Muziek

Muziek

De mensen vechten tegenwoordig tegen het vergeten zo ze vechten tegen hun verdorvenheid

Maar weinig kunst is sterk genoeg om ad infinitum zichzelf op eigen kracht uit het moeras te trekken van het sterven, het verliezen, het vergeten. Het nageslacht moet helpen. Maar de tijd zit mee. Er is in mensen een krampachtige behoefte de vergetelheid te baas te blijven. Onze musea en muziekuitspanningen zijn de bewaarplaatsen geworden van een plichtsgevoel. Ze eren niet de doden en hun kunst; ze eren een volharding, onze. Ze eren onze overwinning op de schaamte. Nee, zeggen wij fier: wij zijn niet doof en blind geweest. Alles hebben we onthouden: wat we hadden, wie we waren, wat we zijn. Wie zijn wij dan? Wij zijn die anderen. Cézanne, Paul Klee, of Peter Schat. We noemen dat ons cultureel gezicht, identiteit. Geen mens weet wat het zeggen wil maar het klinkt prachtig.

Soms wil ook de kunst zelf onthouden wat voorbij is.

Op een zwarte dag in Arnhem, waar het nooit meer licht wordt, zingt in de concertzaal Musis Sacrum nieuwe kunst zich achterwaarts naar vroeger, toen we nog Strawinsky hadden. De Orkestsuite van Andries van Rossem is een terugkijkstuk. Het is of iemand uit de nieuwe tijd de geschiedenis heeft ontdekt en probeert hem na te spelen met de middelen van nu, zoals Japanse autofabrikanten afgeschreven generaties Audi’s imiteren en Mercedessen: vroeger is te laat.

Voorafgaand aan de uitvoering klinkt van dezelfde componist een romige aubade voor trompet ter nagedachtenis aan Peter Schat, die begin februari definitief geschiedenis werd door onze wereld op zo’n bitterzoete tussenleeftijd te verlaten, 67, niet jong en niet oud, precies zo tussen wal en schip als nog zal blijken.

Ik las het in de krant. En dacht, a priori gerustgesteld door wat zich tijdgeest noemt: ook hij zal niet vergeten worden. Vergetelheid is ouderwets. De mensen vechten tegenwoordig tegen het vergeten zo ze vechten tegen hun verdorvenheid. Aan Schats onsterfelijkheid wordt gewerkt. Er komt een box cd’s, heb ik gehoord, met zijn verzameld werk. Dat is heel goed. Hij was belangrijker dan de mensen die hem al voor zijn dood begonnen te vergeten. Grandeur is relatief, dat leren ons die demonstraties van gedenkdrift ook.

In Arnhem denkt de dood het leven terug. De aubade voor trompet begint op een langgerekte toon die kranten nu «gedragen» zouden noemen, flatliner. Zo denk je aan het sterven, een laatste schittering van licht in na kend donker, flits, last post. Daarna trompetgeschal in een bepaald soort saluerende traditie. Is op dergelijke ogenblikken van met tetterritueel belast herdenken de nageblazen dode nog fysiek aanwezig, in zijn kist, dan barsten mensen bij het aanhoren van zulk geschal verplicht in tranen uit.

Over die tranen zingt een brug te ver van Peters heldengraf Aubade algeheel displaced een lied van treuren zonder eigenmachtig te verklaren wat dit blazen wil — trompetten spreken niet. Muziek is een belazerde geheugenprikkelaar. Muziek herinnert aan zichzelf, aan het verlangen van een toon te zeggen wat het woord verloochent met zijn doffe stereo typering van betekenis. Ik, zouden zelfs eenzame trompetten willen zeggen, ben enkel wat je hoort, een boodschap zonder tussenkomst van tussenhandelaren — sprekers, componisten, muzikanten of politici. Welke boodschap dan? Dat lezen we bij deze huiltrompet in de bij binnenkomst verstrekte flyer. In memoriam.

«Louter lijken in dit huis», zegt mijn moeder met een blik van het balkon op het vergrijsde welken in de zaal. De dood is in de mode.

Als je ouder wordt, kweek je geschiedenis. In een uithoek van het rijk dat we verleden noemen, sprak ik Schat. We zaten bij de componist op zolder, kunstvriend E. en ik. E. vertrouwde hij. Mij niet. Bij een eerdere ontmoeting had ik blijk gegeven van een schandelijke onbekendheid met zijn levenswerk, de toonklok, een systeem van ordelijke drieklankharmonie dat net als alle andere weer alle andere van tafel veegde. Maar als vriend E. die hij vertrouwde, míj vertrouwde, had ik recht op uitstel van zijn vonnis, dood door schuld. Zo werkt dat in de kunst. Het gaat met gevoelens. En in die koepel van betonnen goedertierenheid durfde ik Schat de vraag te stellen die ik op hem testen wilde. Ik had gezien hoe hij met taal de uren van zijn toonklok had geduid. Niet als de sturingsmechanismen die ze waren maar als sferen. Ik zei: «Het is toch eigenlijk een soort affectenleer die je bedacht hebt, een barokkig spel met klassen van gevoel, methodisch.»

Ik had ongelijk. Maar ik kreeg het niet. Voor de duur van ons bijeenzijn had ik recht op mijn gelijk, omdat het zo gezellig was daar op die zolder. En omdat de waarheid die de componist had gevonden wel zo welluidend groot was dat er op die Ark van Noach best nog plaats was voor de mijne. Zo zegt een koning van zijn koninkrijk: «Waar je ook gaat, het land behoort aan mij.» Nooit vergeet ik ze, die ogenblikken. Ze zeggen mij, dat mensen zelfs niet met techniek kunnen ontsnappen aan hun menselijke staat. Sinds de lieve heer wil iedere schepper onsterfelijkheid. De één schept de aarde in zes dagen, de ander bouwt zich een toonklok. Hun wens is eender: om in één keer alles goed te maken met de wereld en het leven. Zo zijn de mensen komen te geloven. Trouw aan God is trouw aan het geloof in de verscheurde zielepieterige eerbiedwaardigheid van dat verlangen. Geloof in kunst is medelijden; hoofdschuddend naar een ander kijken die het wél probeert. En toch in tranen zijn. Omdat het ook de ander niet is gelukt wat je zelf uit angst of fatalisme nooit probeerde. Kunst is de vertaling van die condition humaine. Niet alleen het maken. Ook het consumeren. Dat is wachten op de man of vrouw die de kastanjes voor ons uit het vuur haalt en het falen van die helden rouwend meebeleven, tranen op de wangen.

En de muziek dan?

Dat is óók een menselijke vraag, geen muzikale.

Je mag als componist alleen maar hopen op de ene luisteraar die hoort wat jij hebt gehoord, een soort zweven. En dat zal je geliefde zijn, een engel.

Nogmaals, Peter Schat, rust zacht.