Muziek

Muziek

Wie echt van Bruckner houdt,

moet klein worden, geheel met hem,

tot na de slotmaat.

Hij is zo prachtig om te huilen

Volgende week voert Kurt Masur met het Concertgebouworkest de Vierde symfonie van Bruckner uit. Volgens ons derde oog is dat goed en slecht nieuws. Goed nieuws is dat het niet heel slecht wordt. Slecht nieuws dat het niet heel goed wordt. Masur heeft geen Brucknerhoofd. Een Brucknerhoofd kijkt zuiver. Een man met Brucknerogen peilt en zendt weerloosheid. En in die ogen spiegelt zich compassie met de machtelozen, omdat hij weet wat ze voelen. De betreurde Sergiu Celibidache had ze. De stramme Wand, vlak voor zijn dood door toondoven gepromoveerd tot laatste Mohikaan in Brucknerland, had ze niet. Haitink wel, en de als Brucknerdirigent niet hoog genoeg te schatten Vonk nog meer. Kijk na Vonk eens naar Masur. Wie naar Masur kijkt, ziet zijn weerbaarheid. Aan de toch sterke ogen van een Vonk is af te lezen dat hij weg zou kunnen lopen als hij voelt dat het gepeupel aan de poten van zijn stoel komt zagen. Dat zijn de uitverkoren Brucknermannen — vluchtelingen, met een snik vol tragische verachting voor het dieventuig dat sterker bleek dan hun wanhopige dédain voor lage aardse zaken. Hoor Bruckner jammeren, na afloop van de catastrofale première van de Derde onder zijn waarschijnlijk catastrofale eigen leiding: «Ach, lasst mi aus, die Leut’ wollen nix von mir wissen.» De kleine Bruckner smeekte zielig bij de keizer om adhesie, sukkel. Masur zou zich met alle middelen verdedigen, speler — kijk maar. De mare wil dat Kurt Masur als chef van het Gewandhaus Leipzig in de reuring die de Wende begeleidde met beheerste rationaliteit «een bloedbad wist af te wenden» door zijn zaal te openen voor demonstranten. Zo’n Reuters-zin versteent tot mythe. Ik vertrouw de mythe noch de bron. Nu eerst maar eens iets onvergeeflijks gezegd: zijn kop bevalt me niet. Het is de kop van een berekenend man die overcompenserend goede daden doet, met een noblesse die zich te vrijgevig in de kijker speelt als de geschiedenis zijn dromers van de eeuwigheid een schot voor open doel biedt: grote daden. Misschien vergis je je. Maar dat is wat je ziet. En dat is wat orkesten zien. Dus dat is wat je krijgt te horen: achterdocht. Muziek heeft de unieke eigenschap de inborst van haar dienaars en hun onderling verkeer te absorberen. Bij Isaac Stern hoor je onzuiverheid. Bij een Gérard Souzay een ijdelheid zo ranzig als bedorven room. Bij Kurt Masur grondstoffelijk grootburgerlijk elan. Alleen Leonard Bernstein was goed genoeg om al zijn exhibitionistische gebreken weg te spelen. Hij maakte alles mooi, ook zijn theater. Je dacht bij hem niet meer aan stijl. Je dacht: dan maar Tsjaikovski. Ook als het Mahler was.

Masur is bij uitnemendheid geschikt voor de tevreden orde van een Mendelssohn, die hij vertolkt als niemand anders. Zijn voorstellingsvermogen lijkt aan een historische limiet gebonden. Zijn slag slaat raak tot grofweg 1850. Bruckners Vierde, eerste versie, is van 1874. Het wil wat zeggen hoe je toch zou willen dat heel Nederland erbij kon zijn om het verstrekkende elan van deze Vierde te ontdekken en na afloop met een diepe zucht te zuchten wat de Schönberg van de Prager Rede over Mahler zei: «Das ist ein ganz Grosser gewesen.» En al dit zuchten dient een heilig doel, reveil van een pathetische bezieling die als berglandschap zou mogen uitsteken boven de vlakte van het laagland dat het vaderlandse componeren ons gebracht heeft met die valse knipoog van een kritische distantie als het alleszaligmakende geloofsartikel. We moeten nieuwe heiligen creëren om de grotere gevoelens die wij uit Holland met ons lachen hebben omgebracht hun rechten terug te geven. Dat zou ons leren hoe we beter moeten worden dan we zijn.

Wie echt van Bruckner houdt, moet klein worden, geheel met hem, tot na de slotmaat. Hij is zo prachtig om te huilen; iemand, die onmachtig tegen de bedwelmende verrukking van zijn zwaarte leegliep tot, een paar jaar voor zijn dood, de laatste sombere muziek in hem gestorven was. Wat heeft hij voor zijn recht op leeglopen gestreden met zijn bange sidderende inborst, die namens de gemeenschap voor hem deed of het niet goed was. Zijn eerste symfonieën wankelen grotesk van de nog onbeheerste wil zo goed te worden als hij weet dat kunst kan zijn als makers maar bereid zijn om te sterven voor hun hoogste troeven. Ze bezitten bovendien wat bij de late Bruckner niet meer terugkomt: een enerverend ongeregeld intellect dat in zijn toestand van genese nog heftig doende is de eigen taal te leren spreken, een dichte harmonie van alles. Van de Derde symfonie, die al zo keurig lijkt in vergelijking met dit bruuske, is nog een woeste eerste versie over, die ooit door Haenchen hier te lande is gespeeld. Een prachtig pandemonium was dat. In de finale stormde het als een in lood gezette Berlioz. Pas de Vierde lijkt formeel volledig in balans. Bij Anton Bruckner wil dat zeggen: oud en zwaar.

Vooruitgang wordt in de muziek ten eerste afgemeten aan de geavanceerdheid van een idioom. Voor de progressie van expressie is veel minder oor. Toch is het dat, wat bij de Bruckner van de symfonieën nog het sterkste treft: de van werk tot werk gestaag groeiende vrijheid van het stromen der gedachten, ongeacht hun intellectuele slagkracht en hun graad van vooruitstrevendheid. Er zijn gevoelens die je, in hun specifieke muzische gedaante, in hun soort alleen bij Bruckner hoort, zoals de taal in mensentaal tot mensen spreekt bij Rilke, onvertaalbaar. En er zijn bij Bruckner van die ontzagwekkende decisive moments waar het traanverwekkend barst van machteloze trots en waardigheid, vrijuit gesproken.

In het Andante van de Vierde keert, tegen het slot, het eerste thema terug dat iedereen, omdat de identificeerbaarheid van kunst de mensen boven alles gaat, het liefst doet denken aan Franz Schubert. Het is veranderd. Het is niet lyrisch meer maar smekend dreigement; hoor toch, mensen, wat ik hoor. Het neemt nu de gedaante van een treurmars aan. Dit is een ogenblik waarop deze muziek ons haar tragiek onthult. Ja, een verlies van onschuld. Een ontmaagding van het muzische dat zich zo zuiver had gewaand als het gedroomde geestesleven in de opera die Bruckner ooit voornemens was te componeren, maar die hij nimmer uit zijn pen gekregen had. Je koestert dat moment. Het zingt een zondeval die zich in woorden niet laat zeggen. Voorbij, voorbij. Een gruwelijke bevrijding, zwart als diepzee.