Ed van der Elsken

Mythe

Het belang van de fotograaf en filmer Ed van der Elsken (1925-1990) gaat Amsterdam verre te boven; je mag ’m wat mij betreft zetten naast Doisneau, Cartier-Bresson, William Klein, al die mannen die met de camera de deur uitgingen om vast te leggen wat ze zoal tegenkwamen.

Medium kunst

Toch heeft Van der Elsken ook specifiek belang voor Amsterdam, als chroniqueur van het stadsleven daar vanaf de late jaren veertig, toen hij voor het eerst met zijn vaders gebrekkige platencamera opnamen maakte.

Veel van die foto’s vormden het boek Amsterdam!, dat nu is heruitgegeven en waarvan de complete inhoud in het Stadsarchief te zien is, met nieuwe vintage prints en commentaar van de maker zelf. Dat wil zeggen: Van der Elsken maakte lange notities over het werk in het boek, en die worden door de acteur Laus Steenbeeke op de audiotour gesproken. Ik heb een broertje dood aan audiotours, maar hier is de combinatie gelukkig; Steenbeeke’s timbre en manier van spreken zitten vlak bij die van Van der Elsken.

Dat timbre bepaalt ook die foto’s. Het zijn beroemde – de meisjes met suikerspinkapsels op de Nieuwmarktkermis, de nozems van de Nieuwendijk, de matpartijen tussen politie en demonstranten op rellerige dagen – en minder beroemde, die voortkwamen uit Van der Elskens ‘gewone’ werk als verslaggever: bevroren bluswater op een uitgebrand pand in de Spuistraat, een auto in de gracht. De somberheid van de stad is misschien een verrassing, maar Amsterdam was na de oorlog een krot. Een zesde van de bevolking was vermoord. Huizen stonden leeg.

Veel mensen die nu prosecco klokkend in dure vletjes over de gracht varen realiseren zich niet dat het tot ver in de jaren zeventig een stad vol werven en fabrieken was, die vaak midden in woonwijken stonden en alles een viezig, kolengruisachtige laagje gaven; dat er derdewereldachtige woonomstandigheden heersten, en dat er in die stad maar heel weinig vermaak te vinden was. Op een brug over de Gelderse Kade fotografeert Van der Elsken een slagersjongen op een fiets, met klompen; Breitner en Jacob Olie hadden hetzelfde plaatje kunnen maken. Dat groezelige Amsterdam is evenzeer verleden tijd als de alpinopet en de pilobroek.

Van der Elsken had een hypergevoelig oog voor wat er ónder die grauwe werkelijkheid broeide, een zin voor rebellie en brutaal avontuur, tégen de lange leren jassen en bullepezen van de politie. In de foto’s is dat broeiende overal herkenbaar, in de smoeltjes van straatjongens en in de ogen van de meiden op de kermis, en hier blijkt dat gesproken commentaar een fijne toevoeging. Van der Elsken was een verzorgde causeur, die onvoorwaardelijk van mensen hield, die ze raak aansprak op straat, en er duidelijk plezier in had om die vrolijke liefde uit te drukken. Je hoort dat timbre in termen als ‘adorabele rotzakken’ (de jeugd), ‘de verschrikkelijke kortharigen’ (militairen) of ‘witgehelmde neanderthalers’ (de politie), die scherp zijn, maar geestig, nooit giftig of boos, zo lijkt het mij. U moet zelf maar zeggen of die reputatie van Amsterdam als vrijgevochten dwarse stad reëel is, of inmiddels een uitentreuren herhaald cliché, maar in Van der Elskens foto’s is de mythe werkelijkheid.


Amsterdam! Ed van der Elsken: Oude foto’s 1947-1970, Stadsarchief, t/m 14 september

Beeld: Ed van der Elsken, Drie meisjes zitten bij het Nationaal Monument op de Dam. Amsterdam, circa 1960