Essay Over surrealisme en ons povere vrijheidsideaal

My home is my castle

De vrijheid waar de surrealisten al van droomden, en die in de jaren zestig zo werd geïdealiseerd, is doorgeslagen en ontaard in brutaliteit en egocentrisme. De markt en de commercie hebben een cultuur gecreëerd van uitsluiting. Met alle risico’s van dien.

‘Sinds Bakoenin heeft Europa geen radicaal idee van vrijheid meer gekend. De surrealisten hebben dat idee wel. Zij zijn de eersten die hebben afgerekend met het liberale moreel-humanistisch verkalkte vrijheidsideaal.’
Opmerkelijk aan deze uitspraak van Walter Benjamin (uit 1929) is de vanzelfsprekendheid waarmee hij het surrealisme op één lijn stelt met Bakoenin. Het surrealisme kennen we immers als avant-gardebeweging uit het tweede kwart van de twintigste eeuw, als de centrale krachtbron en inspirator van het modernisme als zodanig - ook veel latere bewegingen en individuele kunstenaars zijn er schatplichtig aan. Bakoenin komt uit een heel andere wereld, hij was een van de grondleggers van het anarchisme en niet vies van redeloos geweld, maar al een halve eeuw dood toen het surrealisme van zich deed spreken.
Toch is de combinatie van die twee werelden ook weer niet zó vreemd. De surrealisten zagen zichzelf als critici van een failliete beschaving, niet als voorvechters van een nieuwe stroming in de kunst. Bovendien kost het geen enkele moeite in hun programmatische teksten zinnen te vinden die op een zekere fascinatie voor geweld wijzen. De meest geciteerde zin is deze van André Breton uit het Tweede Surrealistische Manifest (1929): 'De eenvoudigste surrealistische daad is met een revolver in de hand de straat op te gaan en lukraak zoveel mogelijk mensen dood te schieten.’ Dat lijkt inderdaad verdacht veel op Bakoenin, die als opmaat tot de 'totale revolutie’ opriep tot aanslagen op iedereen die tot het kamp van de uitbuitende klasse behoorde.
Ik waag me niet aan een close reading van Bretons in veel opzichten warrige en inmiddels onder karrenvrachten commentaar bedolven manifesten. Zeker lijkt me wel dat zijn provocerende geweldfantasieën alleen begrepen kunnen worden in de context van de Eerste Wereldoorlog en de daarop aansluitende koloniale bevrijdingsoorlogen, allereerst in Marokko, waar Spanje en Frankrijk, in strijd met het Geneefse verbod op chemische en bacteriologische wapens van 1925, nog datzelfde jaar de eerste vernietigende aerochemische oorlog uit de geschiedenis voerden tegen de opstandelingen in het Rif-gebied.
Als de surrealisten zich demonstratief keren tegen de dwingelandij van de logica en de eenzijdigheid van de rede moet men dat niet beoordelen alsof het om een alternatief college filosofische kennistheorie zou gaan, maar als een woedende, daardoor wat onbeholpen reactie op een repressieve en gewelddadige beschaving. De 'redelijkheid’ waartegen de surrealisten ageren is die van het uitsluitende denken en handelen, dus onder meer die van de Franse kolonisatoren, van de meedogenloze generaal Pétain, van de Duitse mosterdgasfabrikanten - niet die van de achttiende-eeuwse Verlichtingsfilosofen.
Ni Dieu Ni Maître! De surrealisten wilden eerherstel voor alles wat die rede buitensloot en verdrong, zowel psychologisch en sociaal als politiek. Met hun erotische fantasieën, hun antikerkelijke en antihiërarchische blasfemie belichaamden zij alles waar het 'liberale moreel-humanistisch verkalkte vrijheidsideaal’, en meer nog: waar de christelijke moraal, een afkeer van had. Misschien was de revolte wel vooral gericht tegen de katholieke dominantie van het leven tot in de Franse slaapkamer aan toe.
Zo heeft het surrealisme ruimte gecreëerd voor verboden stemmen en ongeziene mogelijkheden - voor het irrationele, het duistere, het afwijkende, het oncombineerbare, de droom, de waanzin. En daarmee heeft het een voorstelling van vrijheid in het leven geroepen die ver uitging boven de bestaande opvattingen van vrijheid, die - in de woorden van Walter Benjamin - toch vooral 'verkalkt’, dus zeer beperkt waren.

In Nederland is het surrealisme pas na de Tweede Wereldoorlog van invloed geworden. Pas in de poëzie van de Vijftigers en de schilderkunst van Cobra vierde het hier zijn bescheiden triomfen - bescheiden niet vanwege het gebrek aan kwaliteit maar vanwege het aanvankelijke gebrek aan enthousiasme bij de literatuur- en kunstliefhebbers.
Opmerkelijk is dat de naoorlogse beeldende kunst in ons land, op een paar uitzonderingen na, nauwelijks of niet in het teken staat van de oorlogsgruwelen of de verwerking daarvan. Voor schilders en dichters was de roes van de bevrijding en de vrijheid veel belangrijker dan de terreur die eraan voorafging. Zij leefden zich uit in de vrolijke ondermijning van de taboes die het dagelijkse leven beheersten. Liever dan door de serieuze wereld van de gezonde burgers lieten zij zich inspireren door de ongecontroleerde wereld van kinderen, dromers, spelers, waanzinnigen, dezelfde werelden die twintig jaar eerder door de surrealisten waren geëxploreerd.
Maar van de surrealistische pretentie de grenzen tussen kunst en leven af te breken en via de kunst het leven te veranderen kwam voorlopig niets terecht, hoezeer Appel, Lucebert en Campert ook van invloed moeten zijn geweest op de naar verandering snakkende naoorlogse jongeren. Pas met een vertraging van andermaal tien à twintig jaar, grofweg vanaf halverwege de jaren zestig, brak dat vrijheidsverlangen via een explosie van ludieke, non-conformistische creativiteit ook door in het dagelijkse leven. Dat dichters en kunstenaars als wegbereiders van die bevrijding moeten worden gezien lijdt geen twijfel.
Lang heeft die vrijheidsroes zoals bekend niet geduurd. In de tweede helft van de jaren zeventig, tijdens de hoogtijdagen van links - het kabinet-Den Uyl was even aan de macht - hergroepeerde rechts Nederland zich onder Van Agt en Wiegel. In 1977 kwam Van Agt met zijn 'ethisch reveil’, gericht tegen het vermeende linkse immoralisme en libertinisme van de jaren zestig en de intellectuele gangmakers daarvan. De abortuskliniek in Bloemenhove moest dicht, porno werd verboden voor zaaltjes vanaf vijftig zitplaatsen, christelijke waarden en normen stonden weer hoog op de agenda.
Begin jaren tachtig was het definitief gedaan met het vreedzame 'anarchisme’ van de jaren zestig. De economische no nonsense-politiek van Lubbers liet geen enkele ruimte meer voor ludieke toekomstfantasieën. Er moest hard gewerkt en bezuinigd worden, al het andere was flauwekul. In het spoor van Thatcher en Reagan werd het idee van de maakbare samenleving als uitbroedsel van het communisme naar de schroothoop van de geschiedenis verwezen. De staat moest vrij baan maken voor het grootkapitaal en de markt. Het zou niet lang duren voor ook de sociaal-democraten deze beginselen enthousiast omarmden. We zouden rijk worden, en ja: we werden rijk, onvoorstelbaar rijk, althans wij, in het noordwesten van Europa.
En dat had gevolgen voor de moraal, daar hielp geen ethisch reveil meer aan. Het christendom verloor eindelijk zijn greep op het dagelijkse leven, wat niet wil zeggen dat dat ook voor christelijke politici gold. Zij verkochten hun ziel zonder scrupules aan de duivel van het neoliberalisme, die begreep dat nog meer rijkdom alleen mogelijk was dankzij een agressieve economische expansiepolitiek, ook wel globalisering genoemd. Een eeuw eerder typeerde Nietzsche Europa trefzeker als 'de ascetische ster’, daarmee was het nu, zeker na de val van de Muur, gedaan - wij bekeerden ons massaal tot een heidens en decadent hedonisme.

Intussen drong met het verdwijnen van de christelijke moraal het ooit zo verguisde surrealisme door in het dagelijkse leven. Met volle kracht, overal en tot in alle poriën - maar wel incognito. Grensoverschrijding, het onklaar maken van alle 'gegeven’ categorieën, ooit de essentie van de esthetische avant-garde, werd de kern van al onze verlangens. We wilden meer, we wilden het andere, we wilden het extreme. The sky is the limit.
De ooit subversieve perversiteiten van de surrealisten kon iedereen nu met één druk op de knop of minder meebeleven. De shock die ons de ogen moest openen voor onbekende werelden drong in alle domeinen van het leven binnen. Het bijeenbrengen van heterogene elementen tot een explosief mengsel, oftewel de techniek van collage en montage, werd het belangrijkste constructieprincipe van alle reclame, van mode, design en politieke retoriek. Voortaan bediende iedereen zich van de readymade, iedereen fantaseerde zijn beeld, zijn tekst, zijn huizenontwerp met behulp van prefab-elementen bij elkaar, of die nu uit de zogenaamde beeldcultuur of uit de databanken van de politieke ideologie stamden.
Daarmee, zou je kunnen zeggen, werd de surrealistische droom door het leven bewaarheid. Maar werd daarmee ook de westerse ratio ondermijnd? Heeft het gerealiseerde surrealisme gevolgen gehad voor de westerse dominantie in de wereld, heeft het 'de totale bevrijding van de geest’ (Breton) bewerkstelligd?
Dat zou ik niet direct durven te beweren. Sterker: er valt veel te zeggen voor het tegendeel. De grenzenloosheid van het surrealisme heeft de westerse ratio niet zozeer ondermijnd, het bleek er eerder een uitstekend vehikel voor. Parallel aan het verdwijnen van de zware industrie uit Europa heeft het die ratio hier van haar logge, zware karakter ontdaan, het heeft haar geflexibiliseerd, gedynamiseerd en geschikt gemaakt voor wereldwijde export.
In het laatste kwart van de twintigste eeuw is Nietzsche’s ascetische ster plotseling, na twee millennia christendom, verbleekt, onzichtbaar geworden tussen het dag en nacht duizendvoudig aan- en uitflikkeren van het kunstlicht van de consumptiepaleizen. Maar tegelijkertijd lijkt alleen een kleine culturele minderheid nog in staat vrijheid anders te zien dan louter in termen van materiële rijkdom. Daarom is er van het surrealistische vrijheidsideaal niets overgebleven.

Ooit - nog aan de vooravond van de versnelde globalisering van de laatste decennia - bestond de vaste overtuiging dat technologische en materiële vooruitgang als vanzelf tot meer vrijheid zou leiden. We zouden eindelijk tijd overhouden waarin we ons relaxt met de aangename, mooie en niet strikt noodzakelijke dingen van het leven konden bezighouden. Homo ludens zou uit de sferen van de utopie bevrijd worden, ook zou hij niet langer het wensbeeld blijven van een beschaafde maar geprivilegieerde minderheid.
De ondergang van het communisme ging gepaard met een zo mogelijk nog grootser visioen: dat van een geïntegreerde wereldbevolking. Daarmee zou de droom van het communisme alsnog, zij het ironisch genoeg met kapitalistische middelen, gerealiseerd worden. Nu pas zou de globalisering werkelijk doorzetten. De groei van de wereldeconomie zou alle grenzen en muren teniet doen, ze zou overal ter wereld zorgen voor economische vooruitgang, voor democratie, voor meer vrijheid en welvaart.
Van dat optimisme is twintig jaar later niets meer over. Een blik op de wereldkaart leert dat de scheidslijnen in alle werelddelen en op diverse niveaus - tussen de landen, maar ook intern, dwars door steden, tussen regio’s en bevolkingsgroepen - zijn aangescherpt, verstevigd en ondoordringbaarder geworden.
Daarbij gaat het meestal niet om symbolische maar om fysieke scheidslijnen, om muren. Het is de bedoeling dat ze de doorgang van mensen verhinderen, desnoods met geweld. In plaats van uitzicht te bieden op een situatie waarin alle bevolkingsgroepen zijn geïntegreerd in één wereldgemeenschap, wordt het beeld nu gekenmerkt door een vergaande versnippering, door cynische uitsluiting en hopeloze segregatie.
De minst omstreden ommuring is die van de gated communities, beveiligde woonwijken voor de rijken in een omgeving waar die rijkdom opvalt en criminaliteit uitlokt. Alleen met een pas of na identificatie door een portier heeft men er toegang. Die wijken hebben een defensief karakter: veel blinde muren aan de buitenkant, tot een noodzakelijk minimum teruggebrachte openbare ruimte - meestal niet meer dan een stelsel van corridors - aan de binnenkant.
In de Verenigde Staten is de gated community al lang een normaal verschijnsel, sinds eind jaren negentig rukt hij ook in Nederland op. Behalve door veiligheidsoverwegingen wordt die gesloten gemeenschap gemotiveerd door een traditionalistisch, nostalgisch, soms ronduit kneuterig woonideaal. Steeds vaker bouwen antimodernistische architecten zelfs nieuwe 'oude’ kastelen, compleet met vestingmuren, donjons, slotgrachten en ophaalbruggen.
De gated community is symptomatisch voor de uitholling van ons vrijheidsbegrip. Het is een vrijheid in de strikte beslotenheid van de 'eigen mensen’, in de mentale gevangenschap van een uiterst beperkte en door dorre eenzijdigheid gekenmerkte actieradius. Dat is een volstrekt presurrealistische, ja zelfs een preburgerlijke situatie. Curieus is dat de bewoners die zich hier van de rest van de wereld hebben geïsoleerd geen idee lijken te hebben van een gemis, van de prijs die ze betalen voor hun rijkdom. Curieus is de groteske wanverhouding tussen rijkdom en vrijheid.

De economische crisis mag vooral zware klappen hebben uitgedeeld aan de bouwwereld, het enthousiasme voor geïsoleerde woongemeenschappen lijkt er niet door getemperd. NRC Handelsblad bevatte laatst een advertentie over twee volle pagina’s waarin de bemiddelde huizenzoeker werd geattendeerd op een nieuw aan te leggen 'royale oase aan de rand van Utrecht’, geheel in retro-stijl, tot en met de pseudo-deftige naam: Park Bloeyendael. Ditmaal gaat het niet om een fort maar om een (vermoedelijk grotendeels kunstmatig) eiland, iets geheel nieuws dus in de traditie van de zestiende-eeuwse utopieën, die immers ook altijd op een eiland waren gesitueerd. Het verschil is alleen dat die oude utopieën werden gemotiveerd door precommunistische gelijkheidsideeën - Utopia van Thomas More vertoont zelfs al trekken van een stalinistisch werkkamp - terwijl het in Park Bloeyendael uitdrukkelijk om één klasse gaat, die van de rijken en de steenrijken.
De prijzen variëren van één tot vier miljoen euro, de bewoner hoeft dus niet bang te zijn dat hij in dit 'paradijselijke park’ ooit een vreemde snoeshaan tegenkomt. In die letterlijke zin spreekt de reclame de onverhulde waarheid: 'Alles ademt exclusiviteit.’ En 'de permanente bewaking vanuit de portiersloge’ op het toegangsbruggetje zorgt er wel voor dat die exclusiviteit gehandhaafd blijft. Dat geldt zelfs voor het enkele dier dat zich in dit kitscherige Arcadië mag vertonen. 'Ook een voorbijkomende ree op de nabijgelegen faunapassage behoort tot de mogelijkheden.’ Tegen betaling, is de suggestie, sturen we die wel even langs.
Aldus voedt dit park de nostalgie naar lang vervlogen tijden - die van de strikt gescheiden standen van voor de burgerlijke revoluties - ook in architectonisch opzicht. Het centraal gelegen hoofdgebouw heet 'paleis’, en ja, het doet onmiskenbaar denken aan paleis Soestdijk. De overige gebouwen, stuk voor stuk laffe, karakterloze bedenksels van opzichtig premoderne aard, liggen er in gedienstige symmetrie omheen. Alles ademt exclusiviteit, inderdaad, alles ademt angst voor het andere, het vreemde - 'u wandelt over uw park en u weet wie u tegenkomt’. Dat moet een hele geruststelling zijn.
Zo defensief en homogeen als het park in zijn geheel oogt, zo leeg en armzalig is het vrijheidsbegrip dat hier in steen wordt opgetrokken en dat in niets meer lijkt op het burgerlijke vrijheidselan uit vroeger eeuwen. Dat elan werd niet alleen gevoed door het verlangen zich te bevrijden van alle adellijke willekeur, maar ook van het gesloten platoons-christelijke wereldbeeld dat die willekeur legitimeerde. Dat wereldbeeld was allesbepalend voor wat zich afspeelde in het hoofd en de zintuigen van de 'gelovigen’, voor de grammatica van de taal, de alledaagse gewoonten en de verlangens. De burgerij bevrijdde zich van dat beeld en de passiviteit die er kenmerkend voor is. Ze ontdekte de motor, het actieve principe van die bevrijding, in zichzelf. Ze verlangde ernaar zich in het vreemde te verdiepen, zich ongehinderd door vooroordelen, nieuwsgierig en open, te bewegen in onbekende omgevingen. Zij was de dynamische, alle statische verhoudingen dynamiserende klasse bij uitstek. Voor de adel, die niets anders te bieden had dan gepoch op haar afkomst en dubieus verworven bezit, koesterde ze slechts minachting; ontelbare anti-adellijke satires, van de Middelnederlandse Reinaert tot Molière en Goya, getuigen daarvan. Het hoogst denkbare: de expedities van de geest in kunst en wetenschap.
Maar hier en nu, in deze zelfgenoegzame monocultuur van rijke parkbewoners, zijn die expedities bij voorbaat uitgesloten. Hier geldt: My home is my castle, daarbuiten loeren de barbaren. Ook in hun hoofden zijn de controleposten van de angst en het wantrouwen permanent bezet.

Het surrealisme wilde een vroegere, christelijk geïnspireerde en predigitale versie van die controleposten ongedaan maken. Dat heeft conservatief Frankrijk de kopstukken van de beweging tot op de dag van vandaag niet vergeven. Het surrealisme, althans de uit de manifesten gecomprimeerde versie daarvan, ligt er op vergelijkbare wijze onder vuur van rechtse commentatoren als 'de jaren zestig’ in Nederland. Het zou, net als de 'babyboomers’ hier, verantwoordelijk zijn voor de morele ontsporing van zoveel jongeren. In zijn anti-autoritaire, god noch gebod eerbiedigende houding zou de kiem liggen van de bij hen zo pijnlijk doorgeslagen vrijheid, van hun brutale en bandeloze egocentrisme.
Maar die redenering is veel te gemakzuchtig. Het vrijheidsideaal van de jaren zestig - om ook even in die generaliserende termen te spreken - was allesbehalve amoreel. Bovendien was zijn domein, zeker in ons land, dat van de vrije tijd, en wel in de nadrukkelijke zin van een tijd die niet werd gedicteerd door de markt. Provo’s, hippies, studenten en andere, ook minder opvallende anti-autoritaire bewegingen en individuen zetten zich juist scherp af tegen de verslavingen van de 'konsumpsiemaatschappij’, vaak ontleenden ze hun identiteit aan het contrast daarmee. En op z'n minst de politiek bewuste afdeling van deze culturele avant-garde wist heel goed dat die consumptiedwang vervlochten was met ecologische roofbouw en economische uitbuiting van vooral de Derde Wereld.
Voorzover er tegenwoordig sprake is van een doorgeslagen, in brutaliteit en egocentrisme ontaarde vrijheid, heeft die heel andere wortels. Al heel vroeg hebben 'marktpartijen’, vaak van Amerikaanse origine, commerciële mogelijkheden ontdekt in het in regie nemen van de nieuwe vrijheden van de jongeren, vooral natuurlijk op het gebied van mode, muziek en luxeconsumptie. Zo ontstond er naast een slinkende, min of meer autonome jongerencultuur een groeiende commercieel geleide jongerencultuur, die in hoog tempo ook de wereld van de volwassenen veroverde.
Die cultuur kwam meer dan enige eerdere cultuur onder een sterke prestatie- en concurrentiedruk te staan, onder de dwang van het steeds meer, steeds anders, steeds extremer en vaak ook steeds gevaarlijker. En dat alles vooral, letterlijk, met het oog op degenen met wie de betrokkenen omgaan. Er is sprake van een 'mimetische furie’ (René Girard) die bij alle partijen, de winnaars zo goed als de losers, een permanente stress veroorzaakt die alleen nog met het allerschamelste vrijheidsidee combineerbaar is.
De ophitsende invloed van een alom tegenwoordige, agressieve markt kan nauwelijks worden overschat. Jongeren die er door hun ouders, uit gemakzucht of machteloosheid, van jongs af aan aan worden uitgeleverd, dromen ook al van jongs af aan uitsluitend in termen van die markt. Hun plaats in de groepshiërarchie en dus hun zelfrespect hangt af van de 'merken’ die ze zich kunnen permitteren. Opvoeding tot mondigheid - om die ouderwetse formulering nog maar eens te gebruiken - is daarentegen alleen mogelijk in een omgeving waarin jongeren tegen de vroege almacht van de markt beschermd worden.
Het is heel goed mogelijk de 'doorgeslagen vrijheid’ in het Nederland van nu te verbinden met een exacte geboortedatum: 18 april 1973. Toen vond er in Den Haag een grote demonstratie plaats ter ondersteuning van de commerciële zeezender Radio Veronica, die van de toenmalige regering zijn uitzendingen moest staken. Het ging om een monsterverbond van jongeren met grote investeerders en kopstukken uit de wereld van het commerciële vermaak - de Zangeres zonder Naam, vader en dochter Alberti en andere populaire Nederlanders, die toen nog niet als 'bekende Nederlanders’ door het leven gingen.
Net als bij de provo’s ging het bij de demonstranten in Den Haag om een antipolitieke houding, maar anders dan bij de provo’s, die vooral door een vriendelijk soort anarchisme en door romantische, rurale kleinschaligheidsfantasieën werden gemotiveerd, was dat een antipolitiek die vrij baan wilde voor de commercie. In 1973 was het in principe al gedaan met de vrolijke jaren zestig. Er brak een nieuwe fase aan in de geschiedenis van het commerciële amusement en het politieke populisme, een tweekoppig monster dat zich sindsdien in alle sectoren van de maatschappij angstwekkend breed heeft gemaakt.

In Frankrijk hebben de beschuldigingen aan het adres van het surrealisme als wegbereider van het huidige immoralisme een absurd karakter aangenomen. De belangrijkste aanklager is daar geen machtsbeluste populist maar een vooraanstaand intellectueel, Jean Clair, onder meer voormalig directeur van het Picasso-museum in Parijs. Clair is de auteur van La responsabilité de l'artiste: Les avant-gardes entre terreur et raison (1997). Na de aanslag op de Twin Towers schreef hij in Le Monde een artikel over 'Het surrealisme en de morele ontwrichting van het Westen’, dat in Frankrijk een heftig debat uitlokte.
Het is niet mijn bedoeling dat hier samen te vatten, ik beperk me tot het noemen van een van Clairs belangrijkste bewijzen. Dat ontleent hij aan Louis Aragon, ook Benjamin overigens welbekend. In het tijdschrift La Révolution surréaliste schreef Aragon in 1925: 'We zullen deze beschaving, die jullie zo aan het hart ligt, te gronde richten… Westelijke wereld, je bent ter dood veroordeeld. Wij zijn de defaitisten van Europa. Kijk maar hoe dor deze bodem is en hoe rijp voor alle mogelijke brandhaarden. Laat de drugshandelaren onze door angst en beven bevangen landen binnenvallen. Laat het verre Amerika onder zijn witte wolkenkrabbers instorten…’
Ik zal niet zeggen dat dit een toevalstreffer is, daarvoor zit er te veel agressie in surrealistische teksten, maar als bewijs voor een antiwesters ressentiment van Franse intellectuelen dat het radicale islamisme in de kaart zou spelen is dat citaat van Aragon wel wat mager. We mogen immers gevoeglijk aannemen dat de stichtingsteksten van de Europese avant-garde niet tot de verplichte curricula behoren van de madrassa’s in Iran en Afghanistan, de kweekscholen van de jihad.
Nee, de jihadisten worden eerder geïnspireerd door de aanstootgevende 'westerse’ dominantie overal ter wereld. De voedingsbodem van islamistisch geweld ligt in de vernederende uitsluiting van ruwweg driekwart van de wereldbevolking van een menswaardig bestaan. Direct in het oog springend beeld van die uitsluiting zijn de gated communities, zijn de muren, de gewapende patrouilles en de geavanceerde bewakingssystemen die de wereld van de rijken beschermen tegen de kanslozen.
Tegelijkertijd zijn de decadente, om niet te zeggen surrealistische interieurbeelden van die communities alomtegenwoordig. Het kan niet anders of ze zetten kwaad bloed. Het zou daarom niemand hoeven te verbazen dat de kanslozen inspiratie putten uit hun kansloosheid en kiezen voor één moment van destructieve en zelfdestructieve triomf, dat ze dus onbewust gehoor geven aan Bretons provocerende fantasie om met een revolver in de hand de straat op te gaan en 'lukraak zo veel mogelijk mensen dood te schieten’.