heen, tot je je haren uit je kop trekt van verdriet en schaamte, niet eens om iets speciaals inzake melodie of harmonie maar eigenlijk om alles wat zo tragisch in het niet valt bij dit hogere. Dat koor van Herreweghe is niet lelijk, mooi zelfs. Zijn orkest is niet lelijk, mooi zelfs. Zijn klank is niet lelijk, mooi zelfs. Maar toch net niet, net niet, net niet.

En dan: die solostemmen zijn wel degelijk belazerd. Niet lelijk hoor. Maar zo gewoon, zo Bal kenende. Ze heten Jan en Riet en Henk Modaal en doen of zingen van verdringen komt, niet van geloven. En als ze toch geloven is het nepgeloof. Je moet bij Bach een vreemd verlangen horen in die strotten, op de manier waarop een protestant in zijn Sahel van religieuze droogte moet verlangen naar iets katholieks met wijn en bladgoud op de kelken. Zoals dit klinkt, zo is een automerk als Opel populair geworden: kraak noch smaak maar alles doet het. Neem Peter Kooy, op Herre weghes herenweg zijn bas van dienst sinds jaren. Die gaat met het Collegium Vocale vast de honderd halen als het mag van God. Best muzikaal hoor. Niks op aan te merken, niks meer aan te doen. Geen oorlog in die strot, geen verte. Dat had je vroeger minder. Je had ten tijde van die oude knarren op de bok tenminste nog solisten als Franz Crass, de wanhopig schitterende Equiluz, de jonge klare van een verse Elly Ameling. Op een oude plaat zingt onder Hermann Scherchen Maureen Forrester, een alt uit Canada, in de cantate Am Abend aber desselbigen Sabbats de aria Wo zwei und drei versammlet sind. De titel is meteen de eerste zin die in dezelfde geest van nobele omslachtigheid vervolgt: in Jesu teurem Namen/ da stellt sich Jesus mitten ein/ und spricht dazu das Amen. Zelfs de tekst is mooi en de muziek, die klinkt bij Forrester zoals waarschijnlijk Jezus amen sprak, zodat de mensen hem terstond geloofden. Daar moet je dan om janken. Waarom zingen de mensen niet meer zo? Zijn ze gek geworden? Willen ze hun Jezus niet meer kennen? Het is van alles wat en meer. Het mensenslag dat zo je vrieskist vol verkild gevoel tot tranenstroom liet dooien is bijna uitgestorven, al geeft de Duitse bas Matthias Goerne nog een beetje hoop. Maar hij is Jezus niet. Om grote sentimenten zingend voort te brengen moet je eerst gevoed worden met groot gevoel, liefst rechtstreeks uit de hemel. Zoals je voor de hoogste bergen naar de Alpen moet, niet naar het softe Belgische gefluctueer van heuveltoppen waar de Herreweghes heer en meester zijn, en waar ze zulke heuvels bergen noemen, grote lijnen. Anton Bruckner, ogenschijnlijk echt de saaiste man ter wereld, ging tenminste nog op reis om de Mont Blanc te zien, de hoogste berg van heel Europa. Een berg, dat was voor hem een legitieme reden om op reis te gaan. Ja, zoiets kan een mens begrijpen. Die Bruckner wist nog wat hij nodig had. Alleen een berg. En dan natuurlijk all the way. De Mont Blanc was de hoogste. Hoger ging niet. Dan wist hij weer hoe groot het ook in noten moest. Dat wou hij met zijn eigen symfonieën ook, de hoogste zijn en dan dat hoogste onbaatzuchtig uit zich laten stromen door zich leeg voor ons te maken, alles te vergeven wat hem aan gevoelens vulde om dat grootse van een sneeuw met spitse toppen. Het was een offer dat beloond werd, zingend drama.

Ja, de kunst sterft uit als niemand ervoor sterven wil. Dat zal gebeuren, zolang alleen een Herreweghe uitsteekt boven het geplette opgebrande land waar de gelovigen niet eens zo’n eeuwigheid geleden nog op hoge toon de hoogste bomen lieten groeien, zingende. Misschien is het wel goed. De wereld moet zo lelijk worden dat de schoonheid niet meer anders kan dan luid en schitterend ontwaken met een schreeuw. Tot het zo ver is blijft een Herreweghe onze laatste strohalm met zijn onberispelijke rede, die de kunst niet hindert. Tenminste in de koren, die niet lelijk zijn, zelfs mooi.

Bach

Trinitatis-Kantaten. Ach Gott, vom Himmel sieh darein BWV 2/ O Ewigkeit, du Donnerwort BWV 20/ Es ist ein trotzig und verzagt Ding BWV 176

Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe. Johannette Zomer (sopraan), Ingeborg Danz (alt), Jan Kobow (tenor), Peter Kooy (bas). Harmonia Mundi HMC 901791