Muziek

Muziek

Veel pianisten zijn maar papegaaien, paradijsvogels. Richter jaagt op creatieve spanningen en vindt de toon waarop ze vorm aannemen. Als alles lukt, komt hij veel dichter bij de waarheid van een stuk dan wie dan ook

Ik herinner me dat ik als kind een stuk van mr. K.L. Poll las over de essayist Ter Braak. Poll hield van hem. Het was zo erg dat hij bij voorbaat boos werd op de lezer die hem zijn bewondering misgunde. Hij schreef: «Ik word boos als iemand kwaad van hem spreekt.» Een belachelijke regel vond ik dat. Nu begrijp ik hem beter. Er bestaat een geheiligde loyaliteit waar niks van af kan, en die ongrijpbare adhesie noemen we geloven. Zo is kiezen: geen gedonder.

In de boekhandel zag ik een boek over de Russische pianist Svjatoslav Richter liggen. Het bevat een selectie uit Richters privé-muzieknotities en de gesprekken die de violist, filmmaker en auteur Bruno Monsaingeon (van de films en boeken met en over Glenn Gould) in 1995 met Richter voerde, in het jaar van zijn dood: samen vormen die bestanddelen zoiets als een poëtische biografie op hoofdlijnen. Dat boek bestelde ik, uit gehechtheid. Van Monsaingeon zag ik een paar maanden geleden de documentaire Richter, The Enigma, en de beelden hadden de behoefte opgewekt over de pianist te schrijven.

Richter blijft mijn held, hoe vaak hij mij met ondermaatse platen en één vreselijk recital ook ontgoochelde. Hij is de man van de definitieve opnamen. Van andere musici zeg je dat ze goed waren in Beethoven of Liszt, maar zelden dat ze nieuwe normen stelden. Richter deed het, in overeenstemming met de onmetelijke breedte van zijn kunnen, op verschillende terreinen. Das wohltemperierte Klavier van Bach, Beethovens sonates Op. 2 nr 3, Op. 14/I en II en Opus 22 of Rachmaninoffs Tweede pianoconcert zijn nooit belangwekkender vastgelegd dan door de Richter van zijn gloriejaren. Ik schaar hem niet onder de pianisten. Hij hoort bij de makers, de mensen die zelf iets nieuws bedachten. Veel pianisten zijn maar papegaaien, paradijsvogels. Richter jaagt op creatieve spanningen en vindt de toon waarop ze vorm aannemen. Als alles lukt, komt hij veel dichter bij de waarheid van een stuk dan wie dan ook. Je hoort geen tempi meer, geen kleuren, geen louter pianistische begaafdheid. Niemand weet zo knap de aandacht af te leiden van zijn overdonderende technische bekwaamheden als Richter. Ik word boos als iemand kwaad van hem spreekt.

Het boek belooft wat. Richter liet zich nooit interviewen, dat is een. Over zijn visie op muziek en op het leven was niet veel bekend. Een merkwaardige man, wiens reilen je alleen maar kende van de kennersbrouhaha. Je wist hoe vreemd zijn carrière was begonnen. Hoe hij in Odessa als pianorepetitor bij de opera had rondgezworven tot het instrument hem bij de kladden kreeg en hij als 22-jarige in Moskou had geauditeerd bij de pianopedagoog Heinrich Neuhaus die hem, zijn sterleerling, in zijn standaardwerk over pianospelen om de haverklap verheerlijkt als uniek genie. Je hoorde dat hij schilderde, graag lange wandelingen maakte en een festival bestierde in het Franse Tours. En dat hij later in zijn leven in de zalen graag het licht liet doven om te zorgen dat niets af zou leiden van zijn kunst. Zo, in het principeduister van zijn schemerjaren, zag ik hem tenslotte één keer live, in Eindhoven, met Beethoven. Hij was al oud en zwak. De kranten deden of het kunst was van de hoogste orde. Een tragedie.

Dit boek laat zien hoe de pianist Richter langzaam aan te gronde werd gericht door ernstige gehoorproblemen, die de ramp in Eindhoven kunnen verklaren. Het maakt duidelijk dat de pianist met het kolossale repertoire als luisteraar net zo’n veelvraat was, die in zijn logboek nauwgezet zijn veelbetekenende muzikale indrukken beschreef van Monteverdi tot Luciano Berio. En die, zowel op plaat als in de zalen, zijn jonge vakbroeders strijdlustig volgde. Het laat zien hoe triest zijn leven is geweest, hoewel dat meer lag aan zijn ziekelijk zelfkritische natuur en zijn depressies dan aan gerichte onderdrukking door de erven Stalin, die hem nogal onverschillig leek te laten. Als hij zijn muziek maar heeft. Die vreet aan hem. Nooit is hij goed genoeg, vindt hij. Zijn concerten deugen niet, zijn Amerikaanse debuut in 1960 is een ramp, zijn Moussorgski een vergissing en hoe dat nu in vredesnaam toch kan, ach wee.

Maar bovenal maakt dit boek duidelijk hoe Richter dacht over de kunst. Simpel gezegd komt het er als altijd weer op neer dat je moet spelen wat er staat. En om te spelen wat er staat dien je te horen wat er klinkt: een waarheid. Aan de term interpretatie heeft hij maling. Er is een objectieve sleutel tot het stuk; het is zijn taak die te vinden. Wetenschap. Kunst maken is uiteindelijk geen artistieke aangelegenheid van dansen en van springen maar van onderzoek naar hoe het mechaniekje werkt. En als het goed zit wordt het mooi zoals machines mooi zijn als ze naar behoren functioneren.

In de kunst, en dat is in de wetenschap misschien weer minder zo, begint en eindigt al dat onderzoek als zelfstudie: wie ben ik, wat doe ik, wat kan ik, waar liggen mijn grenzen? Oprechtheid is geen luxe maar een voorwaarde. En Richter was, daarom gaf hij waarschijnlijk ook geen interviews, de meest oprechte pianist ter wereld. In de documentaire van Monsaingeon laat de oude, uitgeteerde Rus — nog maar een schim van de kolos die hij geweest was — zich aan een tafeltje bevragen. Aan dat tafeltje zegt hij tegen de camera, met de blik van een drenkeling die het hoofd uit eerzucht koel houdt: ik ben een koud mens. Nu hoor je in de immer uitdijende Bibebkeuken tegenwoordig even krasse confidenties die niets waard zijn, omdat ze niets beogen dan een zelfverheerlijkend vertoon van openhartigheid. Maar van Richters oordeel weet je dat het juist is. Hij bedoelt, denk ik, dat de muziek hem zo gemaakt heeft.

Je moet niet warm zijn, niet wanneer je zo muziek bent als een Richter. Je moet kunnen bevriezen om het wankele dat denkend voelend in je stroomt zijn vaste vorm te geven, vast te houden. Hoor Richter in zo’n groot verwarrend stuk van Schubert, de sonate in G-groot uit 1826. Het eerste deel is een verbazingwekkende herhalingsoefening waarin het quasi-monotone tussen het verfletste smeulen van een molto moderato door soms plotsklaps vonken sproeit van diepte. Het is diepte als een drijfzand waar een man van groot gewicht in wegzakt, omdat hij zwaarder is dan de labiele grond van dit gekwakkel in G-groot verdraagt. Dat probleem laat zich verhelpen door het tempo op te voeren. Maar een man van eer zoekt juist zijn spoken op. Richter speelt langzamer, niet sneller. Hij laat zich wegzakken. Maar zinken doet hij niet. Daar is een reden voor: hij tart het lot en blijft, hoe langzaam ook, in tempo als een oude stoommachine. Heel langzaam, met een lijzige nadrukkelijkheid die je met het mes op de strot dwingt zelf langzamer te worden, en onmiddellijk. De voor het horen cruciale paradox is dan dat de urgentie van die traagheid je zo razendsnel bespringt dat je direct verstrikt raakt in het weven van dit web. Allemaal spel. Niet Richters spel. Spel van Schubert. Maar Richter velt het vonnis, als een beul die doet of hij geveld wordt.

Richter, rechter. Het was Faulkner die beschreef hoe nomen omen is: «How a man’s name, which is supposed to be just the sound for who he is, can be somehow an augur of what he will do, if other men can only read the meaning in time.» Ziehier.

Het boek van Monsaingeon, dat iedereen moet kopen die wil weten wat oprechtheid inhoudt, heb ik met plezier gelezen. Er staan goede dingen in. Soms doet Richter uitspraken die je niet vergeet omdat ze slim bedacht en scherp gezien zijn, ook als de formulering onbeholpen is. Van Berlioz zegt Richter dat hij wel een groot artiest was, maar dat hij «in de wereld van de muziek nooit helemaal zijn plaats vond». Interessant aan deze uitspraak is dat Richter blijkbaar inziet dat bepaalde kunstenaars, ook grote, door een speling van het lot in het verkeerde medium zijn terechtgekomen. Wie weet wat Richter niet aan zelfbewustzijn projecteert op deze uitspraak; wie weet wat hij erin herkende. Hij had ook dirigent kunnen worden, schilder. Of regisseur: de dirigent Lorin Maazel heeft hem eens voorgesteld om Wagners Ring te ensceneren, zegt hij ergens.

Ook erg mooi vind ik deze: in gesprek met Monsaingeon stelt Richter vast dat Prokofjev, die hij goed heeft gekend, niet zo principieel was. En dat hij zomaar werken schreef waarin alsof het niets was Stalin werd verheerlijkt. Dat dat ook geldt voor een grootscheeps sovjetpatriottenstuk dat hij zich plotseling herinnert. «But the piece is absolutely brilliant. A monument, it’s true, but a monument to himself, to Prokofiev!» En dan komt het: «He wrote it with a kind of insolence, a noble amorality (…)»

Dit zijn observaties die een boek rechtvaardigen. Nobele amoraliteit. Alleen iemand die goed oplet plakt die twee begrippen aan elkaar. Bij biografen zie je die gevoeligheid voor mensen niet zo veel. Biografen zijn te vaak figuren die de complete karakterstructuur van Mozarts moeder destilleren uit een bijzin in een slechtgeluimde brief van Wolfgang Amadeus. Of die, zoals Monsaingeon, bij Richter graag de puurheid van het kind zien. Een man die zoiets zegt vertrouw je niet volledig meer. Die heeft niet nagedacht over wat puurheid is. Maar Monsaingeon is god zij dank geen echte biograaf. Hij is bewonderaar en tekent op, met roerende bewondering.

De betrouwbaarheid van dit soort boeken blijft een teer punt. Je weet niet of Richters woorden goed vertaald zijn. Je weet niet of ze mooier zijn gemaakt dan ze waren. Geen interviewer zal aan de verleiding van verfraaiing ooit ontkomen. Wie een held heeft, wil hem groter maken. Toch hoef je maar naar Richters Brekerhoofd te kijken om in te zien dat Monsaingeon de boel nooit erg kan hebben opgeklopt. De indruk die dit boek geeft spoort met het gewicht van Richters noten.

Bruno Monsaingeon

Sviatoslav Richter,

Notebooks and conversations

Uitg. Faber and Faber, 432 blz.,

€ 42,60