Mynheer van koek

In het aangezicht van de dood (1856) dacht Heinrich Heine, om welke reden dan ook, steeds minder vriendelijk over de Hollanders. In zijn (fragmentarische) memoires vergeleek hij het Nederlands met ‘kikvorsgekwaak uit de Hollandse moerassen’ en in zijn Götter in Exil noemde hij de benaming ‘een Hollandse koopman’ een pleonasme ‘omdat iedere Hollander een koopman is’. Tezelfdertijd schiep hij de slavenhandelaar Mynheer van Koek, koopman in mensenvlees.

Natuurlijk waren al die Duitse dichters en denkers tégen de slavenhandel; Schiller in zijn Kabale und Liebe, Goethe in zijn Gesprekken met Eckermann. De kritiek van Heine op deze mensonterende branche is echter vele malen effectiever. Zijn Mynheer van Koek is verreweg de onsympathiekste Hollander die in zijn oeuvre rondloopt - ronddobbert, om precies te zijn, want Mynheer van Koek is per vrachtschip onderweg van Senegal naar Rio de Janeiro. Zeshonderd Afrikaanse negers heeft hij tegen brandewijn en glazen kralen ingeruild. En hij berekent, in zijn kajuit gezeten: als niet meer dan de helft van de lading sterft, aan heimwee of aan gebrek aan frisse lucht, is hij straks redelijk uit de kosten. De beste remedie tegen heimwee en gebrek aan frisse lucht, leert hem de scheepschirurgijn Van der Smissen, is een nachtelijk dansje onder de sterrenhemel. Aldus geschiedt. De gevangenen dansen, geketend en wel, aangevuurd door de scheepsarts (trompet), de stuurman (viool), de kok (fluit) en de scheepsjongen (drums).
Mynheer van Koek ziet de vertoning met gevouwen handen aan en bidt: ‘Um Christi willen verschone o Herr, das Leben der schwartzen Sünder! Verschone Ihr Leben um Christi willen, der für uns alle gestorben! Denn bleiben mir nicht dreihundert Stück, so ist mein Geschäft verdorben.’ Het is puur Bertolt Brecht, in zijn spijkerharde, bijna godslasterlijke, analyse van de dwarsverbindingen tussen kapitalisme en calvinisme.
Nee, namen verzinnen kon Heine niet, als het althans namen vanuit de Hollandse moerasdelta betrof. Mynheer van Koek benevens zijn scheepschirurgijn Van der Smissen zijn duidelijk aan de dikke duim ontleend, en ook de Hollanders die een rol spelen in de Gedenkschriften van de Heer von Schnabelewopsi - Van Pitter, Driksen, Van der Pissen - zijn in geen telefoonboek terug te vinden.
Wat moeten wij echter denken van de naam Perreiro, het handelshuis uit Rio de Janeiro, dat bereid was om Mynheer van Koek honderd dukaten per neger te betalen? De naam Perreiro (Paraira, Peyrère, Perrero) bestond in Heines tijd wel degelijk. Dat waren Marranen, Spaanse en Portugese joden die rond 1600 van het Iberisch schiereiland waren verdreven om zich vervolgens in Holland, Frankrijk en Zuid-Amerika te vestigen. Het waren veelal handelslieden - de bank Crédit Mobilier was in de negentiende eeuw de grote concurrent van het Franse bankiershuis Rothschild, dat Heine af en toe een centje gaf in ruil waarvoor de dichter zich wellicht geroepen voelde de rivaliserende firma een beetje zwart te maken. Het is overigens onbekend of het geslacht Perreiro zich daadwerkelijk aan de slavenhandel bezondigde.
De Hollandse Perreiro’s heten inmiddels Rodrigues Pereira, Rodrigues Perreira of Rodriguez Perairra, vaderlanders van een onberispelijke reputatie; een hunner, H. Rodrigues Pereira, heeft het zelfs tot rabbijn geschopt en heeft mij recentelijk hoogstpersoonlijk verzekerd dat hij, noch zijn misjpoge, ooit een negerslaaf heeft laten veilen.