Muziek

Muziek

Mozart is niet licht, maar schaduw van een licht dat over ons, de mensen, is gevallen

Gelachen en gehuild om Abou Jahjah en zijn klacht over ons neo-obscurantisme, dat wat hij noemt: de nieuwe Middel eeuwen van Europa. Jongen toch, dat zijn nú inderdaad nog ónze Middeleeuwen. Straks zijn het ook de jouwe, als wij verzuimen om je met verlicht debat naar het oud vuil van onze collectieve zelfverblinding weg te blazen. Een zelfverblinding die we na een eeuwenlang gevecht op microschaal wisten te overwinnen met de paardenmiddelen van recht en rede, voor zo lang het duurde. En dat is ons gevecht zo goed als het ’t jouwe is — dus ga niet mijn en dijn als bokken van de schapen scheiden en een lange neus maken naar ons, die het toch ook niet weten. Wie zijn wij? Jouw vraag.

Toch treft Jahjahs klacht ook doel. Zou hij met zijn boze woorden naar de toestand van de wes terse cultuur in louter culturele zin hebben verwezen, dan had hij zijn gelijk gehaald en ook gekregen. Op teletekst gaan in het vrije Westen Michael Jackson en Jamai van Idols fier aan top. Dat is toch niet waarop de encyclopedisten hoopten. Ik hoop nu maar dat Jahjahs boekenrek en platenkast zijn onbedoelde waarheid niet weerspreken. Zo ja, dan wil ik hem hierbij eens de sonates van de jonge Mozart aanbevelen met de oude Alfred Brendel aan de vleugel — en niet alleen om muzikale redenen.

Dit, Abou, is muziek uit de bizarre tijd dat wij hier nog Verlichting hadden, kunst met een hoge relatieve beschavingsgraad die ons het goede voorbeeld geeft en uit didactisch oogpunt geven wil met de verbazend introverte retoriek van consistente orde. Het is muziek die juist in onze barre tijden nog beschaafder lijkt door de verwildering die haar zo luid omringt, een eenoog in het land der blinden. Maar haar beschaving is ook absoluut. Let wel: wij spreken hier op microschaal niet graag van westerse beschaving. Die bestaat niet, net zo min als oosterse. Er is alleen absolute beschaving. Beschaving die de aandacht krijgt door eerst die aandacht te betuigen aan het ik dat vraagt: wie ben ik? Die niet brutaalweg om respect vraagt maar het afdwingt. Niet door te hard, maar juist door iets te zacht te spreken, dat men de oren spitst en hore!

En het is huismuziek. Dat is: belichaming van het private, intellectuele, individuele. Van de beschaafde neiging om tot nader order rustig onder ons te blijven, in plaats van brullend de katheder te bestijgen.

Hoe speel je Mozart? Met de expressie die we innig noemen. Zo alleen als mogelijk. Opdat men zich als luisteraar wel welkom weet maar zich toch gast blijft voelen, omdat men niet het recht heeft zich te mengen in dit quasi-solipsistische discours van monomane slimmigheden.

En graag ook met de langzame, bewogen nadruk van de kluizenaar die hoort wat niemand nog is opgevallen. Dat op een toon die breder lijkt dan de gestadige beweging van de tempi kan verdragen. Een toon die wel in tempo blijft maar met de voelbare suggestie van ontwrichtende vertraging, drama. Die metaforische gewichtsverzwaring moet, omdat het materiaal zo licht is dat het zou verdampen als de pianist zijn bloed niet als een soepel lood zou laten stromen naar de vingers die hem door de tover van hun aanraking met tedere staccati dwingen zonder zwaartekracht te blijven.

Mozart. Nooit de mensheid in het openbaar gesticht zo ver ik weet. Stille adel, die zichzelf verklaart met niets dan muzikale middelen. Maar ernstig relevant. Ook op piano, net het instrument waarmee de vrije geest van Mozarts hoogste troeven zich zo lastig laat vertalen. Je mist er het vibrato dat de zaak, die allereerst een zaak is van verwondering, met de gewenste metafysische gradaties van verdieping zacht in trilling brengt. Je had er op de Steinway in de laatste eeuw misschien maar twee of drie die er echt raad mee wisten, en die hun werk verzetten met solide tijdgebonden nadruk, de noodgedwongen tempostriktheid van de wel klassiek genoemde evenwichtsmethode respecterend, zodat je hoorde dat het net zo zwaar was als het waar was, alle lichtheid daargelaten. Richter was met Mozart soms een meester, Friedrich Gulda kon je af en toe verbazen, Gieseking altijd. En soms was ook de belegen Brendel even happy few. Je hebt van Brendel de concerten met piano begeleid door Marriners Academy, die van St. Martin in the Fields. KV 467, het 21ste concert, is bij deze pianist van standing. De voorsprong op het grauw gemeen steekt bij dit trio of kwartet voor alles in de breedte van de toon, het houtige, iets van weerspannig mechaniek in de zich als een late zomergeur verwijdende lyriek verdisconteerd. Zo hoort het. Alles moet bij Moz art broos het dubbelzijdige bezingen van een mooi ontgroeningsritueel, het doornen rijke van de weg naar God bij het arcadische van de bestemming opgeteld. Dat is niet iedereen gegeven. Je hebt bij Mozart laffe vlinderaars te over, tot aan de veelgeprezen rococokolos Perahia toe. Heel mooi en muzikaal en uiterst kwalijk. Basloos en gewichtloos. Louter licht en Mozart is niet licht, maar schaduw van een licht dat over ons, de mensen, is gevallen.

Brendel, op Philips net weer terug met nieuwe Mozarts, lijkt in de drie sonates in F-groot, a-klein en die vertederende watervlugge in D-groot, in een staat van sobere eenzelvigheid gebleven. Zijn toon is matglans met een zijden laagje stof bedekt, wat de muziek het patina verleent van onnadrukkelijke huismuziek, met iets van nobele slijtage in de benen. Zo speelt vandaag in Nederland of Duitsland op zijn net gestemde en gedekt geïntoneerde vleugel ergens een emeritus professor staatsrecht, die zijn techniek en zijn moreel met beschaafde onopvallendheid op peil heeft gehouden. Mooi, maar niet bestemd voor anderen. Meer daad van solipsisme dan bewogen voordracht. Een onderonsje tussen meester en gezel, met de bepalende momenten liever aangeduid dan uitgespeeld. Geen onderscheid meer tussen forte en piano. De tempi en de stemmingen gematigd als een naar rato van veroudering vertragende herinnering aan vroeger leven in een stad van het kaliber Göttingen of Leiden. En als het groot is, is het grootheid met een grens. Niet groots. Niet blijvend. Goed genoeg maar mensen, mensen — adem, adem, lucht! Het is precies wat het moet zijn en ook weer niet.

Ik kom er niet goed bij. Het is ook niet voor mij bedoeld. Ik hoor nog net waarvoor ik doof ben of wil blijven, een soort rust, maar verder kom ik niet. Goede taal is goed verwijzen naar het grotere dan taal. Voor muziek, en in de tweede graad voor zijn vertolkers, geldt vast iets vergelijkbaars. Heel even, tussen de maten 95 en 102 van het finale rondo uit de lievige sonate in F-groot, zijn er secondensporen van verwijzing naar een wereldrijk van kunst zo groot dat het je even duizelt bij het zien en horen. Dan moet je denken aan de Indiase rocker uit The Ground Beneath Her Feet van Rushdie, die op zijn eerste vliegreis naar Europa door de gaten in de hemel voor het eerst een andere dimensie heen ziet breken dan de drie die hij van India al kende. Daarna wordt alles weer gewone burgerlijke orde. Een beetje saai. Maar wel van een beschaving die we ons op microschaal verplicht hebben te eren, stille.

Mozart, Pianosonates in F-groot KV533/494, in a-klein KV 310 en in D-groot KV311; Fantasie in d-klein KV397. Philips 473 689-2