MP Leest… Thomas Heerma van Voss

Muzikanten kunnen nou eenmaal iets wat een schrijver niet kan

Marja Pruis leest… altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Voor de rubriek ‘MP Leest’ doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: Plaatsvervangers van Thomas Heerma van Voss.

Ik schaam me voor veel van de muziek waarvan ik hou. De barokke composities van Michael Nyman bijvoorbeeld, waardoor ik het bij menig film niet droog houd. De weemoedige deuntjes van The Police. Het megalomane gegalm van U2. Ik durf het amper op te schrijven merk ik. Laatst vroeg een collega me of ik The National kende. Ja, zei ik, en in een impuls die ik niet kon onderdrukken voegde ik eraan toe: Hele foute muziek. Terwijl ik de muziek niet heel goed ken, en ik mijn oordeel baseer op een paar registraties van optredens, en constateerde dat het me net teveel aan Joy Division deed denken (best lekker dus). Dat het fout is weet ik op grond daarvan echter wel zeker.

Nog meer dan bij literatuur, iétsje meer denk ik, liggen de verhoudingen tussen goed en fout in de muziek bij mij op scherp. Misschien omdat ik foute muziek wél stiekem kan koesteren, en suffe boeken of nepliteratuur gemakkelijk kan laten liggen.

En dan is er nog iets raars met muziek, in ieder geval met popmuziek: op zekere leeftijd moet je die zien te ontstijgen. Moet er échte muziek voor in de plaats komen: klassiek, opera, dat werk. Nooit heeft iemand mij dieper beledigd, nou ja, bijna nooit, dan Arjen Lubach toen hij nog een vaag literair programma presenteerde in café Cox. Ik denk dat het een jaar of tien geleden is. Behalve het net verschenen boek werd je geacht een muziekstuk mee te nemen. Of de dj van dienst van tevoren in te fluisteren. In mijn herinnering is het vast allemaal erger geworden. Meen ik dat Lubach iets zei van ‘het zal mij benieuwen’, maar wel al met een hint naar Beethoven. Terwijl ik in die dagen naar niets anders luisterde dan naar een nummer dat me bij het kijken naar Miami Vice (de film van Michael Mann) meteen rechtop had doen zitten. ‘Numb/encore’ van Jay Z en Linkin Park. Toen de eerste klanken door de ruimte schalden, keek Lubach me beledigend verbaasd aan en wat hij zei heb ik verdrongen.

Het is natuurlijk niet toevallig dat deze gedachten in mij opkwamen omdat ik Plaatsvervangers van Thomas Heerma van Voss aan het lezen was. Het is een compliment aan de auteur die het voor elkaar krijgt iets van de speciale fascinatie voor muziek en de vertolkers daarvan over het voetlicht te krijgen. Het begint al met een verslag van de eerste keer dat hij live ervaart hoe muziek wordt gemaakt, tijdens een optreden van Skunk Anansie bij Lowlands. Hij is nog jong genoeg om samen met zijn vader te gaan, die onwennig naast hem in het gras is gaan zitten, en kennelijk ook nog jong genoeg om zich niet te schamen dat hij zich op zeker moment laat meevoeren door het geluid. Hij doet mee met de rest van het publiek, applaudisseert, neuriet, steekt de handen in de lucht en gaat zelfs zo hard als hij kan meezingen. ‘Er komen slechts vage, half-Engelse klanken uit mijn keel. Wat doet het ertoe? (…) Hier heb ik weken naartoe geleefd, het hele jaar misschien wel (…).’ Als hij na afloop dankzij de connecties van zijn vader de kans krijgt de band backstage van ietsje nabijer te zien, blijft het van zijn kant bij op een afstandje staan observeren. ‘Hoe ze daar staan. Tevreden, zonder spoor van schaamte.’

De titel van dit boek says it all: muzikanten kunnen iets wat een schrijver, deze schrijver, niet kan. Alle verhalen gaan over grote en minder grote ‘sterren’ die iets durven wat hij niet durft, het leven leven dat hij niet leeft. Het zijn enthousiaste verhalen die iets verraden van de onvermoeibare, verzamelende geest die achter die bewondering schuilgaat. En die op een bepaalde manier ‘ontremd’ zijn, waardoor grote vragen over wat muziek ‘doet’, en of er zoiets bestaat als ‘hoog’ en ‘laag’ in de muziek, op een heel natuurlijke en prikkelende manier aan de orde komen.

Zo is er een groot verhaal over de ware verleidingskunst naar aanleiding van de enerverende loopbaan van hiphopper Tim Blair, alias Tim Dog, voor wie Heerma van Voss vanaf zijn twaalfde een fascinatie is gaan ontwikkelen die tot op de dag van vandaag voortduurt. Niemand in zijn omgeving ziet het in hem, maar hij wel, en als hij op zijn zestiende een hiphopsite begint is Tim Dog een van de eersten die hij mailt. ‘Over het woordje “fan” aarzel ik lang.’

Iedereen die eerder las over de uitgeefavonturen van Heerma van Voss (Onzichtbare boeken, 2014), zal de toon van deze schrijver herkennen: het is die van de sardonische liefhebber, heen en weer gaand tussen overgave en reserve, zelfspot en ernst. Via muziek contact leggen met dat ene meisje in de klas, en eigenlijk daaraan ook genoeg hebben. Proberend greep te krijgen op tekst en muziek van een maniakaal bewonderde groep en erachter komen dat de jaren zomaar voorbij zijn gegaan.

Een van de hoogtepunten in het boek is ‘Mijn roman over Golden Boy’, waarin hij vertelt over de ontstaansgeschiedenis van Hiphopleeft, zijn eigen site, en zijn grootse plannen daarmee. Verschillende medefanaten vindt hij bereid te schrijven voor de site, maar niemand die zijn taak meteen zo serieus neemt als degene die hij online leerde kennen als Rob. Van een fysieke ontmoeting komt het niet direct, Rob onthult een gele huidskleur te hebben als gevolg van een vorm van bloedarmoede. Maar dat komt allemaal goed, de Hiphopleeft-crew komt bijeen bij de Chinees, er komen T-shirts, gezamenlijke concertbezoeken, en het loopt ook af, zoals dat gaat. Alleen Rob wordt zieker.

‘Hij groeide niet uit tot de gedroomde veelgeprezen hiphopjournalist, maar werd een toonbeeld van veerkracht.’ Heerma van Voss gedenkt hem in een prachtig (zelf)portret.
In ‘Adrenaline op bestelling’ gaat hij dieper in op de foute filmmuziek waar ik ook dol op ben, van Hans Zimmer in dit geval. Hoezo fout? Wat is er mis met muziek op bestelling, erop gemaakt een emotie uit te lokken of te onderstrepen? ‘Effectbejag is een term met negatieve connotaties. We verlangen van een boek of muziekstuk dat het “authentiek” is, wat vervolgens wordt uitgelegd als “echt”, “oprecht”, ofwel: niet met het oog op succes, maar vanuit een persoonlijke, artistieke noodzaak. Waarom?’

Inderdaad, waarom eigenlijk. Misschien omdat je je niet graag genept of gemanipuleerd voelt. Zoals hem overkomt als hij in Londen, op stap met zijn broer, in een muziekwinkel argeloos de bakken naloopt en overvallen wordt door heuse tranen. Zijn broer blijkt nota bene hetzelfde overkomen. Er was een cd opgezet in de winkel, de soundtrack van Victoria, gemaakt door de mij onbekende Nils Frahm. Ik ga hem opzoeken, natuurlijk.