Muziekmachines op hogedruklucht

Na het optreden van de Amorphic Robot Works, afgelopen zondag in het Rotterdamse V2, restte nog maar één conclusie: het mechanisch orkest is van alle tijden. Want is er een wezenlijk verschil tussen deze als grimmige robots vermomde muzikanten en het knuffelbeestenorkest dat de Bijenkorf elke kerst in de etalages installeert?

Of de negentiende-eeuwse automatische speeldozen waarbij in een enkel kastje een keur aan instrumenten schuilgaat? Of meer recent, het Zwei-Mann- Orchester van Mauricio Kagel, een reusachtige orkestmachine waarmee hij ‘voor de huidige crisis van het orkest zowel artistieke als sociale oplossingen’ hoopte te bieden. Stuk voor stuk muziekmachines die de mens overbodig maken.
De musicerende robots van Amorphic Robot Works, waar de kunstenaar Chico MacMurtrie achter schuilgaat, werden gepresenteerd in het kader van een kleine conferentie over robotzaken, oftewel 'robotica’. Hoewel deze thema’s waren samengebracht onder de paraplu 220V Robotics, werkten deze computergestuurde robots allemaal op hogedruklucht. Vandaar dat een groot deel van het klankmateriaal uit gepuf, gezucht en gesis bestond. Dit werd aangevuld met het gerammel en gekletter van de metalen onderdelen, het gegier en gepiep van de ijzeren mechanieken, en met het geluid van daadwerkelijk bespeelde instrumenten, zoals een groot aantal trommels en xylofoonachtige instrumenten. Ook was er een robot wiens torso uit snaren bestond (een kruising tussen een harp en een contrabas) en die zichzelf betokkelde en aanstreek.
Ook al is het fenomeen van zichzelf bespelende instrumenten dan niets nieuws, het wezenlijke verschil tussen een knuffelbeestenorkest en deze robots is de esthetiek. De ijzeren geraamtes ('Nikkelen Nelissen’ om met Kagel te spreken) bewogen zich over een naargeestig en agressief strijdtoneel, kaal en doods als na de spreekwoordelijke bom. Het grappige is dat deze robots, primitief als de roboterie in een autofabriek, daarmee eigenlijk heel ouderwets zijn. De moderne robot herken je namelijk niet. Een echte Terminator gaat vermomd als mens van vlees en bloed. Pas op het moment suprême verraadt hij zijn ware aard en slinkt hij tot een plasje kwik.
Zo niet in V2, waar zich niet mis te verstane monsters presenteerden. Bijvoorbeeld het gedrocht dat het midden hield tussen een aap en een insekt en dat met zijn lange tentakels op een gegeven moment daadwerkelijk een bezoeker te lijf ging. Of het skelet dat met zijn rammelende metalen botjes als klokkenspel fungeerde. Of het geraamte dat al puffend in een touw naar het plafond klom. Vriendelijkst was nog het kunststof geraamte dat bij beweging een melodieus geklingel voortbracht. In tegenstelling tot een loodzwaar gevaarte dat al koprollend de diepe ronde klank van metaal op metaal veroorzaakte. Buitengewoon morbide was de schuimrubberen vogelverschrikker die aan het plafond hing in een plastic zak die door een loeiende stofzuiger steeds werd volgeblazen: een lijkenzak met een lijk in ontbinding. Het meest muzikantesk waren tenslotte de trommelende geraamtes. Soms met een obsessieve drift soms met een onheilspellende dofheid - in beide gevallen klonk de doodstrom.
Terwijl de robots zo in steeds wisselende klankpatronen musiceerden, keek het publiek de ogen uit. Uitgelicht met spotjes verplaatste de actie zich kriskras door de zaal, vaak griezelig dichtbij. Oude wijn in nieuwe zakken? Feit is dat deze als dollen te keer gaande science-fictionmonsters een fascinerend luister- en schouwspel opleverden.