Blaasmuziek: HaFaBra: echo van de geschiedenis

‘Muziek mág toch mooi zijn?’

De Buma Classical Award 2018 ging naar een componist die niemand kende. Maar in de wereld van harmonie, fanfare en brassband (HaFaBra) is Jacob de Haan een internationale grootheid. Net als zijn landgenoot Johan de Meij, de winnaar van 2017. En beiden zien hun wereld niet vergaan.

Paleis Noordeinde tijdens Prinsjesdag © KOEN VAN WEEL / ANP

De Buma Classical Award is de populariteitsprijs van de Buma-Stemra: een onderscheiding voor de ‘hedendaagse klassieke componist die in het betreffende jaar de meeste Buma-inkomsten genereerde uit binnen- en buitenland’. Dat was over 2017 niet Louis Andriessen of Michel van der Aa, maar een componist die, buiten de HaFaBra-cultuur, niemand kent. Hier betrof het bovendien een prijs voor zijn gehele oeuvre.

Jacob de Haan (Heerenveen, 1959), componist van meer dan honderd werken voor koor, harmonieorkest en fanfare, bevond zich in het uitgelezen laureatengezelschap van dj Martin Garrix, presentator Edwin Evers, zanger Huub van der Lubbe en het producentenduo Fluitsma en Van Tijn. Qua publieksbereik hoort hij er thuis: op YouTube is een evergreen als zijn Concerto d’amore twee miljoen keer bekeken. En een jaar eerder ging dezelfde prijs naar Johan de Meij, die andere grote Nederlandse componist van blaasmuziek.

Twee HaFaBra-kopstukken, bij het grote publiek relatief tot volkomen onbekend, geven de grootste namen van de nieuwe muziek in de uitvoeringsstatistieken ruim het nakijken. En dat in een sector die binnen de officiële muziekcultuur nog altijd met een zekere meewarigheid wordt bekeken. Het is maar provincie, Hollandse folklore. Een wereld van anachronistisch geüniformeerde amateurs, van muziekverenigingen die in concoursverband nederig hogerop trachten te komen, van de vijfde naar de eerste of de kampioensdivisie. Bier na afloop. Navenant karikaturaal is het beeld dat in de media wordt neergezet: marcherende fanfares, majorettes, de verbitterde strijd tussen de twee eersteklas harmonieën in het kleine Limburgse Thorn, de Bokken en de Geiten.

Het is een grove vertekening van de werkelijkheid, maar ook een systematische onderschatting van het wereldwijde speelveld – én het repertoire. De HaFaBra-wereld vormt een wijdvertakt netwerk waarbinnen zowel in Nederland als daarbuiten op hoog niveau wordt gemusiceerd. Onder de vele honderden muziekverenigingen in Nederland, op de drie professionele blaasorkesten van defensie na uitsluitend amateurensembles, bevindt zich een handvol toporkesten, vaak op locaties als Culemborg, Thorn, Glanerbrug, Loon op Zand, Wierden of Groningen. In het buitenland zijn de beste harmonieorkesten en fanfares vaak gelieerd aan scholen en universiteiten. Niet in Nederland. ‘Het zegt iets’, zegt HaFaBra-bestuurder Bart van Meijl, ‘dat we, los van de defensie-orkesten, in Nederland geen professioneel symfonisch blaasorkest hebben. Eigenlijk is dat heel vreemd voor een land met zo’n blaastraditie. Vroeger had je The Amsterdam Wind Orchestra met Heinz Friesen, uitvloeisel van de Amsterdamse Politiekapel. In Duitsland heb je diverse professionele ensembles, ook symfonische blaasorkesten die verbonden zijn aan symfonieorkesten.’

Van Meijl is voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Muziekfederatie (knmo), na een reeks fusies van muziekbonden sinds 2014 de koepelorganisatie voor de 2800 Nederlandse muziekverenigingen. Hij weet als weinig anderen hoe goed en intensief de Nederlandse blazersgemeenschap buiten de schijnwerpers musiceert. Maar de fiscalist en oud-interim-directeur van het Orkest van het Oosten, van oorsprong hoornist en nog steeds actief als dirigent, heeft de handen vol aan de beeldvorming en de bestrijding van vooroordelen over de sector. ‘Heb je dat spotje van AllSecur gezien? Daar treedt een fanfare in op die natuurlijk een beetje belachelijk wordt gemaakt. We hebben contact gehad met die club en gevraagd: waarom hebben jullie daaraan meegedaan? Ja, zegt de penningmeester dan, we kregen er geld voor. Ik kan het ze niet verbieden, maar zo’n imago draai je niet zomaar even bij.’

Via zijn cda-lijnen, hij is christen-democraat, moet hij tot in het Haagse branden blussen. ‘Xander van der Wulp die op Prinsjesdag, toen de Marinierskapel voorbij kwam, zei: ik heb last van dat hoempapa-orkest achter me. Nou ken ik Xander, dus ik heb hem ter plekke een app gestuurd: jongen, dit is wel de kapel van de Koninklijke Marine, een van de meest gerespecteerde symfonische blaasorkesten. Dus je gooit me maar even in je formatievlog.’ Aldus geschiedde. Zo kon Van Meijl op het Binnenhof vertellen hoe de vork in de steel zit. Op Twitter was de hashtag #hoempapa even trending.

Topensembles , zegt Johan de Meij, vind je in Japan en de VS. Zijn verhuizing naar New York in 2009, niet voor de zaak maar voor de liefde, bleek ook commercieel een gouden greep. Zijn werk wordt deze dagen gespeeld in Nederland, België, Duitsland, Engeland, de VS, Canada, Zwitserland, Spanje, Denemarken, Italië en Japan. Ook Jacob de Haan zit vaker in het buitenland dan hier. Hij is veel in Duitsland, Italië, Spanje en Portugal, maar de uitnodigingen komen ook uit Azië, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika.

Allebei schrijven ze toegankelijke, glansrijke muziek voor harmonieorkest en fanfare, in een taal die de tonaliteit nooit heeft losgelaten. Bij De Haan levert dat vele tientallen sfeerstukken op als Oregon, Utopia, Majestic Prelude, Border Zone, Hanseatic Suite of La Storia. Daarnaast schreef hij grotere koorwerken als de Missa Brevis en de Gospel-mis, of de Markus Passion voor harmonieorkest, twee solisten en een evangelist in een spreekrol. De Meij componeerde naast zijn symfonieën, een Vijfde is in aantocht, concerten voor trombone(-s), saxofoon en euphonium, een Sinfonietta, exuberante Klezmer-, Beethoven- en Puccini-pastiches en, à la De Haan, een reeks sfeerstukken met bloemrijke titels: Echoes of San Marco, Fifty Shades of E, Extreme Makeover. De echo van de westerse muziekgeschiedenis is altijd voelbaar, herkenbaarheid en speelvreugde zijn eerder deugden dan gebreken. Men bedient een publiek.

‘Heel simpel’, zegt De Meij onomwonden: ‘Mijn inspiratiebronnen zijn de dode componisten. Prokofjev, Stravinsky, Puccini, Dvorák. En je hoeft niet heel goed te luisteren om dat te horen.’ De Haan voelt schatplichtigheid aan Bach en Wagner, maar ook aan Bob Dylan: ‘Van de simpele manier waarop hij melodieën en harmonieën opzet heb ik veel geleerd. De populairste stukken van mijn beginjaren zijn een combinatie van klassiek en pop. Nu niet meer overigens. Mijn huidige compositieopdrachten, ik kan ze nauwelijks aan, hebben niets met popmuziek te maken.’

De Haan snapt dat zijn populariteit samenhangt met zijn directe, publieksvriendelijke toon. Maar zijn stijl is niet uit commerciële overwegingen ontstaan. ‘Sommigen zien mijn werk als commercieel, maar ik creëer niet bewust iets verkoopbaars. Ik probeer eerlijk te blijven en vanuit mezelf muziek te maken. Vrij direct, intuïtief – en daar heb ik van nature geen heel complexe taal voor nodig.’

‘Louis Andriessen zei: dit is natuurlijk gejat maar dat geeft niks, want ik jat ook van Stravinsky’

Hun achtergronden verschillen. De Meij stond als trombonist in Orkest De Volharding en diverse Nederlandse symfonieorkesten nog met één been in de reguliere klassieke muziekcultuur en schrijft óók voor symfonieorkest. Zijn Lord of the Rings, zijn eerste symfonie van 1988, trok ook in zijn symfonische gedaante internationaal de aandacht. De Haan begaf zich behalve in zijn koorwerken niet buiten het HaFaBra-domein.

Toch is het opvallend dat de grote vernieuwingsgolven in de twintigste-eeuwse muziek bij beide componisten nauwelijks sporen hebben nagelaten. ‘Die heb ik niet bewust ontweken’, zegt De Haan. ‘In de tijd dat ik in Leeuwarden kerkorgel en schoolmuziek studeerde, kwam Louis Andriessen met composities als De Staat en dat vond ik geweldig, vooral ook door de ritmische impulsen die je niet één op één naast de popmuziek kunt zetten maar er wel raakvlakken mee hebben. Maar de avant-garde, de atonaliteit? Ik heb nooit de aanvechting gehad er zelf aan te beginnen, wat niet wil zeggen dat het me niet interesseert.’ Hij vereert Le grand macabre van Ligeti, ‘maar ik kan en wil het niet zo. Andriessen heeft me wél geïnspireerd. In mijn Pastorale symfonie hoor je dat ook. Maar uiteindelijk bleef de gewone, consonante taal, het zoeken naar mijn eigen melodieën, toch de hoofdzaak. Ik heb wel eens geprobeerd het over een andere boeg te gooien. The Book of Urizen, op teksten van William Blake, met een stem erdoorheen, audiofragmenten. Maar het verkoopt voor geen meter. Het punt is: ik ben Jacob de Haan en ik schrijf stukken als Oregon, dat is zoals mensen je willen.’

Overigens heeft ook De Meij zijn portie Andriessen meegekregen. ‘Ik heb in The Big Apple, mijn tweede symfonie, en in Extreme Makeover clusterakkoorden gebruikt die bijna letterlijk Louis zijn. Louis vond het geweldig. Die zei: het is natuurlijk gejat maar dat geeft niks, want ik jat ook van Stravinsky.’ Zo overschreed hij vaker grenzen. ‘Ik heb wel moderne dingen geprobeerd, bijvoorbeeld in Cloud Factory. Daar zit geen tonaal akkoord in, maar het klinkt wél hartstikke tonaal. En sommige mensen vinden dat mijn beste stuk.’ Slikt de HaFaBra-gemeenschap die vrijzinnigheden? ‘Absoluut. Ze vinden alles geweldig. Je kunt ze op de stoelen laten staan, laten meezingen, bierblikjes laten verkreukelen – ik denk dat professionele symfonieorkesten daar meer moeite mee zouden hebben.’

componist Jacob de Haan te gast in Hasselt bij Hasselts Fanfare, februari 2017 © GinoPress B.V. / ANP

Voor een goed blaasconcert ga je naar een stad als Sittard. Daar viert de Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen onder leiding van erekapelmeester Norbert Nozy het dertigjarig jubileum van De Meij’s Lord of the Rings-symfonie, die het in 1988 in première bracht. De Meij is speciaal voor het concert uit de VS overgekomen. De in 1832 opgerichte Gidsen, ze vallen onder het Belgische ministerie van Defensie, staan hoog aangeschreven: in Schouwburg De Domijnen noemt presentator Ab Nieuwdorp het ensemble ‘het Koninklijk Concertgebouworkest onder de harmonieorkesten’. Fantastisch orkest inderdaad, ongelooflijk geacheveerd en precies, ver uitstijgend boven de bonkige massiviteit die stadse vooroordelen op het genre projecteren; de koperen bassen lijken bijna strijkers, zo legato. Toch is die hoogstaandheid, sociaal en muzisch ver van het Concertgebouw verwijderd, zicht- en hoorbaar een andere wereld. De musici spelen in uniformen met rode trainingstrepen, militair met een rap-accent. De symfonie, strak in de vorm, is een schitterende suite van vijf fel-realistische Tolkien-portretten; de hymnische tovenaar Gandalf, de aalgladde Gollum.

De Meij schrijft zijn Vijfde symfonie voor de Universiteit van Valparaiso, Indiana, waar ze in november een Tolkien-congres organiseren. ‘De organisatoren hebben gevraagd of ik een commentaar op mijn Eerste symfonie wilde schrijven. De titel wordt Return to Middle Earth en die symfonie gaat dus niet over The Lord of the Rings maar over Midden-Aarde – orks, trollen en elfen, dat werk. Met sopraansolo en koor. Die zingen in het Elfs. Daar ben ik helemaal ingedoken en het klinkt een beetje als Keltisch, je verstaat er geen hol van, maar het is prachtig. Het is weer heel erg de mythologische fantasiewereld van Tolkien.’

Met zulke fantasy-thema’s hoef je bij het Koninklijk Concertgebouworkest of de Berliner Philharmoniker niet aan te kloppen. Die spelen, als ze al iets nieuws doen, toch liever Boulez op tekst van Mallarmé, dat stáát. De contacten tussen beide werelden zijn minimaal. ‘Reguliere’ Nederlandse componisten componeren weinig voor symfonisch blaasorkest, HaFaBra-toonzetters mondjesmaat voor symfonieorkesten. In de grote concertzalen zie je de beste Nederlandse blaasorkesten zelden spelen. De muzieksociologische kloof is diep. De Meij ervoer de afstand aan den lijve: ‘In de jaren tachtig en negentig werd er laatdunkend over gedaan, ook in Orkest De Volharding waar ik zelf in speelde. Die muziek van mij was allemaal tonaal gedreutel, niet modern genoeg en zo. Er zijn vaak opdrachten bij het Fonds voor de Scheppende Toonkunst afgekeurd omdat ik niet vernieuwend genoeg was. Die tijd is denk ik nu voorbij, mooi mag weer. Zelfs Louis Andriessen hoor ik bijna Puccini-achtige dingen schrijven. Geweldig. Muziek mág toch mooi zijn?’

De panelen beginnen te schuiven, weet De Meij. Hij ziet de aanzet tot een HaFaBra-trek naar de steden. ‘Er is in Nederland een aantal interessante blazersseries, zoals verrassende ontmoetingen en Hrfstwnd, Blazen in de Beurs in Amsterdam en Blazen aan het Spui in Den Haag. Op zich zijn dat goeie ontwikkelingen, dat een blaasorkest gewoon in een echte concertzaal speelt en niet in een gymzaal of een weiland.’ Bij het Noord Nederlands Orkest (nno) in Groningen dirigeert hij in september de symfonische versie van The Lord of the Rings. ‘Met dat orkest heb ik diverse keren te maken gehad. Planet Earth, mijn derde symfonie, heb ik voor het nno gemaakt. Het eerste stuk dat ik eerst voor symfonieorkest heb geschreven en later omgewerkt. Voor de pauze speelt de Provinciale Brassband Groningen, een topclub, mijn Extreme Makeover. Daarna voert het Noord Nederlands Jeugdorkest, een harmonieorkest, mijn altsax-solostuk Fellini uit, ten slotte het symfonieorkest Lord of the Rings. Drie disciplines op één avond, dat geeft een goeie synergie.’ Dit, belooft hij, wordt een avond met een nuttige overbruggingsfunctie.

Johan de Meij in Amerika © Kathy M Helgeson / UWRF Communications

In de Haarlemse Philharmonie is op 25 november 2017 nog alles bij het oude. Het Tata Steel Symfonisch Blaasorkest brengt onder leiding van Arnold Span de Nederlandse première van De Haans Markus-Passion. Het stuk, een Duitse opdracht, ken ik van de cd-opname met het Polizeiorchester Bayern onder leiding van de componist. Na de pauze dirigeert Span het Koninklijk Harmoniegezelschap O.B.K. Zeist in een potpourri-achtig programma met de Kroningsmars en Romeo & Julia-ouverture van Tsjaikovski, de Piet Hein Rapsodie van Peter van Anrooy, twee delen uit het klarinetconcert ‘Concerto Semplice’ van Frigyes Hidas en, verrassend moeiteloos, de finale uit Saint-Saëns Orgelsymfonie – mét orgel. Amateurs, maar ze spelen dit gewoon.

‘Op zich goeie ontwikkelingen, dat een blaasorkest in een echte concertzaal speelt en niet in een gymzaal of weiland’

De Haan vertelt het lijdensverhaal met melancholieke eenvoud, in de kalme tempi die de Passion ook voor amateurorkesten speelbaar maken, want zo luidde de opdracht. De liedachtige zangpartijen en de hymnische harmonische zettingen, als moderne koralen, verlenen de muziek een sereniteit die zich niet blijvend laat verdrijven door de wrange dissonanten in het Kreuzigt ihn. Subtiel citeert De Haan het slotakkoord van Bachs Matthäus-Passion. Het applaus is hartelijk en het klinkt niet voor het laatst. In een land waar, in de woorden van Peter Schat, premières meestal dernières zijn, mag een componist zich in de handen knijpen met één voorstelling. De Markus Passion komt pas naar Nederland na meerdere uitvoeringen in Duitsland en Zwitserland, en klinkt nog geen half jaar na de Nederlandse vuurdoop opnieuw in de Alkmaarse Grote Kerk, ditmaal onder leiding van de componist.

Na zijn studie was De Haan dirigent van een fanfare in Nijland. Hij speelde in bandjes en vereerde Dylan, maar dacht niet aan een carrière als componist. Toen schreef hij Oregon (1989) voor brassband, landschapsfantasie over de Amerikaanse staat die hij op zijn site als volgt toelicht: ‘Reizend per trein met de Northern Pacific Railroad wordt de luisteraar meegenomen in het fascinerende landschap van Oregon. Indianen, cowboys, goudzoekers en huifkarren zullen voorbijtrekken op deze avontuurlijke reis.’ De communicatieve, verhalende benadering tekent hem. Zijn eigen vergelijking met filmmuziek is geen gekke: weidse, sprekende beelden. Slagwerkroffels brengen de trein op gang, trombones blazen de stoomfluit; in de breedgeschouderde akkoorden orgelt zijn achterland. Daarna zag ik hem eigen werk dirigeren, nu eens wel in Nederland. Bij een play-in van de jubilerende Muziek Vereniging Oosterbroek, diep in Groningen. Hoogtepunt: de Nederlandse première van The Fellowship, een van zijn ontelbare buitenlandse opdrachten. Maar de repetitie begint met zijn orkestwerk The White Stone, gecomponeerd in opdracht van de Duitse Musikkapelle der katholischen Pfarrgemeinde Dossenheim en vernoemd naar een berg nabij Dossenheim. Een rockachtige episode evoceert het gestamp in de steengroeve van Dossenheim, het klokgelui imiteert de dorpskerk; lyrisch wordt de schoonheid van de stad bezongen. Het orkest – deels gelegenheidsensemble, alle speellustige liefhebbers kunnen aanschuiven – is geen topklasse, maar De Haan blijft kalm en geduldig. Tegen de ritmisch onzekere drummer, over de steengroevepassage: ‘Dat nummer van Queen, We Will Rock You – dat tempo moet ik hebben. Dat mechanische heeft te maken met het hakken in die rotsen.’

Openhartig beantwoordt hij na de repetitie vragen van musici. Wat het geheim is van zijn stijl? Dan begint hij over Gerard Reve, die hij bewondert. Reve schreef eigenlijk elke keer hetzelfde boek, maar het was steeds weer anders. Zo is hij ook. Men is wat men blijft.

Ik laat mijn blik glijden over de repetitieruimte, een oude gymzaal; de speellijnen lopen nog over de verweerde vloer. Op de achterwand geschilderde instrumenten: sax, hoorn, trombone, tuba, trommel. Aan de zijmuur de prijzenkasten met de bekers achter glas, tl-buizen aan het plafond, het korpsvaandel in de hoek, tafels met thermoskannen voor de thee- en koffiepauzes. Dit is het onopgesmukte aangezicht van een subcultuur die pop en internet heeft overleefd. Waar muziekverenigingen in eigen beheer nieuwe clubgebouwen neerzetten en, ver buiten de grote culturele centra, soms soeverein in eigen kring de sterren van de hemel spelen.

Het gaat beter met de sector, zegt Bart van Meijl. ‘Het bijzondere is dat ik in 2016 bij de ledenaantallen van de knmo een enorme toename zag in de categorieën jeugd- en opleidingsorkesten. Enorm is: keer vier. Je ziet daar aan de onderkant een beweging ontstaan die ik lang niet heb gezien.’ Hij wijt het aan de klimaatverandering, het effect van educatieprojecten als ‘Méér muziek in de klas’. Hij ziet muziekverenigingen het wegvallen van muziekscholen opvangen met interne opleidingen, prijst de gemaakte afspraken met de pabo’s over versterking van het muziekonderwijs op scholen.

Maar wat zou het prettig zijn, verzucht hij, als de overheid het enorme potentieel van de sector structureel erkende. Daar leeft de HaFaBra te weinig. ‘Op uitnodiging van de directie Kunsten van het ministerie van ocw ben ik een keer in Den Haag geweest. Voor de hele beleidsdirectie heb ik een presentatie gedaan over de knmo en het achterland van de sector. De ambtenaren vielen om. Ze hadden geen idee. Niet dat er 2800 muziekverenigingen waren. Niet over het niveau en onze Nederlandse componisten die de hele wereld over trekken. Niet van de verwevenheid van de verenigingen met het muziekonderwijs in de regio. Niet over de belangrijke sociaal-maatschappelijke rol van muziekverenigingen in plattelandsgemeenschappen.’

Ken ik het Wereld Muziek Concours Kerkrade, het vierjarige concours voor blaasorkesten? ‘Fenomenaal wat daar gebeurt. Wat je op die concertwedstrijden hoort is van een niveau, daar word je koud van. Dat zijn de Olympische Spelen van de symfonische blaasmuziek. Maar het is in Kerkrade en het blijft in Kerkrade, nobody knows. Net als al die toporkesten hier. Die komen niet verder dan de provincie of de regio waar ze zelf spelen.’ En soms laten ze zich klein houden, vindt hij. Zie AllSecur.

‘Het grappige is dat de Raad voor Cultuur in het advies van vorig jaar voor het eerst de militaire orkesten benoemde. Maar waar kennen wij die als publiek van? Van Prinsjesdag, de Taptoe Rotterdam, die uitgezonden wordt door omroep Max, en that’s it. Je zult nooit op het zondagochtendconcert in het Concertgebouw de Marinierskapel een originele blazerssymfonie horen spelen. En waarom niet? Dat intrigeert me dan.’

Het hoempapa-syndroom.


Applaus voor Johan de Meij,op 29 september in De Oosterpoort in Groningen; nno.nu