Mythe van de zee

De oude Perzen verklaarden de zee al heilig. De Grieken gaven haar een eigen god: Poseidon, de jongere broer van Zeus die aanvankelijk ook heerste over de aarde en de aardspleten. Narcissus kon zijn kwellende spiegeling niet grijpen en verdronk, en datzelfde spiegelbeeld zien we in alle stromen en oceanen. Bespiegelingen en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Het is de beeltenis van het ongrijpbare spook dat leven heet; dat vormt de sleutel tot dit al.’

Laat ik dat spook of zeemonster, die waterdraak of druipende hersenschim, maar meteen Moby Dick noemen, de albino-walvis die in Melville’s meesterwerk Moby-Dick, or the Whale in alle zeeën en oceanen rondzwerft en bloed spuitend opduikt, ‘reusachtig als een drijvend eiland’. Hij dobbert 'als een sneeuwberg tegen de lucht’ rond in de ziel van de verteller ('Zeg maar Ismaël’), die zich meldt aan boord van een walvisvaarder om een depressie van zich af te schudden en zijn geldgebrek te bestrijden. De kapitein is Achab, die bezeten is van de jacht op Moby Dick, wiens sikkelvormige kaak hem een been heeft afgebeten. De bemanning bestaat uit afvalligen, verworpenen der aarde, menseneters en ander uitschot. Zij raken allemaal in de ban van de walvis, wit als een lijkwade, met een sneeuwwit gerimpeld voorhoofd en een hoog oprijzende, piramidevormige, witte rugbult. En de kop van deze Leviathan, dit welhaast oudbijbelse monster, is schedelkundig bezien één grote misleiding. Van de hersenen is geen spoor te bekennen. Als machtig beest is zijn gehele voorkomen een fantastische façade. Hij is een sfinx. Onder kapitein Achab jaagt Ismaël - de half-Egyptische zoon van Abraham en Hagar die de woestijn is ingedreven - in woeste wateren naar een monster met vele gedaanten. Net als Osiris is Achab op zoek naar zijn verminker, het monster Typhon dat in het oude Egypte een zinnebeeld van de oceaan vormde, alles wat de mens kwaadaardig gezind was. Moby Dick is het ongrijpbare kwaad en de wereldwijde samenzwering of, in de woorden van meesterverteller en mythomaan Melville, 'de gebalde vleeswording van al die verderfelijke krachten welke bepaalde diepe denkers in zich voelen vreten, totdat ze met een deels weggeknaagd hart en op een halve long verder moeten leven’. Dat innerlijk gevecht, die strijd om Moby Dick, speelt zich voornamelijk af in de Stille Zuidzee, de Grote Oceaan waarvoor Melville een apart hoofdstuk inlast. Die lievelingszee van Melville omvat bijna de hele aardbol en verenigt alle kusten tot één baai. Het water vormt zeeweilanden, 'weids rollende watersteppen’. De Grote Oceaan is het 'getijdenkloppende hart’ van de aarde. En daar woedde al in 1851, ver voor Freud en Jung, de strijd in het onderbewuste: 'want hier liggen miljoenen vermengde schaduwen en schimmen, verdronken dromen, slaapwandelingen, luchtkastelen; hier ligt al wat levens en zielen heet voor immer dromend te dromen; te woelen, gelijk sluimeraars in hun slaapstee; de eeuwig voortrollende baren, slechts van hún rusteloosheid het gevolg’. Wie eenmaal een duik neemt in Melville’s magistrale Moby-Dick, or the Whale, komt nooit meer echt boven. De zee geeft en de zee neemt.