Muziek

Muziek

Bach blijft altijd Bach. Bach is sterk. Hij spreekt uit hoofde van een onvoorstelbaar ideaal: de wereld te verbeteren met kunst die autonome keuzes dan wel creatieve denkprocessen stimuleert en leidt tot het niet onverwachte maar ontluisterende inzicht dat de politiek die missie saboteert omdat hij haar een brug te ver is en zal blijven. Voor kunst is geen beleid. Voor kunst moet je vechten.

Ik doe twee dingen tegelijk. Mijn oren horen een vertolking van Bachs Goldbergvariaties met de Hongaarse pianist András Schiff. Mijn ogen lezen de Uitgangspuntenbrief voor het cultuurbeleid 2005-2008 van b. en w. in Rotterdam. Die brief ligt alweer een maand of twee te rotten in de schoot van Rotterdamse bobo’s en hun grondtroepen. Afstotelijk mooi is het. Dit stuk beschrijft wat in het hoofd gebeurt als lees- en luisterstof elkaar ontmoeten.

Eerst Bach. Bach blijft goed spul. Bach had genie, en Bach had eergevoel. Hij schreef en schaafde aan muziek tot die zo mooi was dat hij zich er niet meer voor zou schamen. Dat deed hij omdat kunst voor hem een zaak van eer was, berustend op een optimaal gebruik van gaven.

Pianist Schiff eert die gaven met de trots die ook niet rust voor de muziek van het genie zo vrijuit spreekt als zij bedoeld was. Naast de abstract-esthetische voldoening is het ook de inspanning die telt in de moreel gekleurde esthetiek van deze kunst. Het doet er eigenlijk niet eens zo toe hoe goed Schiffs uitvoering de luisteraar bevalt, zolang hij hoort dat deze pianist zich tot het uiterste heeft ingespannen om his master’s voice te kunnen blijven. Beiden, componist en pianist, zijn werkers, ambachtsmannen die proberen te voorkomen dat zij falen in hun opdracht zo goed mogelijk te zijn. En ze hebben hun best gedaan.

Kan een politicus zo’n sterke overtuiging hebben? Soms, als je er op televisie een ziet schreeuwen van groot onrecht, zou je het bijna denken. Maar het is niet waarschijnlijk. De politicus is horig aan een politiek programma dat hij, als hij mens is, nooit helemaal kan onderschrijven. Hij kan alleen maar blijven wie hij is als hij dat in zijn hart niet erg vindt. En zo blijkt het vaak te zijn. Hij zit er met een alibi van algemeen belang ten eerste voor zichzelf. Politiek is een métier voor schipperaars die geen geloof beproeven maar hun kansen meten. Ze sparen de kool en de geit door niet te doen wat ze publiek bepleiten: dat een mens moet kiezen.

Dus als de Rotterdamse portefeuillehouder van Cultuur ter ere van het aanrollende kunstenplan zijn grote boodschap uit het vege lijf perst, vermengt hij de verlamde papegaaienleuzen van zijn kaste handig met de nieuw spraak van de oppositie, en klaart hij het met wat geluk om niemand te ontrieven die zou kunnen tegenspreken.

Op die strategische spagaat berust de Uitgangspuntenbrief voor het cultuurbeleid. Het is een afschrikwekkende mélange van onzinnig links en rechts gebral over wat kunst nou moet en niet. Wat papegaait de ambtelijke ghostwriter te Rotterdam de portefeuillehouder voor of na? Dat het cultureel erfgoed «in de breedste betekenis van dit begrip» een «bijzondere rol» krijgt in het kunst- en cultuur beleid van de stad Rotterdam. «Wij hebben», kraait de ene papegaai namens de andere, «de overtuiging dat het cultureel erfgoed een belangrijke rol kan spelen bij de verbetering van de sociale cohesie in de stad. Immers, om elkaar te kunnen begrijpen en waarderen is het van belang dat wij van onze eigen en elkaars geschiedenis en cultuur kennis hebben. Cultureel erfgoed is van belang voor het beleven van de identiteit van de Rotterdammer, voor het culturele zelfbewustzijn en voor de integratie van de oude en de nieuwe Rotterdammers.»

Hoe kan de ghostwriter daarin geloven? Heeft hij die zinnen ’s avonds schaterlachend voor gelezen aan zijn huisgenoten? Zo van hoor nu eens, daar word ik nota bene zonder morren voor betaald? Of denkt hij, cynisch als zijn vak hem heeft gemaakt: wat een schitterende wanhoop richt ik aan, en niemand merkt het! Het maakt dus echt niets uit wat daar gezegd wordt!

Of is het hem ernst? Dat lijkt onmogelijk. Lees wat de wethouder Cultuur graag wil voor «nieuwe generaties Rotterdammers» (en bij voorkeur ook voor «de oudere generaties» uiteraard, want iedereen mag meedoen). Hij wil «via educatie binnen- en buitenschools (…) bevorderen dat zij het vermogen ontwikkelen kennis en begrip te krijgen voor culturele tradities, voor de canon van de kunst. Onbekend maakt onbemind en wij betreuren dat dit in de kunstsector nog vaak het geval is.» Dat klinkt behalve als treurig Nederlands toch weer vooral als opvoeding. Maar de lat mag niet te hoog gelegd. Nu gaan we dreigen met het recht van suiker ooms en dominees. Hoor daar de adder onder het gras eens populistisch sissen. «Kunstinstellingen zullen zich meer rekenschap moeten geven van de populaire kunst- en cultuurvormen, raakvlakken moeten zoeken tussen die kunst- en cultuurvormen en de meer traditionele (westerse) kunstuitingen.» En dan: «Wat ons betreft is de stelling nog onverkort van kracht dat kunst bijdraagt aan het vermogen tot het maken van autonome keuzes, creatieve denkprocessen stimuleert, integratie bevordert en leidt tot onverwachte inzichten.»

Wie kan nu zoiets menen?

Als de achtergrondmuziek bij deze brief stimuleert Bach mij tot de autonome keuze deze opgepepte mavotaal te bestempelen tot een directe en gevaarlijke bedreiging voor het culturele leven. Het gáát nergens over en voor zover het ergens over gaat, is het niet relevant voor wat ik kunst noem: werken, werken, werken. Ik zou willen dat de man of vrouw die dit geschreven heeft zich schaamde. Hoop heb ik niet. De kans is groot dat hij of zij de schaamte ver voorbij is.

Het kan natuurlijk zijn dat de klerk die deze nonsenspoëzie namens zijn portefeuillehouder heeft gedicht zich in zijn hart niet echt geroepen voelt de politiek te dienen. Het is goed mogelijk dat hij de politiek veracht. En toch: dan is hij toch maar blijven zitten waar hij zat. Het komt niet vaak voor dat iemand zijn principes weegt en zegt: ik ga. Ik ben geen buikspreekpop van onbegaafde bureaucraten. Of dat hij zegt, met Bach van Schiff nog vers in het geheugen: wat ik hier opschrijf, is verraad aan wat ik vind, dat kunst een zaak van eer is, berustend op een optimaal gebruik van gaven.

En de wethouder gaat hardlopen of sporten. Nooit heeft hij slapeloze nachten. Vandaag heeft hij de creatieve denkprocessen op het oog, morgen zegt hij namens andere belangen weer iets anders. Als de aarde draait, waarom zouden de mensen dat niet ook een beetje mogen? Oord zoekt soort!

Maar Bach blijft altijd Bach, of het nu Schiff is die hem speelt of Gould of Argerich of Brendel of Maria Tipo. Bach is sterk. Hij spreekt uit hoofde van een onvoorstelbaar ideaal: de wereld te verbeteren met kunst die autonome keuzes dan wel creatieve denkprocessen stimuleert en leidt tot het niet onverwachte maar ontluisterende inzicht dat de politiek die missie saboteert omdat hij haar een brug te ver is en zal blijven. Voor kunst is geen beleid. Voor kunst moet je vechten. Bach met Schiff: van harte aanbevolen. Live, hyperelitair en vastberaden.

András Schiff

Goldbergvariaties bwv 988

ECM New Series 472 185-2