Mythe van de zee

In menig zeeverhaal is de zee een bron van avontuur. In vroeg-Middeleeuwse geschriften is dat anders; daar is de zee plek voor contemplatie. Biddend en vastend zwierven monniken in kleine bootjes over de onmetelijke vlakte van de oceaan. De eilandjes die zij aandeden, met daarop soms een heremiet of een klooster, zijn vergelijkbaar met de oases in de verhalen over woestijnheiligen. Deze verhalen waren in de vroege Middeleeuwen ook de inspiratiebron van de zeevarende monniken. Zij hoopten op zee de ascese aan te treffen die woestijnheiligen vonden in de Sinaï. Hun tocht in kleine, tot de verbeelding sprekende bootjes van leer en hout leidde hen, via de eindeloze stilte en ruimte van de zee, nader tot God, mits er in devote soberheid en regelmaat werd geleefd. Soberheid en regelmaat zijn er dan ook in overvloed in de Navigatio Sancti Brendani, de oudste versie van Zeereis van de heilige Brandaan (onlangs verschenen in een vertaling van Vincent Hunink).

Later ontstonden er nog honderden andere, meer avontuurlijke varianten van Brandaans zeereis, maar deze achtste-eeuwse Latijnse versie is van een grote, bijbelse eenvoud. De wereld erin is als een klooster op zee. De Ierse heilige Brandaan was vermoedelijk in de zesde eeuw van onze jaartelling met zeventien van zijn monniken op weg naar het voorportaal van de hemel, het zogenaamde ‘Beloofde land der heiligen’. Hierbij was niet werkelijk sprake van zoeken, want uit de verhalen van een andere Ierse heilige, Barinthus, wist hij al waar dit beloofde land lag en hoe het eruitzag. Hij voer er ook niet direct naartoe, maar zwierf eerst zeven jaren over de Atlantische Oceaan. Pas nadat er genoeg was gebeden, gevast en gezongen, was het moment aangebroken om er voet aan wal te zetten. De vele wonderen die God op zee aan Brandaan openbaarde, kregen in latere versies van het verhaal een belangrijke plaats. In de Navigatio is hun functie er slechts in gelegen dat zij de lezer erop wijzen dat de monniken allengs in een andere fase van extase zijn beland. De wonderen worden ook met weinig spektakel gebracht. Zo beschrijft de anonieme auteur hoe Brandaan en zijn mannen op een heldere dag ontdekken dat ze niet op een eiland maar op de rug van een reusachtige walvis zijn beland. Geen paniek, aldus Brandaan, God had het allemaal al geopenbaard in een droom. Het beest heet Jansonius en daarmee is de kous af. Echt adembenemend is het tafereel niet: de Verwandlung voltrekt zich in vijf zinnen. Ook de zogenaamde ontdekking van Amerika is weinig spectaculair. Brandaan arriveert, ontdekt dat het leven er zonder dag, nacht, of zelfs slaap is, doolt er veertig dagen rond en vertrekt weer, om rechtstreeks terug te keren naar Ierland, waar hij korte tijd later overlijdt. Brandaan, wiens blik altijd omhoog was gericht, zou verrast zijn geweest toen twintig jaar geleden een ongelovige avonturier zo onder de indruk was geraakt van de technische en dus aardse aspecten van Brandaans reis dat hij, zo goed als dat kon, de tocht reconstrueerde en in precies eenzelfde soort bootje volbracht. (Hij schreef er zelfs een boek over dat onlangs ook in Nederlandse vertaling is verschenen: De Brendan expeditie, door Tim Severin.) De avonturier heeft het praktische bezwaar dat er bestond tegen het idee dat Brandaan Amerika heeft aangedaan, overtuigend weten te weerleggen. Maar hoe smeuïg hij zijn verhaal ook heeft geschreven, toch heeft God zich niet één keer aan hem geopenbaard. Sterker nog, Severin doet de wonderen uit de Navigatio zelfs af als onzin, terwijl de waarheid gebiedt te zeggen dat wat de zee voor Severin verborgen hield, met liefde werd geschonken aan de heilige Brandaan. Er is duidelijk meer voor nodig om Brandaan na te volgen dan goede navigeer- en zeilkunst.