Mythe van de zee

Waar zijn de dikke helden gebleven? Ik kon nog maar net lezen toen ik al kennismaakte met Dik Trom van Johan Kieviet. En ook met het oeroude blijspelmotief van het misverstand. De juf vraagt de kleine Trom op zijn eerste schooldag: ‘Wel jongetje, hoe heet jij?’

‘Dik.’ 'Dik? Ja mannetje, dat ben je, maar ik vraag hoe je heet.’ Op zoek naar nieuwe dikke helden vond ik niet lang na de oorlog in Fabricius’ De scheepsjongens van Bontekoe Padde, en in Beens Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruyter natuurlijk Paddeltje zelf - allebei dik en allebei de hoofdfiguur in een nogal lijvig kinderboek uit het begin van deze eeuw. Ook deze twee scheepsjongens werden net als Dik Trom door het Nederlandse volk aan het hart gedrukt. We waren trots op onze kaas en onze volle melk, daarom waren we ook trots op onze dikke zonen. Ze hoefden niet al te braaf te zijn; de koddige rebellie van Dik Trom werd hem gemakkelijk vergeven. Padde maakte het iets te dol omdat door zijn onvoorzichtige gedrag in het vooronder het schip De Nieuw-Hoorn pardoes de lucht in vloog. Van de twee boeken herinner ik me de eindeloze oceaan, de gezellige herberg die het schip was, de lobbesen tussen de licht- en volmatrozen, de zeemanstucht, de liefde voor het vaderland en de glanzende karakters van oer-Hollandse jongens. Been was een onderwijzer op wie niets aan te merken viel. Zijn Paddeltje is duidelijk geschreven door een montere pedagoog die apetrots was op zijn geboorteland en de jeugd graag wilde opzadelen met een groots verleden vol zeehelden en veroveringen. Hij schreef nogal plechtstatig en hield, wat nu nog charmeert, op geen enkele manier rekening met het feit dat kinderboeken over het algemeen door kinderen worden gelezen. Met zijn bijna onwezenlijke verering van 'Neerlands bloed’ riep hij een uiterst ordentelijke wereld op van gezag en zeegeweld. Vroeger hielden de mensen van onze admiraals. Die door de Staten benoemde zeeschuimers vochten zelf mee en werden soms door een verdwaalde kogel gedood - daar is wat bevelhebbers betreft aardig de klad ingekomen. Zonder enige ironie schreef Been met zijn kroontjespen - de geur van harde zwarte inkt kun je nog ruiken wanneer je Paddeltje leest - over de piraat Il Tigretto: 'En daar een mens onmogelijk zijn verdriet verkroppen kan, werd hij, zoals onze zenuwlijders, onprettig voor zijn omgeving.’ Fabricius leefde later dan Been, in zijn wereld scheen al wat meer licht. Hij was de zoon van een handige toneelschrijver en avontuurlijk van aanleg. Zijn schipper Bontekoe is wel een doorgewinterde Hollander, maar in de verste verte geen ijzervreter zoals De Ruyter. Zijn stijl is losser, al wist hij bijna niet van ophouden - zijn zeeboek is duizelingwekkend lang. Ik leende het uit de schoolbibliotheek. In het midden ontbraken dertig pagina’s. Ik klaagde bij de meester. Grimmig zei hij: 'Je moeder zegt dat je zoveel fantasie hebt, verzin de pagina’s er zelf maar bij.’ Fantasie was een ondeugd in die tijd; ik wist niet eens precies wat het was. De vrolijke dikzakken zijn verdwenen in de jeugdboeken. Mocht er toch nog in een van de zorgelijke boeken over ontaarde ouders, lelijke pepmiddelen en magere pestkoppen een dikke jongen opduiken, dan is het naar alle waarschijnlijkheid een zielepoot die zich moegepest en volgevreten aan het einde van het boek verhangt. In deze tijd zou Michiel de Ruyter zelf een dikzak van jewelste zijn geweest. De zee kende hij dan alleen van pootjebaden en zonnebrandolie, misschien was hij staatssecretaris geworden - zo'n man in een wat slobberig net pak, die met zijn duim en vuist mimisch een telefoon kan uitbeelden en met wapperende vingers aanhalingstekens weet te symboliseren. Helden zijn sterk, maar de tijd waarin ze leven is altijd nog veel sterker.