Schönberg & Kandinsky

Muziek en kleur

In 1907 had Arnold Schönberg al een reputatie als vooruitstrevend componist toen hij op aanraden van de schilder Richard Gerstl (die het ondertussen met Schönbergs vrouw aanlegde) ook begon te schilderen.

Medium schonberg0blik

Eerst eenvoudige dingen in de tuin van zijn zomerverblijf, de familie aan de thee. Daarna gezichten, altijd en face, altijd met speciale aandacht voor de blik. Kon hij er wat van? Nee. Het zijn platte pannenkoekentronies, met alleen een oppervlakkige relatie met de kunst van die jaren, die zocht naar dat wat uit het onderbewuste kwam, niet uit het aangeleerde.

De tentoonstelling in het Joods Historisch Museum in Amsterdam meldt opgewekt dat Schönberg als schilder een gerespecteerde plaats inneemt naast Klimt, Kokoschka en Schiele, maar dat is toch echt onzin, en dat vonden die kunstenaars eigenlijk zelf ook. In 1912 wilde Franz Marc vier doeken van Schönberg opnemen in een tentoonstelling van Der Blaue Reiter; hij kreeg een brief van August Macke, die duidelijk maakte dat dat ene Zelfportret, lopende best mee kon, maar dat de rest toch echt de moeite niet waard was.

En toch is die schilderkunst van Schönberg interessant. Ten eerste is het ontroerend om te zien dat Schönberg zo’n levendige, onderzoekende geest had en dat die geest zich zo ver buiten de muziek uitstrekte. Hij maakte óók een ontwerpje voor een opvouwbare bibliotheekladder, bedacht een diplomatiek schaakspel met vier spelers, tekende een ‘eenvoudig’ diagram voor het overstappen in het Berlijnse openbaar vervoer en vroeg in 1909 in Wenen patent op een notenschrifttypmachine. Die schilderijen zijn zwak, als kunstwerken, maar hij bracht er niettemin iets in waardoor bijvoorbeeld dat rare portret van Mahler een onmiskenbaar vreemde, borende blik kreeg.

Het tweede aspect is natuurlijk de relatie tussen de schilderkunst en de muziek, die in die jaren zo intens werd onderzocht. Hier komt het aandeel van Kandinsky op de proppen. Deze woonde in 1911 in München een concert van Schönberg bij en zou nog diezelfde avond een schilderij opzetten (Impressie III (Concert), 1911), waarin hij het avondje vertaalde in een mengeling van herkenbare elementjes en abstracte kleurvlakken, die alle impulsen – beeld, geluid, gevoel – moesten weergeven. In hetzelfde jaar zou Schönberg de stap naar ‘vrije tonaliteit’ zetten. Was dat een vergelijkbare stap? Schönberg en Kandinsky schreven elkaar in elk geval dat er diepe verwantschap bestond tussen ‘de dissonanten in de kunst’, c.q. hun beider kunsten. Kandinsky vond zelf dat zijn werk zeer beïnvloed werd door Schönberg.

De vraag is echter wat die verwantschap nou precies behelsde. Zeker, componisten als Schönberg, Berg en Webern kozen voor ‘kleur’ boven ritme of harmonie, en schilders als Jawlensky en Munter gebruikten pure kleur als structureel element. Maar was dat een eendere benadering? En waarom hield Schönberg eigenlijk zo snel op met schilderen? Hier geeft de tentoonstelling geen antwoord; daarvoor is ze te veel historisch, te veel biografisch, en het materiaal net iets te beperkt – heel veel is afkomstig van één bron, het Arnold Schönberg Center. De dappere componist komt goed uit de verf, maar wat Kandinsky en Schönberg nu precies meenden begrepen te hebben blijft vaag. Maar misschien was het dat eigenlijk altijd al: iets vaags.

Schönberg Kandinsky: Tegendraads in kunst en muziek, Joods Historisch Museum, Amsterdam, t/m 16 maart


Beeld: Schönberg Center, Wien, C/O Pitoright Amsterdam 2013