9 mei 1918 – 7 april 2012

Myron Leon ‘Mike’ Wallace

Hij was de pionier van het zogenaamde ambush interview, maar de grootste verdienste van Mike Wallace was dat hij met het programma 60 Minutes onderzoeksjournalistiek op de televisie bracht.

‘Vergeef me, maar’ – en dan kwam het: de vraag waarvan de kijker hoopte dat hij gesteld zou worden, maar waarvan hij zich niet kon voorstellen dat hij zou komen. Te gewaagd. De afgelopen zaterdag op 93-jarige leeftijd overleden tv-journalist Mike Wallace stelde hem vervolgens wél. Hij deed dat niet alleen omdat zijn ego dit toeliet, zo stelde zijn oud-collega Andrew Cohen op de website van The Atlantic, maar ‘omdat hij wilde zien hoe de ondervraagde, tenslotte een sterveling als ieder ander, zou reageren’.

Dus verzocht Wallace ayatollah Khomeini in 1979 om een reactie op de opmerking van de Egyptische president al-Sadat dat hij – ‘vergeef me, zijn woorden, niet de mijne’ – een ‘krankzinnige’ was. De dienstdoende tolk wilde de vraag eerst niet vertalen, maar deed dit op aandringen van Wallace alsnog. Zonder met de ogen te knipperen noemde de ayatollah Sadat vervolgens een ‘ketter’ – en dat was dat.

Vaak genoeg ging het in Wallace’s interviews niet eens om het antwoord op zijn vraag of de reactie op zijn woorden. ‘Meineed’, zei hij in een interview met president Nixons rechterhand John Ehrlichman in 1973. ‘Plannen om belastingopgaven te controleren om politieke wraak te nemen. Diefstal van psychiatrische dossiers. Spionage door geheim agenten. Samenzwering om gerechtelijk onderzoek te dwarsbomen. En dit alles door de law-and-order-_regering van Richard Nixon.’ Waarop Ehrlichman zei: ‘Zit daar ergens een vraag in?’ Die was er niet, moest Wallace toegeven. Maar dat maakte niet uit: het was goede televisie. Zo sparde Wallace een halve eeuw lang met staatshoofden, politici, maffiosi en beroemdheden, almaar in de hoop op dat ene moment ‘waarop je de lichten en de camera’s vergeet en je echt met elkaar in gesprek bent’, zoals hij in 2006 tegen _The New York Times zei. Tijdens deze interviews begaf hij zich steeds ‘op het snijvlak van sadisme en intellectuele nieuwsgierigheid’.

Deze, laten we zeggen, geestdriftige stijl bracht Wallace twee keer in zijn carrière in conflicten die hem lang zouden achtervolgen. De eerste keer was in 1982, toen hij in het programma CBS Reports de documentaire The Uncounted Enemy: A Vietnam Deception uitzond, waarin de Amerikaanse generaal William Westmoreland ervan werd beschuldigd bewust een verkeerd beeld te hebben gegeven van de kracht van de vijand. Daarop eiste Westmore een schadevergoeding van 120 miljoen dollar wegens smaad, een rechtszaak die meer dan twee jaar zou duren. Wallace kreeg in die perio­de een zenuwinzinking, die zelfs tot een zelfmoordpoging met slaappillen zou leiden, zoals hij later zou toegeven. Zijn grootste angst was geweest dat ‘de advocaten van de tegenpartij de methodes tegen me zouden gebruiken die ik zelf aanwendde op televisie’.

Dertien jaar later, in 1995, voorkwam zijn werkgever cbs dat hij een item over de tabaks­industrie uitzond. Het ging om een interview met een voormalige onderzoeksdirecteur van Brown & Williamson, die zei dat de ceo’s van de grote sigarettenfabrikanten hadden gelogen toen ze voor het Congres verklaarden dat nicotine naar hun weten niet verslavend was. Een van deze ceo’s was de zoon van cbs-baas Laurence Tisch en die was not amused. De hele episode stond model voor de film The Insider (1999), waarin de fictieve Wallace, tot groot chagrijn van de echte Wallace, bezweek onder de druk van zijn corporate zetbazen. Een jaar later werd het fragment alsnog uitgezonden.

Wallace was niet zijn hele carrière de gedurfde en diepgravende journalist die Amerikanen zich nu herinneren. Toen hij in 1956 het gezicht werd van het interviewprogramma Night Beat had hij al een carrière achter de rug als radio-omroeper, toneelacteur, quizmaster en presentator van spelletjesshows. Begin jaren zestig stapte Wallace over naar het grotere cbs, waar hij het programma The CBS Morning News With Mike Wallace kreeg en verslag deed vanuit Vietnam. Het was in die periode dat Nixon Wallace vroeg of hij, mocht hij de presidentsverkiezingen winnen, zijn perschef wilde zijn. Wallace, die zich nooit publiekelijk Republikein of Democraat noemde, bedankte: hij dacht niet in staat te zijn ‘een gelukkig gezicht te plakken op slecht nieuws’.

Een paar maanden later, op dinsdag 24 september 1968, om tien uur ’s avonds, werd voor het eerst 60 Minutes uitgezonden, Amerika’s succesvolste nieuws­programma ooit. Wallace was, samen met Harry Reasoner, de presentator. Het programma bracht als eerste de zogenaamde ambush interviews. Waarbij de verslaggever en de cameracrew zich op parkeerterreinen en bij achteruitgangen op vermeende slechteriken stortten – teneinde eindelijk een commentaar of schuldbewuste blik aan die ontduiker van journalistieke aandacht te onttrekken. Na enkele jaren raakte Wallace uitgekeken op de methode, omdat deze ‘weliswaar drama verschafte, maar geen goede informatie’.

De tijd – de nasleep van de burgerrechten­beweging, Vietnam, Watergate – vroeg vooral om onderzoeksjournalistiek op televisie. Juist dat zou Wallace tot 2006 blijven brengen, toen hij op 88-jarige leeftijd met pensioen ging. Maar niet echt. Een paar maanden later was hij al weer terug in 60 Minutes, met een interview met de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad. Hij won er zijn 21ste Emmy mee.

Wallace had geen talent voor nietsdoen, zo ontdekte hij. Dus bleef hij werken. Een paar weken voor een hartoperatie in 2008 interviewde hij honkbalster Roger Clemens, beschuldigd van dopinggebruik, voor de cbs-camera’s. Het zou zijn laatste kunstje zijn. Wallace had zestig jaar lang gedaan wat hij als kind altijd al had willen doen.