Mynheer van streef

Eigenlijk beschouwde Heinrich Heine zich als een soort bloedverwant van de Hollanders, want zijn geboorteplaats Düsseldorf ligt in de schaduw van Venlo en Roermond en het aldaar gepraktizeerde koeterwaals en kikvorsgekwaak moet - suggereerde hij - als een primitief voorstadium van het Duits worden beschouwd. Daarover kan men van mening verschillen. De gedachte was trouwens niet nieuw. ‘De ezel is, mijns bedunkens, een soort paard dat in het Nederlands is vertaald’, zei Georg Christoph Lichtenberg, die eveneens tamelijk geestig uit de hoek kon komen.

De uren die Heine op Hollandse bodem heeft doorgebracht waren te schaars om de dichter tot een kenner van de vaderlandse volksaard te maken, wat hem er niet van weerhield zichzelf een eigengereide mening over het onderwerp aan te meten. Wij, althans onze negentiende-eeuwse voorvaderen, beweerde Heine, rookten een Goudse pijp, voerden een huishouden van Jan Steen en vervoerden ons per trekschuit v.v. van Haarlem naar Amsterdam.
Vrijwel al die Duitse schrijvers in de achttiende en negentiende eeuw beschouwden ons, Hollanders, als wandelende slaapmutsen die slechts uit hun lethargie ontwaakten als er iets te verdienen viel.
In de zeventiende eeuw had de Hollander nog énig krediet in Duitse ogen. De natie werd bewonderd om zijn macht, rijkdom, geleerdheid en kunstzinnigheid, waarbij Amsterdam in feite als de hoofdstad van de wereld werd beschouwd. Daarna verslechterde het imago. ‘De voorspoed der Nederlanders wekte in het buitenland een licht verklaarbare jaloezie, niet het minst bij de Duitsers’, constateert Busken Huet (Het land van Rembrandt, 1883/1884). 'Gedurende de gehele 17de en een groot gedeelte der 18de eeuw was Duitsland in het ongeluk. Donker stak de algemene berooidheid daarginds, bron van staatkundig onvermogen, tegen de macht van het rijke Holland af.’
Lees bijvoorbeeld ook het essay van Herman Meyers, waarin hij beschrijft hoe de Nederlanders in Duitse ogen in toenemende mate geen goed meer konden doen. Spinoza en Rembrandt van Rijn maakten plaats voor de typisch Hollandse 'mynheer’, bij Heine 'Mynheer van Koek’, bij zijn collega en stadgenoot Karl Immermann 'Mynheer van Streef’. De trefwoorden waren nu kruideniersmentaliteit, flegma en stompzinnigheid, tegen de achtergrond van provinciale rekwisieten als tulpen en windmolens, porselein en tuinhuisjes, boter en kaas.
Die tuinhuisjes vormden het voorportaal van buitenverblijven die niet toevallig Welgelegen en Vreugde en Rust heetten (Karl Schnaase, Niederländische Briefe, 1834), 'hetgeen voor de Hollanders een levenslang excuus is om een weg aan zelfs de meest nabijgelegen nabuurgemeente uit de weg te gaan’.
Waar was inmiddels, vraagt Herman Meyer zich af, Heinrich Heines Vliegende Hollander gebleven, de demonische exponent van zeevaart en kolonialisme, de belichaming van levenskracht en doorzettingsvermogen? Hij is, constateren wij met terugwerkende kracht, verschraald tot de kleinburger J.A. Kegge en Batavus Droogstoppel, handelaar in koffij, woonachtig op de Lauriergracht 37, 1016 RG te Amsterdam. Want wat Heinrich Heine ook op de Hollanders aan te merken had, de visie van onze negentiende-eeuwse landgenoten Hildebrand, Busken Huet en Douwes Dekker verhield zich daarbij als vitriool tot wijnazijn.