Muziek met perspectief

Dat Stockhausen deze zomer in Amsterdam de tijd van zijn leven heeft gehad, was zelfs tot in Salzburg doorgedrongen. Terwijl hij daar twee weken geleden zijn zevenenzestigste verjaardag vierde met de uitvoering van Hymnen, raakte hij niet uitgepraat over het onmetelijk succes van zijn Helikopterkwartet en de onovertroffen capaciteiten van het (inmiddels opgeheven) demonstratieteam van de luchtmacht, The Grasshoppers.

Afgelopen zondag was Stockhausen terug in het Amsterdamse Concertgebouw voor de uitvoering van het grootschalige werk Gruppen, geschreven voor niet minder dan 109 musici die zijn opgedeeld in drie orkesten met ieder een eigen dirigent. Het werd een gebeurtenis die in muzikaliteit het helikoptertochtje ver achter zich liet. Stockhausen schreef Gruppen in 1955 en in die jaren werd hij gepreoccupeerd door de verhouding tussen toonhoogte en toonduur. Met name het fenomeen dat uit eenzelfde noot die heel snel achter elkaar herhaald wordt, een langgerekte toon ontstaat (waarmee toonduur overgaat in toonhoogte) fascineerde hem in hoge mate. Vanuit dat onderzoek ontstond een stuk met meerdere, ritmisch onafhankelijke lagen, dat door een dirigent onmogelijk te slaan zou zijn. Vandaar de opsplitsing in Gruppen.
Gruppen is geschreven in een hyperserieel idioom dat de luisteraar in harmonisch opzicht geen enkel houvast biedt. Je kunt je slechts orienteren door naar de bewegingen te luisteren, het naar voren treden van verschillende instrumentgroepen of de variatie in instrumentale ‘dikte’, die uiteenloopt van de kaalste pianosolo tot drie op volle sterkte spelende orkesten, die elkaar met zwaar geschut te lijf gaan. Aanvankelijk leek het nogal absurd dat drie orkesten die ieder zo'n grillig notenbeeld tot leven brengen, ook nog eens dwars tegen elkaar in spelen. Maar dat bleek een bezwaar te zijn dat in de loop van de uitvoering helemaal verschrompelde.
Hoe de drie orkesten in elkaar grijpen, is met het blote oor eigenlijk niet te volgen. Op een abstracter niveau echter wordt de coherentie, een strenge balans tussen synchroniteit en onafhankelijkheid, geleidelijk glashelder. En wat in het begin aandoet als een streng geometrisch spel, krijgt in toenemende mate een overdonderende emotionele impact. Dat is een kwestie van timing en contrasten: na een titanengevecht tussen de drie orkesten of een passage waarin schetterend koper met een krankzinnige vaart van links naar rechts slingert of een batterij pauken een akoestisch bombardement uitvoert, is de stilte opeens breekbaar en ontroerend.
Vanwege de ruimtelijk opstelling - een groep op het podium en twee groepen op zijpodia links en rechts - had slechts een handjevol luisteraars een strategisch juiste plek. Na een ietwat chaotische stoelendans - het voltallige balkon wilde nu natuurlijk in de zaal zitten - werd het stuk voor een tweede maal gespeeld. Dat bleek een gouden greep: juist doordat zich nu allerlei momenten van herkenning voordeden, ging het stuk nog veel meer leven. Tegelijk werd duidelijk dat een werk als dit onmogelijk te beschrijven is. De wisseling van stoel en dus van perspectief leverde weer zulke nieuwe klankverhoudingen op dat je niet anders kunt dan constateren dat er een oneindige hoeveelheid versies van Gruppen mogelijk is. Zelden zal de definitie dat muziek een fenomeen is dat zich in tijd en ruimte afspeelt (en daarna onverbiddelijk weg is), duidelijker zijn geillustreerd dan met dit imposante werk.
Met dit concert beet Reinbert de Leeuw, die samen met Oliver Knussen en Robert Spano zes Nederlandse ensembles voor nieuwe muziek onder zijn hoede had, de spits af van zijn Carte Blanche. Tegelijk vormde dit concert de opening van het Jaar van de Ensembles. Een ietwat truttig initiatief naar mijn mening, maar na dit concert werd nog eens duidelijk dat 25 jaar ensemblecultuur zijn vruchten afgeworpen heeft. Nederland beschikt niet alleen over uitstekende helikopterpiloten, maar ook over een pool fenomenale musici.