Zuid-Afrikaanse jazz op het North Sea Jazz Festival

Muziek van het volk

Dit weekend zijn op het North Sea Jazz Festival vier Zuid-Afrikaanse musici te horen: grand old lady Miriam Makeba en drie vertegenwoordigers van de jonge generatie. Een bewijs van de vitaliteit van de jazz in Zuid-Afrika.

Zomaar een avond tijdens het jaarlijkse Arts Festival in het Zuid-Afrikaanse Grahamstown. Jazzgitarist Jimmy Dludlu, een innemende glimlach onder zijn even onafscheidelijke hoed, laat zijn glanzende gitaar zingen in het propvolle zaaltje van het lokale hotel. Zijn soepele gitaarloopjes, waarin invloeden uit West-Afrika zijn te herkennen naast salsa- en samba-elementen, worden verwelkomd als oude bekenden. Een rij fans staat op en zingt hardop mee, noot voor noot — niet gehinderd door het detail dat het instrumentale nummers zijn.

De in Mozambique geboren Dludlu (34), die vrijdag voor de derde keer optreedt tijdens het North Sea Jazz Festival in Den Haag, is in enkele jaren uitgegroeid tot een nationale beroemdheid. Op de openlucht-jazzfestivals die overal in Zuid-Afrika plaatsvinden, is hij minstens even populair als veteraan Hugh Masekela, de trompettist die tijdens dertig jaar ballingschap het podium deelde met mensen als Miles Davis en Dizzy Gillespie, en Jonas Gwangwa, die een Oscar won voor de filmmuziek van Cry Freedom.

Jazz, of wat daar in Zuid-Afrika voor doorgaat — de festivals programmeren alles van gospel tot traditionele Afrikaanse «folk» — is vooral populair bij het zwarte volksdeel, van de laagste tot de hoogste klasse. Een jazzfestival is een dagje uit; je gaat er met koelbox en barbecue naartoe. Blanke muziekliefhebbers laten zich er nauwelijks zien, waardoor ze keer op keer de kans laten lopen op goedkope muziek van hoog niveau in een feestelijke omgeving. Zij gaan hooguit naar clubs als Kippies en Bassline in Johannesburg, of naar het jazzrestaurant Green Dolphin in Kaapstad.

«Het publiek in het Westen is meer intellectueel. Het wil techniek zien, virtuositeit en emotionele inhoud», zei de dit jaar overleden toetsenpianist Moses Molelekwa over het verschil tussen het publiek in eigen land en dat in Europa. «In Zuid-Afrika houden ze van simpele dingen. Het publiek wil plezier, het moet dansen. Wij hoeven ze alleen maar liefde te geven.»

Hoe dankbaar het ook is om voor Zuid-Afrikaans publiek te spelen, het heeft een keerzijde. Musici worden beschouwd als vrienden, als familieleden, voor wie je niet al te veel ontzag hoeft te hebben. Dus praten toeschouwers door tijdens optredens, ook bij stille momenten. Ooit vroeg een Amerikaan de trompettist van de African Jazz Pioneers hoe het toch kwam dat Zuid-Afrikaanse blazers zo'n krachtig geluid voortbrachten. «Omdat we moeten concurreren met ons publiek», luidde het antwoord.

Een ander gevolg is dat mensen niet bereid zijn hoge bedragen neer te tellen voor concerten — dat doe je niet voor «familie», als je het geld al hebt. Het is een van de redenen dat de 69-jarige diva Miriam Makeba (zaterdag te horen in Den Haag en gewend aan internationale gages) zelden optreedt in eigen land. Toen twee jaar geleden het North Sea Jazz Festival een «filiaal» opende in Kaapstad, met Zuid-Afrikaanse én internationale sterren als Roy Hargrove en Herbie Hancock, knepen de Zuid-Afrikaanse organisatoren hem dan ook. Zou er voldoende publiek bereid zijn honderddertig gulden neer te tellen voor een kaartje, vier keer zo veel als een eendaags jazzfestival kost? De avond voor het concert waren slechts vierduizend van de tienduizend kaarten verkocht. Het tweedaagse festival werd uiteindelijk een groot succes («EXCELLENT!» chocoladeletterde de Cape Times paginabreed boven een recensie) dankzij twee factoren: de Zuid-Afrikaanse neiging pas op het laatst kaartjes te kopen (wat massaal gebeurde) en de aanwezigheid van veel kapitaalkrachtige, jazzminnende blanken in Kaapstad, waardoor het publiek eindelijk eens een echte mix was van blank en zwart. Dit voorjaar beleefde The North Sea Jazz Festival Cape Town zijn tweede versie. Mét Miriam Makeba.

Jimmy Dludlu ziet de kleurgrens niet alleen door het publiek lopen, maar ook door de Zuid-Afrikaanse muziekwereld. «Blanke muzikanten blijven hier altijd onder elkaar. Een blanke Zuid-Afrikaan zal veel eerder iets van Frank Sinatra spelen dan van Miriam Makeba», vertelt hij in Marco’s African Place, een van de schaarse luxe restaurants in Kaapstad met zwart management. Niet dat Dludlu daarmee zit: ze doen maar, die blanken. «Ik houd me bezig met mezelf en míjn mensen. Want, my brother, dit is Afrika. Ik moet iets doen voor dit continent, voor de Afrikanen. Ik moet iets teruggeven en bijdragen aan de cultuur door haar te verspreiden.» Vandaar ook dat hij het gesprek wilde laten plaatshebben in Marco’s Place. «Ik heb je meegenomen omdat je Afrikaanse gerechten moet eten. En vanwege de muziek. Deze band komt uit Congo,» zegt hij wijzend op een achtmansformatie, waarvan de gitaristen heupwiegend lonken naar het publiek. «Ik leer hier altijd. Van hen bijvoorbeeld leer ik entertainment, contact met het publiek.»

Dludlu leerde zichzelf gitaar spelen in zijn geboorteland Mozambique, in Swaziland en Botswana, en ging pas op latere leeftijd muziek studeren aan de universiteit van Kaapstad, waar hij in 1999 afstudeerde. Hij brak door dankzij Hugh Masekela, in wiens band hij een tijd speelde. «Masekela geloofde in mij en hij liet me in mezelf geloven, elke keer meer», zegt hij met warme blik. «Hij stimuleert graag jonge musici; ik heb veel van hem geleerd.»

«Wij groeiden op met muziek», vertelt «Bra Hugh», zoals Masekela liefkozend wordt genoemd, met zijn karakteristieke hese stem, de ochtend na zijn optreden in Marco’s Place ter gelegenheid van zijn nieuwe cd Sixty. Hij zong er zijn nog altijd ontroerende klassieker Stimela — over de trekarbeiders die het goud voor de blanken dolven en per stoomtrein werden aangevoerd — en het nieuwe Fela, zijn Nigeriaans klinkende eerbetoon aan zijn overleden vriend Fela Kuti, met wie hij begin jaren zeventig samenspeelde. «In de townships woonden de arbeiders van alle stammen door elkaar en in de weekends kon je overal muziek horen. Het begon vrijdagmiddag om half zes met de trommels van de pedi: poem, tíng-tíng, poem, tíng-tíng. ’s Nachts hoorde je een Zulu-koor oefenen, vergelijkbaar met Ladysmith Black Mambazo: je zag ze niet, maar je hoorde ze altijd. En op zondag maakte elke stam muziek, met de brassbands er tussendoor. Als kind kon je soms niet kiezen waar je nu weer heen moest. These guys are bád! zeiden we tegen elkaar als we weer eens een goede band hadden zien optreden.

Het eerste wat ik vroeg toen ik in 1990 terugkwam, was of de pedi-trommels er nog waren. Maar nee: ze waren allemaal vernietigd. Want de apartheid hield ook de stammen onderling uit elkaar en heeft veel meer vernietigd dan ik had verwacht. Je had moeite Zuid-Afrika in Zuid-Afrika te vinden. Vandaar dat de toeristen ook allemaal naar het Krügerpark gaan: ze kunnen de mensen niet vinden, dus zoeken ze de dieren maar op.» Masekela lacht. «Als de regering evenveel geld aan mensen zou besteden als aan dieren, zouden we hier een enorme culturele revolutie meemaken.»

«Kunst werd hier altijd als frivool gezien, iets voor onverantwoordelijke mensen», vervolgt hij. «Later heeft men de kunst genegeerd omdat ze iets was waar zwarten in uitblonken en mensen voortbracht als Miriam Makeba en Abdullah Ibrahim, die de hele wereld op de hoogte hielden van het onrecht hier.»

Ook de nieuwe regering voert volgens Masekela geen goed cultuurbeleid. Er zijn niet voldoende locaties om op te treden en vooral het kunstonderwijs moet worden verbeterd, vindt hij. «Zuid-Afrika is, net als Brazilië, een natuurlijk getalenteerd land. Maar muziek leren is een luxe. Alleen als je erg agressief bent, als je deuren intrapt en het ongewone doet, kom je er. Helaas is slechts een van de honderd muziektalenten zo agressief. Daarom zal ik alles doen wat ik kan om de infrastructuur voor de kunsten te verbeteren — niet door te demonstreren, maar door te lobbyen en te onderhandelen. Ik vrees echter dat als ik sterf dit land nog steeds fucked-up is.»

Masekela brak in het buitenland door dankzij de Afrikaanse musical King Kong van Todd Mat shikiza, die van 1958 tot in de vroege jaren zestig te zien was in Londen. King Kong, dat handelde over het tragische leven van de legendarische Zuid-Afrikaanse bokser met dezelfde naam, was de eerste musical in zijn soort en introduceerde de Zuid-Afrikaanse bigbandmuziek in de rest van de wereld. «Matshikiza was een groot componist, die het geluk had talenten in zijn ploeg te hebben als Jonas Gwangwa, Hugh Masekela, Miriam Makeba, Abdullah Ibrahim en het klarinetgenie Kippie «morolong» Moeketsi», vertelt Gwen Ansell, jazzcriticus van dagblad The Star. «Maar het hele project was bedacht door blanke producenten en was in feite een stap terug.»

In haar huis in de Johannesburgse zwarte emigrantenwijk Yeoville snelt Ansell door de Zuid-Afrikaanse jazzgeschiedenis, aan de hand van allerlei fragmenten afkomstig uit meters cassettebandjes en cd’s. «Luister, dit is traditionele sotho-muziek. Eentonig, dat wel, maar als je hier naar luistert», zegt ze terwijl ze snel een bandje verwisselt, «herken je dezelfde elementen in de marabi, de muziek die in de jaren veertig en vijftig furore maakte in de townships. Op deze opname wordt echter al druk geïmproviseerd. King Kong, dat die marabi-arrangementen bevatte, kwam pas tien jaar later.»

«Voor blanken was dat nieuw, maar op hetzelfde moment», zegt ze, terwijl ze weer een ander historisch, intrigerend arrangement laat horen, «kon je dít in Zuid-Afrika horen. Avontuurlijke, nieuwe muziek, die niet onderdeed voor wat er op hetzelfde moment gebeurde in de VS. Vergeet niet dat Zuid-Afrika het enige land is behalve de VS waar de jazz zo'n zeventig, tachtig jaar teruggaat, dankzij de grote urbane arbeidersklasse die je hier had vanwege de mijnen. Bekijk oude foto’s van mijnwerkers die na een seizoen werken terugkeren naar hun dorp: allemaal namen ze een deken mee. En een gitaar. In die mijnwerkershostels was ook weinig anders te doen dan muziek maken.»

Een van de grootste musici was Kippie Moeketsi, die voortleeft in de naam Kippie’s, het bekende jazzcafé in het Newtown District van Johannesburg. «Als je dit hoort, begrijp je waarom hij een genie werd genoemd», zegt Ansell, waarna een langzaam, melancholiek big band-geluid uit haar boxen komt. Het is Moeketsi’s compositie I Remember Billy. «De Zuid-Afrikaanse critici, als altijd gericht op het Westen, noemden hem de Zuid-Afrikaanse Charlie Parker. Maar Kippie heeft zó'n eigen geluid, hij is met niemand te vergelijken.»

Tijdens King Kong werd Kippie gek, waarna hij in een Brits gesticht werd gestopt. Ansell: «Een andere versie is dat hij doorsloeg na een ruzie over de te lage lonen van de bandleden. Maar hij herstelde zich en was na King Kong de enige muzikant die terugkeerde naar Zuid-Afrika.»

Door de steeds strenger wordende apartheidswetten werd het in de jaren zestig steeds moeilijker voor zwarte artiesten om op te treden. Verkoop van alcohol, dé bron van inkomsten voor jazzclubs, werd bovendien verboden voor zwarten. Musici die niet in ballingschap gingen, moesten er iets naast doen. Ansell: «Voor zwarte consumenten werden nog wel platen opgenomen. Maar alleen ’s avonds, met één technicus, die het er dan in één take op zette — het was toch maar voor de zwarten. Ik heb opnamen van eind jaren zestig, gemaakt door muzikanten die ik ken. Mooie muziek, maar als zij het horen, krimpen ze ineen: ‹Als we het maar één keer extra hadden kunnen spelen, wat zou dat gescheeld hebben voor de kwaliteit›, zeggen ze dan.»

Ansell laat bandjes zien, opgenomen door Gallo, de platenmaatschappij die tijdens de apartheid een dubieuze rol speelde. «Schandelijk hoe ze dit afwerkten. Ze vermelden niet eens de namen van de muzikanten, zelfs niet op de opnamen van King Kong. Ook wel gemakkelijk, natuurlijk: hoef je nooit royalty’s uit te betalen. Van sommige beroemde opnamen weet je gewoon dat de muzikanten niet meer dan een krat bier kregen, in ruil voor alle rechten.»

In de jaren zeventig en begin jaren tachtig was de jazz in Zuid-Afrika dood. Eind jaren tachtig, toen de apartheid al was versoepeld, kwam de jazz langzaam terug. De African Jazz Pioneers, van wie sommige leden tientallen jaren eerder al met elkaar optraden, herstelden in de jaren tachtig de big band-muziek in ere. Inmiddels is de jazz geheel opgebloeid, niet in de laatste plaats dankzij de komst van twee labels die cd’s produceren van de Zuid-Afrikaanse jazzmusici: M.E.L.T. 2000 en Sheer Sounds.

Trombonespeler Jasper Cook (56) speelde negen jaar bij de African Jazz Pioneers, als enige blanke, totdat hij er een paar jaar geleden uitstapte. «Ik groeide op in een klein dorp bij Pietermaritzburg in Natal. Zwarten woonden vlak bij ons huis, en daar was ik vaak omdat ze veel leuker met kinderen omgingen dan de blanken die ik kende. Regelmatig zag je mensen op straat die gitaar speelden, met ritmes die ik aantrekkelijk vond, magisch. Ik was dol op de mbaquanga, de op marabi lijkende muziek die de African Jazz Pioneers speelden. Op school werd ik niet uitgescholden, hooguit een beetje raar gevonden wegens mijn voorliefde voor die muziek. Vandaar dat er voor mij geen barrières waren.

Later, toen ik professioneel muziek ging maken, zeiden mensen tegen me: ‹Jij speelt als een kaffer.› Ik zag het als een compliment. Anderen vragen zich af hoe ik het uithoud met die zwarte muzikanten, die altijd maar te laat komen en zo slecht zijn georganiseerd. Bij de Jazz Pioneers klopte dat wel, van die slechte organisatie: repetities begonnen altijd uren te laat en in de eerste jaren hoorden we soms pas op de avond zelf dat we drie optredens hadden. Je wist ook dat als je ’s ochtends een repetitie had, je niet voor de middag een sessie kon plannen, omdat niet zeker was dat je dan al klaar was. Maar als je wachtte, als je gewoon het geduld opbracht, werd je altijd beloond. De muziek die wij maakten was zó prachtig, de oude Pioneers speelden zó gracieus, het was het allemaal waard.»

Met blanke musici heeft Cook minder goede ervaringen. «Ze zijn heel stipt en efficiënt, maar het is vaak zo bloedeloos. Van mij denken ze dat ik alleen met zwarten speel omdat ik tegen wachten kan. ‹Dus jij bent de token blanke›, zei een jazzcriticus eens tegen me toen ik meespeelde in de negentien man tellende band van Jonas Gwangwa. Jonas hoorde het en zei: ‹Deze token blanke is hier omdat hij kan spelen.› »

Kun je eigenlijk wel spreken van «typische» Zuid-Afrikaanse jazz? Volgens Hugh Masekela niet. Er bestaat slechts goede of slechte muziek, vindt hij. «Wie ons het label ‹jazz› wil opplakken, is een purist. Zoiets grenst aan discriminatie.» Jasper Cook denkt dat de muziek wel te typeren is. «Veel ritme, veel melodie, maar minder harmonie», vat hij het verschil met Amerikaanse jazz samen. «Sommigen vinden dat de thema’s te veel herhaald worden, ik niet. De muziek is als het Afrikaanse landschap: eindeloos.» Gwen Answell vindt dat de Britse criticus Charles Fox het nog altijd het mooist heeft omschreven. «Zuid-Afrikaanse jazz is de verloren zoon die is thuisgekomen.»

Tijdens het North Sea Jazz Festival in Den Haag (van 13 tot 15 juli) treden op vrijdag Jimmy Dludlu en de jonge zangeres Silvia Mdunyelwa uit Kaapstad op. Zaterdag zijn Miriam Makeba en pianist Paul Hanmer te horen.

Info: www. northseajazz.nl