Muziek als theater

Even dreigt het fout te gaan: de musici van het Ensemble Moderne komen in de rol van een donderjagend schoolklasje terecht. Terwijl ze in de rest van de muziektheatervoorstelling Schwarz auf Weiss van Heiner Goebbels juist geen rol spelen maar als musici in een subtiele choreografie bewegen, worden nu de rackets te voorschijn gehaald en vliegen de tennisballen door de lucht. Als deze tegen een metalen plaat tegen de zijwand belanden klinkt een doffe explosie. Volgende goal is de grote trom, die de ballen met een heldere klap tegenhoudt. Melig. Het grappigst zijn eigenlijk nog de musici die helemaal niet kunnen gooien en meters naast het doel werpen.

Maar hoe geraffineerd is dan de overgang naar de volgende muzikale episode. De klappen die de tennisballen op de trom veroorzaken worden haast onopgemerkt overgenomen door de slagwerkster die haar trom ‘gewoon’ bespeelt. Muziek die aanvankelijk getheatraliseerd werd neemt nu weer een puur muzikale gedaante aan. Er vindt een vanzelfsprekend ogende uitwisseling tussen theater en muziek plaats die uniek is in zijn souplesse en subtiliteit.
De Duitse componist Heiner Goebbels (46) is geen nieuwkomer in het muziektheater. Hij begon zijn loopbaan begin jaren zeventig bij het Linksradicaal Blaasorkest in Frankfurt, schreef muziek voor theater (regisseurs als Matthias Langhof en Claus Peymann), film en ballet. Midden jaren tachtig ontstond een hechte samenwerking met Heiner Müller. In Schwarz auf Weiss is de stem van de inmiddels overleden Müller nog op band te horen. Maar ook van de concertmuziek die Goebbels schreef, waarvan enkele werken de afgelopen jaren in Nederland werden uitgevoerd, wordt wel gezegd dat zij 'latent theater’ zijn.
Wat Schwarz auf Weiss zo bijzonder maakt is de uiterste eenvoud. Het toneelbeeld bestaat uit drie rijen van tien houten bankjes met daarachter een wit scherm. De musici lopen af en aan en zoeken een plekje op een van de bankjes om te spelen. Hoewel ze de bladmuziek bij de hand houden, verstoort dit geen moment de ongedwongenheid van het spel. Er ontstaan voortdurend andere combinaties van instrumenten - bijvoorbeeld altviool, klarinet, klavecimbel en ritmebox - zonder dat er groepjes worden gevormd. Als individuen lijken ze in een choreografie gevangen, als in de onzichtbare draden van een spinneweb.
Soms vormt zich echter een collectief. Zo treedt het ensemble opeens aan als een (koper)blaasorkest, waarbij alle leden hun partijtje meeblazen. De muziek doorloopt gedurende de voorstelling verschillende stijlen en sferen. Van een melancholische late-night-muziek en een schetterende fanfare tot een nostalgische passage waarin een operastem op een krakende plaat klinkt, die op zijn beurt wordt doorsneden door een doordringende elektronische piep. De constante factor is echter het sterke ritme, het kwieke tempo en het heldere klankbeeld. Dat maakt dat het stuk zo speels en licht van toon is.
Als een prachtig contrapunt fungeert het lichtontwerp van Jean Kalman, dat soms de muziek volgt, soms contrasteert, soms het roer overneemt. Het licht is even transparant en krachtig als de muziek en vormt een gelijkwaardige partner. Dat geldt minder voor de louter theatrale momenten, zoals wanneer de fluitist een ketel met water op een campinggasje zet om een kopje thee te maken. Dat kopje thee wordt pas veel later genuttigd, eerst geeft hij een geanimeerd duet voor fluitketel en piccolo ten beste. Net als de bengelende schoolkinderen een grappig maar ietwat detonerend intermezzo in een verder abstract samenspel tussen beweging, licht en muziek.

  • Wie denkt dat de blokfluit een instrument is voor stuntelende kleuters, moet een bezoekje brengen aan De IJsbreker waar van 3 t/m 8 juli een blokfluitfestival plaatsvindt. Blokfluiters van over de hele wereld zetten hun beste beentje voor. Gastprogrammeur Walter van Hauwe heeft een aantal concerten samengesteld waarin elektronica een prominente rol speelt.